1. Paulus en Silvanus en Timotheus 1) Ac 16:3 die nu weer te Corinthiërs bij elkaar zijn, zenden gezamenlijk deze brief aan de gemeente van de Thessalonicenzen 2), die is, die haar bestaan en wezen heeft in God de Vader en de Heere Jezus Christus (2Thessalonicenzen 1:1): genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus 3) (vgl.
Galaten 1:3 en "
Romeinen 1:7" en "Eph 1:2.
1) Door brieven, die aan medearbeiders van de apostelen of opzieners van de gemeenten, of aan de gemeenten zelf dadelijk gericht waren, werkten de apostelen ook uit de verte op de gelovigen. In zulke zendbrieven lieten zij aan de Christenen van latere tijd de dierbaarste getuigenissen achter over de toestand van sommige gemeenten en van de geest en de wijsheid, waarmee zij de kerk bestuurden, de leer ontwikkelden, de eenheid en de heilige wandel bewaarden.
De namen Silvanus en Timotheus zijn er niet bijgezet alleen voor pronk, maar bewijzen hoe in het rijk van Christus ook de begaafdste het toch niet alleen, noch alles alleen wil doen, maar graag de gelegenheid aangrijpt om zijn getuigenis van de waarheid en zijn manier van handelen daarbij te ondersteunen met de goedkeuring van anderen. Iemand kan zich ook werkelijk daardoor aan het geweten van anderen aanprijzen, als men aan hem kan zien, dat hij ook graag anderen als zijn gelijken naast zich laat opstaan.
Dat Paulus zich niet apostel noemt, is een teken van de zeer vroegtijdige samenstelling van de brief; want het is zeer natuurlijk, dat het voor Paulus niet nodig was, tegenover de Christelijke gemeente, waaraan hij schreef, die hij eerst kort van te voren had verlaten en die zich met grote liefde aan hem en aan zijn prediking had overgegeven, nader zichzelf te noemen met het predikaat van zijn ambt, omdat het eenvoudig noemen van de naam volkomen voldoende zijn moest. Anders werd het in het later leven van de apostel. Reeds tegenover de Galaten en Corinthiërs was hij om de tegenspraak, die zich in deze gemeente factisch tegen zijn apostolisch gezag verhief, genoodzaakt zichzelf bij het begin van de brief de volle ambtelijke waardigheid toe te eigenen. Zo werd de bijvoeging "een apostel van Jezus Christus", die eerst de gebiedende omstandigheden hadden teweeggebracht, later gemakkelijk tot het gewone predikaat, vooral bij gemeenten, waaraan de apostel persoonlijk onbekend was (Romeinen 1:1 Efeze 1:1 Colossenzen 1:1), waarbij ook dit, zonder dat er tegenspraak bestond, reeds met het oog op de toekomst noodzakelijk was. Een uitzondering was alleen daar natuurlijk, waar zoals bij de Filippensen en Filemon de innigste en meest beproefde liefde en gehechtheid de apostel met hen, die de brief ontvingen, verbond.
2) De apostel Paulus was op zijn tweede zendingsreis (Handelingen 15:36-18:22) de eerste in Europa, naar Thessalonika gekomen (in het jaar 52 na Christus). Hij had zich daar drie weken (als men volgens Handelingen 17:2 rekent waarschijnlijk nog enige tijd langer "Ac 17:5 opgehouden. Gedurende die tijd had Hij in de synagoge de leer van de opgestane Christus als de Messias verkondigd en daardoor niet alleen vele Joden, maar ook Griekse proselieten, vooral voorname vrouwen, meestal heidense, gewonnen. Zo ontstond een wel ingerichte gemeente, die van de apostel ook opzieners verkreeg en door de uitgebreide handelsbetrekkingen van de stad snel overal gunstig bekend werd. Evenals later te Corinthiërs had de apostel ook in deze rijke handelsstad van zijn recht op lichamelijke ondersteuning geen gebruik gemaakt, maar gedeeltelijk `s nachts door handenwerk zelf zijn onderhoud verdiend (1 Corinthiërs 9:14 Handelingen 20:34). Alleen uit Filippi kreeg hij twee maal vrijwillige gaven (Filippenzen 4:16). Ook deze persoonlijke houding droeg bij tot zegen op zijn werk, dat de Joden zozeer verbitterde, dat zij door een oproer van het volk hem uit de stad probeerden te verdrijven. Ook kwamen zij voor de overheid met een verdraaiing van zijn leer van het Koninkrijk van Christus op dezelfde manier als eens