32. De Christus, de Koning van Israël, zoals het opschrift van de landvoogd Hem noemt, kom nu van het kruis af, zodat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruisigd waren (
Vers 28) beledigden Hem, in ieder geval één van hen. Terwijl vroeger de blik van de Evangelisten gericht was op de soldaten die Jezus in hun midden hadden is die nu op de gekruisigde en openlijk ten schouwspel gestelde Jezus gericht en wel zoals Hij daar hing tussen het derde en zesde uur.
Wij zijn met onze afdeling gekomen tot die stille, heilige hoogte, nu God, de Drie-enige, de troon van de openbaring van Zijn liefde heeft opgericht. Open en vrij staat dit heiligdom midden in de wereld. Geen voorhangsel, geen voorhof houdt de oningewijden terug, maar de inwonende gestrengheid is als een Cherub met vlammend zwaard en niets onreins mag naderen. Voor de oprechte gemoederen en ware zielen ligt hier echter een aantrekkingskracht van onvergelijkbare fijnheid en kracht. Nergens verblijven zij liever dan in dit onopgesmukte heiligdom; hier vinden zij balsem voor de diepe wonden, vreedzame, ongestoorde rust na zware arbeid en grote uitputting, hier smaken zij de krachten van de toekomstige eeuw, zodat zij met nieuwe moed en vaste stap hun verheven doel, zonder te rusten, kunnen najagen. Wees gegroet, heilig kruis, dat verborgen is voor de hele wereld, maar voor het geestelijk oog van de gelovigen een open troon van eeuwige overwinning en van hemelse kracht, waarop Zich de Beginner en Voleinder van het geloof heeft neergelaten om ons allen tot Zich te trekken. Wees gezegend, dierbaar kruis, meest eenvoudig, duidelijk en levendig teken van God, begrijpelijk voor het menselijk bewustzijn wanneer het ontwaakt en wanneer het sterft; voor het onderzoekend oog dat eenvoudig is, een ondoorgrondelijke diepte van de hemel met melkwegen van sterren van gedachten; voor de wereldse wijze en de eigengerechtige een onverdraaglijke en eeuwig kwellende dwaasheid!
Er is over Jezus een spot gekomen waartegen hemel en aarde zich hadden moeten verzetten. Hij wordt met de waarheid bespot; Hij is toch Gods Zoon, de Koning van Israël, de Heilige, de Geliefde van God, waarin Hij een welbehagen heeft. Waarom mogen die slechten vergiftig met Hem spotten, zonder dat hemel en aarde en God zelf van de hemel van Zijn gehoorzaamheid prijzen en roemen, die enig en onvergelijkbaar is? Antwoord: het is offer - het is verzoenend lijden. Daarom moet Hij, daarom moeten Zijn hemelen zwijgen. Laat Hem echter zwijgen; zwijg ook u, kijk in het gezicht vol nood en pijn - als de nood het hoogst is, dan zal er verandering komen. Hoon is zwakheid; zwakheid is bij hem, die zijn zaak met hoon en spot en schimpwoorden verdedigt. Te kunnen zwijgen, te kunnen verdragen, te kunnen bidden en vergeven, dat is sterkte; zachtmoedigheid overwint, ootmoed zegepraalt. Wat zij ook zeggen, de afschuwelijken, het opschrift boven het kruis en de eed van Christus blijven geschreven; de hoon verstomt, de waarheid blijft. Zo is het gegaan, zo gaat het nog. Hij zal van het kruis niet afkomen, maar Hij zal bewijzen Zoon van God en Koning te zijn. Hij zal afkomen en begraven worden en glorierijk opstaan en Paulus zal van Hem prediken dat Hij bewezen heeft Gods Zoon te zijn door de opstanding en sinds de opstanding. Sinds die dag van spot is Jezus Christus Koning geworden. Dat opschrift waait van onze vanen, Zijn Koningsnaam