Lukas 20:20-26
Wij zien hier, hoe Christus den strik ontwijkt, dien Zijne vijanden Hem hebben gespannen, door Hem ene vraag te doen betreffende het betalen van schatting. Wij hebben dit verhaal reeds gehad in Mattheus en Markus. Hier is:
I. Het kwaad, dat zij voor Hem beraamden, en dat wordt hier meer in bijzonderheden verhaald dan tevoren. Het plan was: Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren, vers 20. Op wettelijke wijze konden zij zelf Hem niet ter dood brengen, noch op een andere wijze dan door een volksoproer, waarop zij niet konden rekenen, daar zij nu Zijne rechters niet konden wezen, wilden zij er zich gaarne toe lenen Zijne aanklagers te zijn, en dus zullen zij zelf ene klacht tegen Hem inleveren. Zij hoopten, zo zij slechts den toorn des stadhouders tegen Hem konden opwekken, hun doel te bereiken. Het was een gewone kunstgreep van vervolgzieke kerkregeerders, om de wereldlijke macht als werktuig hunner kwaadaardigheid te gebruiken, en de koningen der aarde te noodzaken hun vuil werk te doen, terwijl dezen, indien zij er niet toe aangezet waren geworden hun naasten met rust gelaten zouden hebben, zoals Pilatus Christus met rust gelaten heeft, totdat de overpriesters en schriftgeleerden hem op Christus hebben gewezen. Maar aldus moet door hun gevloekte staatkunde Christus' woord vervuld worden, dat Hij den heidenen overgeleverd zou worden.
II. De personen, die zij gebruikten. Mattheus en Markus zeggen ons, dat het discipelen waren van de Farizeeën, met sommige Herodianen. Hier wordt er bijgevoegd, dat het verspieders waren, die zich zelven veinsden rechtvaardig te zijn, Het is niets nieuws, dat slechte mensen zich voordoen als rechtvaardigen, en de meest-goddeloze bedoelingen verbergen onder een zeer schoonschijnend uiterlijk. De duivel kan zich veranderen in een engel des lichts, en een Farizeeër zich voordoen in het gewaad en de taal spreken van een discipel van Christus. Een spion moet zich vermommen. Deze verspieders moeten zich voordoen als waardering hebbende voor Christus' oordeel, en het aan te nemen als een Godsspraak, en daarom moeten zij Zijn raad inwinnen nopens ene gewetenszaak. Evangeliedienaren moeten op hun hoede zijn en zich inachtnemen voor sommigen, die zich veinzen rechtvaardig te zijn, en zij behoren voorzichtig te zijn gelijk de slangen, als zij zich onder adderengebroedsels bevinden.
III. De vraag, die zij Hem voorstelden, en waarmee zij hoopten Hem te verstrikken. Zij beginnen op zeer hoffelijken toon: Meester! wij weten dat gij recht spreekt en leert, vers 21. Aldus dachten zij Hem te vleien om vrij en openlijk met hen te spreken, en daarmee hun doel te bereiken. Die trots zijn en gaarne geprezen worden, zullen door vleierij overal toe gebracht kunnen worden, maar grotelijks vergisten zij zich, die dachten hiermede den nederigen Jezus te kunnen bedriegen. Hij was niet ingenomen met het vleiend getuigenis van zulke geveinsden, en achtte er zich niet door geëerd. Het is waar, dat Hij den persoon niet aanneemt, maar het is even waar, dat Hij aller harten kent, en het hun kende en de zeven gruwelen, die er in waren, al spraken zij nog zo schone woorden. Het was zeker, dat Hij den weg Gods in der waarheid leerde, maar Hij wist dat zij onwaardig waren om door Hem onderwezen te worden, die gekomen waren om Hem in Zijne rede te vangen, niet om naar Zijne rede te luisteren en Zijne woorden ter harte te nemen. Hun vraag is zeer netelig: "Is het ons geoorloofd" -dit is hier in Lukas er bijgevoegd-"den keizer schatting te geven-ons Joden, ons het vrijgeboren zaad Abrahams, ons, die schatting betalen aan den Heere, mogen wij schatting betalen aan den keizer?" Hun hoogmoed en hun gierigheid maakten er hen afkerig van belasting op te brengen, en nu willen zij de vraag stellen, of het ook eigenlijk wel geoorloofd was. indien Christus nu zou zeggen dat het geoorloofd was, zou het volk dat kwalijk nemen, want zij verwachtten dat Hij, die zei de Messias te zijn, hen wel in de eerste plaats van het Romeinse juk zou bevrijden, en hen zou steunen in hun weigering van schatting aan den keizer. Indien Hij echter zou zeggen dat het niet geoorloofd was, gelijk zij verwachtten dat Hij zeggen zou (want indien Hij niet van die mening was, dachten zij, dan zou Hij niet zo bemind kunnen wezen bij het volk), dan zouden zij iets hebben om Hem van te beschuldigen bij den stadhouder, en dat was alles wat zij verlangden.