de Hogepriester tegen Jezus. Wel was deze rechtvaardiger dan Pilatus en vergenoegde hij zich met de borgstelling van een zekeren Jason; maar de Christenen achtten het toch goed Paulus en Silas aan de opgewekte haat te onttrekken en nog `s nachts verder naar Berea te laten gaan. Van daar had de apostel de jeugdige gemeente graag weer bezocht, maar hij was zoals het schijnt, hoofdzakelijk door de nog voortdurende vijandschap, die ook over de Christenen vervolgingen bracht, daarin verhinderd. In plaats daarvan dat hij zelf kwam, werd, nadat hij ook van Berea had moeten vluchten, Timotheus, die volgens zijn verlangen hem nagereisd was, van Athene gezonden, om de gemeente in haar moeilijkheden te vertroosten. Te Corinthiërs, waarheen de apostel zich van Athene verder begaf, kwam vervolgens Timotheus in vereniging met Silas weer tot hem en bracht goede berichten mee van de toestand van de gemeente, van haar volhardend geloof en van haar bemoeiing om dat ook naar buiten te verbreiden, van de werkzame broederliefde, het geduld in lijden en de hoop, op de toekomst van de Heere gevestigd. Daarnaast dreigden echter nog de verzoekingen van de weelderige handelsstad tot wellust en winzucht en zelfs de verwachting van de Heere, die in moeilijkheden levendig was, was ontaard in nodeloze twistingen, of dan de vroeger gestorvenen niet te kort zouden komen, alsmede over dag en uur. Daardoor waren enkelen vervallen tot een vroom ledig lopen; anderen, die de overdrijvingen met recht verwierpen, waren tegen alle voorspelling wantrouwend geworden. Daarop schreef Paulus, ongeveer in het begin van het jaar 53 na Christus deze eerste brief naar Thessalonica.
Het onderschrift in oude handschriften "geschreven uit Athene" is niet alleen, zoals al deze onderschriften (vgl. het slotwoord op de brief aan de Romeinen) onecht, maar ook onjuist en waarschijnlijk als een gevolgtrekking uit Hoofdstuk 3:1 ontstaan, alsof de plaats, waar Paulus schreef, dezelfde moest zijn als die, waarvan hij Timotheus zond. Onze brief is integendeel te Corinthiërs geschreven en wel in de tijd, dat Paulus aan het begin van zijn werk daar stond, niet zeer lang na de bekering van de Thessalonicenzen, dadelijk na het terugkeren van Timotheus tot Paulus.
3)Eigenaardig in de groeten van de beide brieven aan de Thessalonicenzen is de bijvoeging: "in God de (of onze) Vader en de Heere Jezus Christus. " Het is de vraag of die bijvoeging doelt op de groet zelf (zodat gezegd zou zijn, dat het geschiedde in God de Vader en de Heere Jezus Christus, als de schrijvers zich met een brief tot de gemeente wendden en ze groetten), of dat het verbonden moet worden met "aan de gemeente van de Thessalonicenzen. " Voor het laatste spreekt het apostolisch gebruik, om de formule "in Christus" steeds in de groet te verbinden met de personen (vgl. "de geheiligden in Christus Jezus" 1 Corinthiërs 1:1 of "aan alle heiligen in Christus Jezus" Filippenzen 1:1 en "de gelovige broeders in Christus" (Colossenzen 1:1), maar nooit met de groet zelf; ook komt het voor als geheel ondenkbaar dat de apostel aan zijn geliefde gemeente te Thessalonika, wier geloof hij tevens zo hoog verheft (evenals de gemeente in Galatië, waar de zaken zo geheel anders waren (Galaten 1:2) geen eervolle benaming zou hebben laten toekomen.
Terwijl Thessalonika van vroeger met de gehele wereld in het boze lag, terwijl er daar alleen Joden waren, die geen deel aan Christus en heidenen, die zelfs aan God geen deel hadden, is nu daar een gemeente, die in God de Vader en in Christus Jezus is. Het is een wonder van God, waarvoor de apostel Hem lof en dank zegt.
Van de afgoden tot de levende God en van de hopeloze toestand zonder Christus in de gemeenschap met Christus Jezus en in het blijde deelgenootschap aan Hem en de openbaring van Zijn rijk gebracht te zijn (Vers 9 v.) mocht wel een gewenste verandering heten. O zalige verandering, van te voren zonder God, zonder Christus en nu in God de Vader en de Heere Jezus Christus te zijn!