verdwijnt niet van onze lippen, de eeuwen en alle landen en de hele hemel is vol van Zijn heerlijkheid. Zijn vernedering is de hoogste eer, Zijn kruis het teken van eer, van overwinning en heil; voor het kruis en de doornenkroon heft men hymnen aan. Hij heeft een naam boven alle namen, licht is Zijn kleed en Zijn weg is tot een beroemde regel van alle heiligen geworden en allen stemmen mee in het: "Hier door spot en hoon, daar de erekroon. " Hoewel vreemd aan deze geest van spotternij en met betere bedoelingen, rijst mogelijk nog wel eens in deze of gene de wens op dat Jezus van het kruis zou zijn gegaan tot verplettering en overtuiging van de aanschouwers; ja misschien denkt wel iemand dat zo'n laatste wonder een krachtige steun voor zijn eigen geloof zou zijn. Zo spreekt de menselijke wijsheid, die tekenen vraagt en waarvoor het kruis een ergernis of dwaasheid is. Maar veronderstellen wij eens dat Jezus, nadat men Hem aan het kruis had vastgenageld, ten aanzien van de verbaasde menigte daarvan door Zijn wondermacht was afgekomen! Welke uitwerking meent u dat dit gehad zou hebben? De geschiedenis kan het ons leren. Zoals bij de genezing van de doofstomme zouden de farizeeën op orakeltoon hebben uitgeroepen: "Gij doet wonderen door de macht van Beëlzebul!" en ongeschokt in hun verharding, onbekeerd gebleven zijn. Mannen wiens verblinde ogen niet geopend werden door de wondertekenen, die de dood van Jezus volgden, die na het getuigenis van de wachters aangaande Jezus' opstanding, met verstokt gemoed de waarheid door leugentaal onderdrukten, zouden, als zij de Heiland ongeschonden van het kruis hadden zien afdalen, onbewogen gebleven zijn en misschien in hun helse woede pogingen gedaan hebben om Hem opnieuw aan het kruis te slaan. Maar, mocht het bekend gedrag van deze mensen iemand nog niet tot deze gevolgtrekking leiden, hij moet dan op de toon van duivelse bespotting letten waarmee zij Jezus uitscholden! Wij lezen hier geen woorden van een Nathanaël of Thomas, maar de uitdrukking van een spottende vreugde, die vraagt wat zij onmogelijk keurt. Lasterend en het hoofd schuddend juichten zij met luide spot: "Christus, Koning van Israël, kom nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven!" Voor welk geloof waren die harten vatbaar? Hun haat duldde geen overtuiging, hun vooroordeel wilde niet begrijpen, hun trotsheid zich niet onderwerpen. Alle bedenkbare wonderen zijn onvermogend om de oren en ogen te openen, waarover moedwillige hartstocht de sluier van de verblinding geworpen heeft. Maar al hadden zich ook eens alle aanschouwers op Golgotha zich laten overtuigen door Jezus afkomen van het kruis, wat zou daaruit voor hen en de hele mensheid zijn voortgevloeid? Dat de Middelaar Zijn zoenoffer voor de zonden niet volbracht heeft, er geen verzoening, geen vergeving, gerechtigheid en volkomen zaligheid voor ons bestond en dat op onszelf de straffen zouden zijn gekomen waarvan ons de Verlosser heeft vrijgekocht door dat kruis, waarvan Hij niet is afgedaald. Dat zou de vrucht van het begeerde wonder, de uitkomst van de kortzichtige menselijke wijsheid geweest zijn. God van genade, hoeveel wijzer en barmhartiger is Uw wijsheid.