IV. Zijn ontwijken van den strik, dien zij Hem gespannen hadden: Hij bemerkte hun arglistigheid, vers 23. Zij, die het arglistigst zijn in hun bedoelingen tegen Christus en Zijn Evangelie, kunnen met al hun slimheid hun bedoelingen toch niet voor Hem verbergen. Hij kan de slimste vermommingen doorzien en de gevaarlijkste strikken verbreken, want zeker het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte. Hij gaf hun geen direct antwoord, maar bestrafte hen wegens hun poging om Hem te bedriegen. -Wat verzoekt gij Mij? en vroeg hun Hem een penning te tonen, een gangbaar muntstuk onder de kooplieden. -Toont Mij een penning, en toen vroeg Hij wiens munt dit was, wiens op- schrift het droeg. Zij erkenden dat het de munt was des keizers. "Welnu", zegt Christus, "gij had dan eerst behoren te vragen of het geoorloofd is des keizers munt onder ulieden te ontvangen en er mede te betalen, haar als een wettig betaalmiddel te erkennen. Daar gij dit echter met algemene instemming erkend hebt, hebt gijzelf de zaak reeds tot een beslissing gebracht, en ongetwijfeld behoort gij schatting te geven aan hem, die u voorzien heeft van dit gerief voor uw handel, er u in beschermt, en met zijn gezag instaat voor de waardij van uw geld. Gij moet dus den keizer geven wat des keizers is. In burgerlijke zaken behoort gij u te onderwerpen aan de burgerlijke overheid, indien dus de keizer u beschermt in uw burgerlijke rechten door wetten en rechtsbedeling, dan behoort gij hem schatting te betalen, maar in heilige zaken is God alleen uw Koning. Gij zijt niet verplicht des keizers godsdienst te omhelzen. Gij moet Gode geven wat Gods is, Hem alleen aanbidden, en geen gouden beeld dat de keizer opgericht heeft." En wij moeten Hem eren en aanbidden op de wijze als door Hem is voorgeschreven, en niet naar de bedenksels van den keizer. God alleen heeft de macht en het recht om te zeggen: Mijn zoon, geef Mij uw hart.
V. Hoe zij hierdoor verward en beschaamd werden.
1. De strik is gebroken. Zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk. Zij konden niets vinden, waardoor zij den stadhouder of het volk tegen Hem konden opzetten.
2. Christus wordt geëerd, zelfs de grimmigheid des mensen zal Hem loffelijk maken. Zij verwonderden zich over Zijn antwoord, het was zo voorzichtig en onberispelijk, en zulk een blijk van die wijsheid en oprechtheid, die het aangezicht verlichten, Prediker 8:1.
3. Hun mond was gestopt, zij zwegen stil. Zij hadden er niets tegen in te brengen, en durfden Hem niets meer vragen, uit vrees van door Hem beschaamd en voor het volk tentoongesteld te worden.