53. En zij waren gedurende de tien dagen tot Pinksteren (
Handelingen 1:13 v. ) alle tijd in de tempel, zo vaak men zich daar tot een bedestond bevond, God lovend en dankend. Amen!
De hoge gast, die de mensheid bezoekt, die in duisternis en schaduwen van de dood gezeten was, verlaat voor onze ogen de wereld en gaat in tot de heerlijkheid, die Hem bereid was bij de Vader. Met Hem heeft een hemelse verschijning de aarde verlaten, zoals die er nooit tevoren was en zoals die nooit weer zal komen tot aan het einde der dagen. Het schoonste, edelste, heiligste leven werd op dat plechtig uur op de Olijfberg aan het oog ontrukt - slechts weinigen hadden Zijn heerlijkheid gezien, sinds eeuwen ziet niemand ze meer! En toch is de indruk van dat scheiden van het begin af geen terneerslaande maar een verheffende geweest. Reeds de eerste discipelen keerden naar Jeruzalem terug met grote blijdschap en evenals voor hen zo is nog altijd voor de hele Christenheid de dag van Christus' hemelvaart een hoge vreugdedag en onze jubeltonen verkondigen het luid, hoe waar de Heiland heeft gezegd: "het is uw nut, dat Ik wegga. " Wel heeft het aardse leven van de Zoon van God en van de mensen met dit heengaan Zijn einde bereikt, maar daarom hebben wij Hem niet verloren; wij hebben Hem pas echt gewonnen en evenals Hij zelf op deze weg tot Zijn volle heerlijkheid geraakte, zo is ook voor ons het aandeel aan de zalige vruchten van Zijn leven, lijden, sterven en opstaan alleen daardoor geopend, dat Hij door het voorhangsel in het hoogste heiligdom intrad.
Deze hemelvaart verheerlijkt de Koning van het Godsrijk. Meermalen zagen wij gedurende Zijn leven op aarde de Zoon van God door de Vader verheerlijkt, bepaaldelijk wanneer hemelstemmen om Zijn eer weerklonken, natuurverschijnselen omwille van Hem gebeuren of een dode op Zijn bede herleefde. Maar stellen wij een ogenblik in onze gedachten de onvergelijkelijke majesteit van Zijn persoon tegenover de weergaloze vernedering van Zijn toestand op aarde, dan voelen wij hoe zelfs dergelijke openbaringen van Zijn luister, vergeleken met hetgeen Hij was en verdiende, niets anders waren dan enkele stralen vergeleken met de volle glans van de zon. Bij Zijn hemelvaart zien wij Hem eindelijk de kroon op de schedel gedrukt, ten prijze van bloed en tranen verkregen en een waardigheid Hem aangewezen, in overeenstemming met Zijn geheel enige rang. Moge het niet behoren tot de taak van een geschiedschrijver, die slechts op aarde zijn grondgebied vindt om te schetsen, hoe Hij daarboven zal ontvangen zijn met de engelenhulde; zij het nauwelijks nodig te herhalen, dat het "gezeten aan de rechterhand van God" meer bevorderlijk is om de armoede van onze taal, dan om het eigenlijk wezen van Jezus' grootheid te tonen: blijft het zelfs moeilijk om het juiste verband, die overeenkomst en het verschil te bepalen, tussen Godsbestuur en Christusregering: dit weten wij toch, dat wij ons van aanvang en luister van Zijn heerschappij, als wij de getuigenis van Zijn apostelen horen, geen te stoute voorstellingen kunnen vormen. Met uitzondering van de Vader, die Hem alle dingen onderworpen heeft, zien wij alles aan Zijn voeten gelegd en al is in de engere zin van het woord slechts Zijn gemeente het koninkrijk, waarin Hij als Gebieder regeert, Hij heerst echter niet minder in het midden van Zijn vijanden en over alles wat dienen kan om hen onderdanen van Zijn rijk te doen worden. Zo zien wij een heerschappij op Zijn schouders gelegd, waarvan evenmin de jaarboeken van de aarde als van de hemels de weerga opleveren en is nu deze macht de eerste voorwaarde, waarvan de voortzetting van Zijn arbeid afhankelijk is, wij noemen haar, niet enkel voor Hem maar ook voor de aarde een onuitputtelijke bronwel van heil. - En Hij besteedt die macht niet tot eigen voordeel of roem. Zijn hemelvaart waarborgt de zegen van het Godsrijk. De Heere verliet de aarde om de Trooster tot haar te zenden en ook om die reden had Hij recht in het uur van de scheiding Zijn heengaan een stof van blijdschap te noemen. Zolang Hij zelf nog op aarde was waren Zijn apostelen nog niet rijp om die Geest geheel te ontvangen: zinnelijkheid en vooroordeel klemden zich aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid onlosmakelijk vast. Ja, Hijzelf kon die Geest pas doen dalen wanneer Hij verhoogd