Verguisde Jezus! in Uw vernedering zie ik het beeld van de zonde, die Gij geboet hebt. - Afgrijselijke zonde! een vernedering van de oneindige Majesteit, van haar gezag en woord. De zondaar randt Gods hoogheid aan en zet alle bedenkingen die daartegen zijn, stoutmoedig ter zijde. Zo bestond ik ook helaas! in mijn eersten vader; zo bestond ik ook helaas! in mijn treurig eertijds. - Mijn naam was spotter en mijn hele bestaan een bespotting van God en van al wat heilig is. - Waarom is het, vraag ik mijzelf af, dat de uitwendige lijdenspijnen die mijn Verlosser bejegend hebben, meestal bespottingen, verguizingen, geweest zijn, dat in dat soort de bijzonderheden in getal de meeste waren; in Kajafas zaal, aan het kruis en in het rechthuis van de landvoogd? Wanneer ik dat in mijn eenzaam peinzen aan mijzelf vraag, dan antwoord ik: De zonde, zoals die een bespotting is van de oneindige hoogheid, van de eeuwige wijsheid en van de onbeperkte goedheid van het Wezen aller wezens, de zonde moest in die afgrijselijke aard, in die onvoorbeeldelijke boosheid uitvoerigst getekend worden. De zondaar behandelt God als iemand die in de bestellingen, die zijn Voorzienigheid maakt, niet weet wat hij doet, die wanneer Hij de voorlopige raad van zijn hoogst wijze berisper in tijds had aangenomen, een beter bestuur ontvangen zou hebben. Elke bedilling van Gods handelingen, elke mompeling, ja, elke gedachte: De weg van de Heere is niet recht, stelt God ten toon als iemand aan wie het of aan wijsheid ontbreekt, of aan billijkheid. De zondaar stelt God ten toon, als was Hij een onnozele goedheid, een die men niet hoeft te ontzien, een die, ja wel eens in een vlaag van ijver wat sterk spreekt, maar als het er op aankomt alles slippen laat. Die zo dacht van een geschapen koning rukte hem de kroon van de eer van het hoofd en verklaarde dat rijk rampspoedig, omdat de koning dus hoedanig een kind, een dwaas is. En wie zal dan in een miljoen jaren de som berekenen, de mate van de belediging die men God aandoet wanneer men zegt: Ik zal vrede hebben, ofschoon ik wandel naar het goeddunken van mijn hart; of wanneer men het heilig beven voor Gods rechterlijke toorn plaatst in gelijke rang met die redeloze bekommeringen, die de vruchten zijn van een bijgelovige opvoeding. God handelt als een onnozele goedheid! Oneindige belediging! - De zondaar behandelt God als iemand die zich een gezag aanmatigt dat Hem niet toekomt. Hij ondermijnt de gronden van de Godsregering en elke daad van ongehoorzaamheid, elke afwijzing van de waarschuwingen, elke voorbedachtelijke ongehoorzaamheid is een overneming van de vraag van de oneindige terging: Wie is de Heer, wiens stem ik gehoorzaam zou zijn! Ik ken de Heer niet. - Wat is terging, wat is hoon, wat is bespotting, wat is verguizing, zo het dit niet is? En, klimt een misdaad naar gelang het aanzien en de majesteit van hem die beledigd wordt, dan is er aan de boosheid, aan de gruwel, aan de schuld van de verachting, van de bespotting, waarvan de oneindige Majesteit het voorwerp is; geen tellen, geen rekenen. - Nu begrijp ik, nu voel ik, waarom de Borg van de zondaren zoveel bespottingen gedragen heeft en waarom, in dat deel van het uitwendig lijden, de gevallen, de bijzonderheden, in getal de meeste waren. - Ik die hier, in mijn eenzame bepeinzingen, het evangelie en daarin een verguisden Jezus voor mij heb, ik ben het, die in treurige nadruk met mijn Maker gehandeld heb, zoals de onbedachtzame soldaat met Jezus handelde. Al de bijzonderheden van terging en verachting, al de uitbrekingen van oproerigheid, al de laagte van gedachten jegens God, al de