4) Het woord, dat in de grondtekst voor "genade" staat cariv herinnert aan de Griekse groet cairein (Handelingen 23:26), die ook in de apostolische zendbrieven voorkomt (Handelingen 15:23 Jakobus 1:1), het "vrede" daarentegen aan de Hebreeuwse formule om te groeten en te zegenen (Richteren 19:20. 1 Samuël 25:6 Evenals Jakobus aan het cairein het cara (vreugde) vastknoopt (Jakobus 1:2), heeft Paulus het nog meer Christelijk verbonden met cariv, terwijl het "vrede zij u" reeds door de Heiland, als Hij uit de dood was wedergekeerd, als een Christelijk woord gebruikt was (Johannes 20:19, 21, 26 vgl. ook reeds Lukas 10:5 v.) vooral in verband met Zijn afscheidsrede, waar Hij Zijn vrede als de vrucht van Zijn overwinning over de wereld en zoals een onderscheiden familie-erfstuk in tegenstelling tot de wereld had achtergelaten (Johannes 14:27; 16:33). Door samenvoeging elkaar aanvullende worden de beide woorden, aan Joodse en heidense gewoonten ontleend, volgens welke zij bijna alleen op het natuurlijke leven en op welvaart doelen, verheven tot de volheid van de bijzondere zegen van de Christenen: een merkwaardig voorbeeld van Nieuw Testamentische taalvorming! Genade is die van de Nieuw-Testamentische zaligheid, die in Jezus Christus de zondaren is geopenbaard (Titus 2:11 Johannes 1:17). Zij is niet alleen het principe van de verlossing, die eens voor altijd heeft plaats gehad, maar is ook voortdurend de grond, die het nieuwe geestelijke leven draagt en de kracht, die het voedt, met haar vele gaven in de Christen (Handelingen 23:11; 6:8 en deze wordt hen door God in Christus door de Heilige Geest steeds weer inwendig verzegeld en meegedeeld (Romeinen 5:5 Johannes 1:16). In die zin, volgens welken dus genade niet slechts gezindheid van God, maar tevens mededeling van Zichzelf is, wenst Paulus zijn lezers steeds weer genade van God en Christus toe. Vrede is de eerste werking van de genade in het hart van de mens, die, nadat de verdeeldheid en de tweespalt van een leven van de zonde is weggenomen, hersteld wordt, de inwendige levensharmonie en haar heerlijk liefelijk gevoel, daarop berustend, dat de druk en de ban van de zonde van het geweten is weggenomen en de mens weet, dat hij in Christus weer in de juiste verhouding tot God, in de kinderlijke betrekking tot Hem is gesteld (Romeinen 5:1) en juist daardoor zich inwendig gerust en sterk kent tegenover de bestrijdingen en angsten van de wereld (Johannes 16:23). De verhoging van deze vrede, als die zich levendwekkend en verheffend in het gevoel uitstort, is de blijdschap (Romeinen 14:17 Filippenzen 4:4 Johannes 15:11; 6:22, 24. 17:18. 1 Johannes 1:4. 1 Petrus 1:8 een hoofdbegrip van het Nieuwe Testament, bij ons te zeer op de achtergrond geplaatst. Omdat de vrede het gevoel van genezing en gezondheid van het nieuwe leven, het gelukkige zich thuis voelen van de verloren zoon is, dringt hij de mens vanzelf om te blijven in het gezonde levenselement. Hij heeft een kracht, die hart en gedachten, die het gehele raderwerk van het inwendige leven in Christus Jezus onderhoudt (Filippenzen 4:7), en is daarom juist geschikt om in ieder opzicht de hoogste zegenwens voor Christenen te zijn.
B. Tot aan het slot van het 3de Hoofdstuk volgt nu het eerste gedeelte van de brief, dat persoonlijke en geschiedkundige zaken bevat. Wij lezen enkel uitstortingen van het hart van de apostel over de gemeente te Thessalonika in zijn betrekking tot haar, over haar Christelijke staat en haar wandel, zijn komst tot de gemeente en zijn leefwijze in haar midden, zijn bezorgdheid voor haar en de geruststelling, die hij over haar had ontvangen. Zo heeft deze brief, evenals de laatste van de brieven door hem aan gemeenten geschreven, die aan de Filippensen, een meer familiair, persoonlijk karakter.
I. Vers 2-10. In de eerste plaats spreekt de apostel over de Christelijke staat en de wederkerige verhouding van de gemeente. Hij verzekert de Thessalonicenzen, dat hij bij zijn gebeden bestendig God dankt voor hen allen, terwijl hij steeds hun geloof, hun liefde en hun hoop gedenkt en zich verzekerd mag houden van hun verkiezing door God. Deze overtuiging heeft hij aan de ene kant vanwege de bijzondere opgewektheid en kracht, waarmee hij in gemeenschap met zijn apostolische medearbeider het Evangelie bij hen heeft kunnen prediken, en aan de andere kant vanwege de gewilligheid waarmee zij het woord hebben ontvangen. De geheel buitengewone vrucht, die bij hen verkregen is, is toch zichtbaar een werk van God, dat heinde en verre opzien heeft verwekt en door het lijden, dat zij reeds omwille van hun geloof hebben gedragen, zijn zij een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje. Zo is het dan met hen gesteld, als men overal van hen verhaalt: van de afgoden, die zij van te voren dienden, zijn zij bekeerd tot de levende God; zij wachten op de toekomst van Zijn Zoon van de hemel, die zij hebben aangenomen als de Verlosser van het toekomstig gericht.