stoutheid in het spreken, al de bitsheid in God te beschuldigen, al de weigering van onderwerping en in een ander opzicht al het huichelachtige van een ogendienst, alsof God zag zoals een mens ziet, al die ongemeende toejuichingen: De Koning leve! al die ongemeende kniebuigingen met een hart dat geen aasje eerbied koesterde en de ware onderwerping aan God zelfs niet in bedenking nam, dat al, en nog meer, verenigde zich in mijn geval. Die, die ben ik geweest! - Beschimpte Jezus. Wat was mijn lot geworden dan aan eeuwige beschimpingen ten doel te worden! - De snerpende gesel, de pijnlijke doornsteek, de aangedreven vuistslag van een verwijtend, van een vloekend gewisse eeuwig te dragen! - Eeuwig te bezwijken onder de neerbukkingen van de Almachtigen! Een onderneming van loutere dwaasheid aan de billijkste verguizingen blootgesteld! Een aanfluiting, een hoofdschudding te worden. Dat Goddelijk lachen in mijn verderf, dat heilig spotten bij de nadering van mijn vrees!. . . Ondraaglijk denkbeeld! - Eeuwig snarenspel voor de bende van duivelen! Elke gewaarwording van pijn vergezeld te zien van een bijtende glimlach van de eerste verleiders, van mijn eerste vader en in hem van mij. - Kleine smaad kan ik hier niet dragen. Liever verloor ik al mijn goed dan voor een uur openbare schimp van een tomelozen hoop te dragen; maar wat is dat weinig in vergelijking van het eeuwig lot, dat mij te wachten stond! - Ontzettende plechtigheid van de jongste dag! Duldeloze beschaming van elk die het waagde zijn eigenheid als troon te voeren en iedereen de aanbidding af te vergen van dat gouden beeld! Daar staat die belachelijke koning, die trotse zondaar, daar staat hij ten toon in het vernederend spotgewaad met de rietstaf in de hand ten overstaan van hemel en aarde! - Spijt en woede verscheuren zijn hart, al de schepselen, omdat zij juichen wegens het ontslag van de overlast, die de ingebeelde koning, met geroofd gezag, hen aandeed, alle schepselen roepen éénstemmig: Zie Hem. - Gehoonde Jezus! Hoe zwaar, onvoorbeeldelijk zwaar, hebt Gij geleden! Wanneer ik U beschouw alleen in de betrekking van een heilig mens, een achtbaar man, een eerwaardig Leraar, een weldadige mensenvriend, een die nooit beledigde, een die overal de voetstappen van gerede hulp heeft nagelaten, dan bloedt mijn hart! En hoe klimt mijn verbaasdheid, mijn opgetogenheid, wanneer ik U tegelijk beschouw in Uw oneindige heerlijkheid, de heerlijkheid van de eniggeborene van de Vader, aller Koningen, aller heren Heer, een snarenspel, een tijdverdrijf geworden, de beschimping van een leem, dat zijn bestaan aan Uw handen te danken had! De Schepper aan de moedwil van Zijn eigen maaksel blootgesteld! - Geplaagde Heiland! - Nooit had Gij rust. De boosheid dreef onzinnig! De ene baar stuwde de andere voort. Geen ogenblik verademing. Handen, die nog moe zijn van de felste geseling, begeren geen verpozing, zij zijn tot nieuwe soorten van mishandeling even gereed en zijn wellicht de medestanders van andere geweest in het plegen van de toegevoegde smaad. En hoe had er, zonder de aandrijvingen van de helse Jehu, in de weinige uren die er van Uw gevangenneming af verlopen waren, zoveel kunnen voorvallen als waarlijk gebeurd is! - Verguisde Jezus! Wat voor vijgen lees ik van deze doornen! Zou ik een ogenblik in twijfel zijn of elke versmading, elke mishandeling, die U ontmoet is, de strekking gehad heeft van een borgtochtelijk lijden, een betalend lijden? Zou ik God beschouwen als een heilig en rechtvaardig Wezen, een die dus, buiten opzicht tot eigen of overgenomen schuld, geen lijden toe kan zenden en dan nog twijfelen, of elke pijn, die mijn Verlosser van de geboorte af tot Zijn dood toe ontmoet is, een borgtochtelijk lijden geweest is? Neen voorwaar! ik twijfel geen ogenblik. En in dat licht beschouw ik nu mijn verguisde Zaligmaker. Aan Hem heb ik de vergeving van al mijn vergrijpingen tegen God en mensen te danken; de vergeving van al de vernedering, van al het ongelijk, dat ik immer aan God, Zijn wet, woord en voorzienigheid, aandeed; vergeving van al die verachtingen van de meerderen, die over mij gesteld waren; vergeving van al die onmeedogendheden jegens ellendigen, al die toesluitingen van mijn hart en tong. Mijn Vader, die in de hemelen is, zag op Zijn verguisde Zoon toen Hij mij dat al vergaf. De doornen, die Hem gepijnigd hebben, bezorgden mij het ontslag van de vloek waaronder ik lag. Mijn aanneming bij God heb ik aan de smaad van mijn Heiland te danken, op die wortel van de onbesefbare verguizing, die Hij droeg, groeit de onberekenbare, de verbijsterende, de bedwelmende eer die ik geniet. Ik ben uit stof en drek verhoogd. Ik, die een erfdochter was van eeuwige smaad, aan de bende duivelen toegewezen tot snarenspel, ik geniet de hoogste eer. - Wat, wat zal ik dan de Man doen, tot wiens eer de Koning een welbehagen heeft! Ik zal mij met vernieuwd geloof, met verse opgenomenheid aan Hem, aan het verzoenend en verlossend vermogen van Zijn smaad en pijn toevertrouwen. Ik zal mij verblijden, dat Hij de druk, de smaad te boven is en Hem met vrolijk gejuich bespiegelen, als gezeten op de Middelaarstroon. Ik zal verlangen, dat Zijn heerlijkheid meer openbaar wordt in de wereld. Ik zal Hem bidden dat Hij zelf de palen uitzet van Zijn rijksgebied en Zich het vertrouwen en de eerbied bezorgt van duizenden die Hem nog niet kennen. Ik zal bidden: Kom! Sions Koning! waak op! doe de ijver aan als een mantel! Uw loon is immers bij U, Uw arbeidsloon voor Uw aangezicht. Ga uit overwinnend en om te overwinnen! Kom op tegen de sterke; Uw krijgsarm heerst! Gord, gord Uw zwaard aan Uw heup, o Held! Uw majesteit en Uw heerlijkheid! scherp Uw pijlen! breng wonden toe aan degenen die genezing zoeken bij dezelfde hand, die de wond toebracht. Zend, zend de scepter van Uw sterkte uit met dat bevel van majesteit: Heers in het midden van Mijn vijanden! laat Uw krijgsvolk willig zijn op de dag van Uw heerlijkheid, in de wapenrustingen van het heiligdom! laat Uw jonge manschap zijn zoals de dauw is, als hij uit de baarmoeder van de dageraad geboren wordt, voltallig en vol glans! Ik zal, gaat het naar mijn wens, Hem aanprijzen als het waardig voorwerp van vertrouwen en eerbied. Ik zal de harten voor Hem opeisen en voor Zijn aangezicht roepen: Kniel! Ik zal Hem vermelden als een, die de hogepriesterlijke borstlap en de vorstelijken scepter ook draagt. Ik zal treuren, dat Zijn persoon en evangelie zo'n slecht onthaal ontmoeten, treuren vooral wanneer ik bemerk dat het baldadig rot van Romeinse soldaten, die Jezus verguisden, herleeft in een bende van Deïsten, die zijn persoon en evangelie bespotten, die in de handen klappen en schateren van gejuich, als ze een lijdende schimp, een kwinkslag, waar misschien wat zout in is, hebben uitgeworpen op het woord van Jezus lijdzaamheid. Ik zal uitzien naar invloed die mij vormt tot het voeren van een wandel die geen oneer doet aan een Verlosser die om mijnentwil verguisd is, een wandel die een banier voor de waarheid is en die al de beschimpingen, die op het evangelie van mijn Verlosser geworpen worden, als bandeloze pijlen, doe neervallen. Ik zal, gaat het naar mijn wens, voor altijd een welgevallen nemen in de smaad die mij wegens de navolging aan Christus en Zijn evangelie in de wereld ontmoeten mocht en zo'n lot voor een onbesefbare verwaardiging, een onrekenbare eer houden. Nooit, gaat het naar mijn wens, nooit wijkt die treurvertoning van een verguisde Zaligmaker uit mijn oog. Dat aandenken, dat beroerend toneel, de verguisde Godmens, zal, gaat het naar mijn wens, de neiging naar scherts, welke neiging ik ook in mijn gestel hebben mag, voor altijd beteugelen en ik zal, hoewel met vermijding van alle somberheid en gemaaktheid, een deftigheid bewaren, een ingetogenheid, die men zeker verwachten mag van hem, waarvan het aandenken aan Gods gehoonde Zoon gemeenzaam is. Ik zal, gaat het naar mijn wens, in tijden van verbijstering, van laagheid van de harten, van mismoedigheid wegens onaangename ontmoetingen, van andere ongestalten, ik zal dan achttien eeuwen terugkijken naar dat treurtoneel dat ik nu voor mij heb. Ik zal ernaar kijken totdat mijn hart week wordt en er een vuur ontbrandt in mijn overdenking, totdat mijn hart uit koelheid en laagheid rijst tot dat punt waar het wezen moet. Ik ga voor al mijn leven aan Jezus in waarheid doen, wat de Romeinse soldaten al spottend deden. Ik zal Hem dagelijks de kroon op het hoofd zetten, van al mijn heil aan Hem de eer geven, aan Hem alleen. Ik zal Hem elke morgen en duizend maal, op elke dag de scepter in handen geven, al het bestuur over mijn vaderland, de kerk, de wereld, mijn geslacht, huis, lot en hart, aan Hem overlaten en roepen: Gods beschimpte, maar nu gekroonde Zoon, doe wat in Zijn ogen goed is! Ik zal in het eenzaam gebed tot Hem mijn lichaam plaatsen in een houding, die de ootmoed van mijn hart het best uitdrukt en meest bevordert. Ik zal mijn knieën voor Hem buigen; en, gaat het naar mijn wens, dan zal mijn hart in elke toenadering nog lager dalen! Ik zal uitroepen: de Koning leeft! Beschimpte Jezus! ik kan dat gezicht niet dragen! ik zal er mijn oog van afwenden! Nee! ik zal ernaar blijven kijken! ik zal er eeuwig naar kijken. Nu verdwijnen alle andere voorwerpen uit mijn oog! Kom dichterbij, beminde eeuwigheid! Kom snel dichterbij! Mijn Jezus! Uw vernedering verzoent en bedekt al het gebrek van mijn overdenkingen! Uw vernedering veraangenaamt het goede dat er in mijn peinzen over Uw vernedering gevonden werd! Beschimpte Jezus! mijn eer! Halleluja! VII. Vers 33-41. Evenals vroeger de gebeurtenissen gedurende de eerste drie uren aan het kruis, vertelt Markus ook hier de drie andere tot aan Jezus sterven bijna als Mattheüs; alleen vermeldt hij niet de aardbeving en de opening van de graven, met de gevolgen voor de dag van de opstanding. Het tweede Evangelie vond een bepaalde, ook schriftelijk voor de kerk gegeven manier van verhalen voor zich, die zich juist bij de kruisgeschiedenis tot enige bijzonder gewichtige punten beperkte en die in bijzondere eenvoud voorstelde. Dit voorbeeld wilde Petrus, die leider van Markus, niet verlaten hebben, behalve waar een enkel punt minder zijn lezers aanging.