was aan de rechterhand Gods. De uitspraak van Johannes (7:39): "De Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was" bevat de uitdrukking van een diepe, nog niet genoeg begrepen waarheid. Het lag - wij zeggen het met heilige eerbied - in de aard van de zaak dat de zending van de Geest de verhoging van de Heere niet kon voorafgaan, niet mocht vergezellen, maar pas daarna moest volgen. Verre zij het van ons om Gods almacht te willen beperken, maar verre ook het eigen woord van de Heere te vergeten: "Als Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen". Dat woord behelsde geen beschikking van willekeur, maar van hoge noodzakelijkheid. De Heilige Geest kan Hij slechts doen dalen, die zelf volmaakt heilig is; daarom moest de Heere eerst door lijden geheiligd en volmaakt worden, eer Hij ons door Zijn Geest een leidsman op de weg van het leven kan worden. De Heilige Geest kan Hij pas van de Vader doen dalen, die in de onmiddellijke nabijheid en gemeenschap van de Vader verkeert; daarom moest de Heere eerst terugkeren in de onzichtbare wereld, eer Hij geestelijke gaven in de harten kon uitzenden met onbekrompen overvloed. De Heilige Geest kan Hij slechts schenken aan allen die niet meer door de invloed van stoffelijke beperking verhinderd wordt op allen te werken; daarom moest de Heere worden verheven boven ruimte en tijd om niet slechts op hen, die Hem persoonlijk omringden, maar op allen die op alle plaatsen Hem aanroepen, het licht van Zijn Geest te doen stralen. Pas wanneer een boom volwassen is schenkt Hij volle schaduw aan de wandelaar, die onder zijn takken komt rusten; pas wanneer een kaars hoog op de kandelaar staat biedt zij aan allen die in het huis zijn haar vriendelijk schijnsel. En is het nu die Heilige Geest, waarvan ieder gelovige zijn verlichting, vertroosting en heiliging, waarin de hele gemeente haar bewaring, ontwikkeling en vereniging, waaraan eenmaal de mensheid geheel haar volmaking zal danken, wie vermeldt dan naar waarde de zegen van een heengaan, dat aan de aarde zo'n nalatenschap schonk? Deze hemelvaart dan ook verheft de burger van het Godsrijk. Zij bekleedt Hem met eer, die onvergelijkelijk is. Hij ziet de deelgenoot van zijn eigen natuur verheven aan de rechterhand van God. Zij vervult hem met een kalmte, die onbeschrijfelijk is; hij weet dat de Koning van het Godsrijk daarboven als broeder voor hem waakt, als vriend aan hem denkt, als voorspraak voor hem bidt. En moge het nu vooral moeilijk - in geen geval onze roeping voor het tegenwoordige zijn - de werkzaamheid van de Heere in de hemel ten gunste de Zijnen te schetsen, reeds de enkele gedachte dat elke geestelijke zegen een vrucht van Zijn hemels leven mag heten en dat ook het boek van onze toekomst in Zijn handen gelegd werd, is genoeg om onze onrust en vrees uit het angstig hart te weren. Die hemelvaart bovenal voert de burger van het Godsrijk op een baan van heiligmaking, die onafmetelijk is. Door de kracht van Zijn Geest trekt de Verheerlijkte het hart van de Zijnen naar boven; het hemelleven van de Heere wordt de grondslag van de hemelsgezinde wandel van Christus en steeds hoger staat Zijn waarachtige onderdaan boven de lusten en lasten van een wereld waarin de Heere niet meer wandelt. Zo is het verheerlijkte leven van de Christus toegewijd aan geen ander doel, dan waaraan Zijn vernederd leven op aarde geheiligd was. - En vragen wij nogmaals, dikwijls niet zonder zorg, naar een onderpand, dat dit doel ten slotte bereikt wordt? Jezus' hemelvaart, nog eens, waarborgt de voltooiing van het Godsrijk. Bekleed met zo'n onbeperkt gezag verenigt deze Koning alles in Zich, wat Hem op een zekere triomf kan doen hopen. Zijn bondgenoot is de Vader, die Hem deze macht heeft gegeven; Zijn staatsdienaar de dood, die de machtigste rijken ontvolkt; Zijn rijksgebied niet begrensd door iets wat hier een heerschappij kan beperken; Zijn vijanden dragen ook temidden van de hevigste tegenstand de zaden van verdeeldheid en daardoor van nederlaag in zich. De achttien eeuwen, die deze heerschappij al doorleefde temidden van veelvuldige tegenspoed, ons tegelijk het tafereel van een schitterend verleden en de waarborg van een nog schonere toekomst. Staat ook voor het tegenwoordige dat rijk, hoe fel geschokt, nog krachtig en vast als weleer, het is een bewijs dat de hemelbestormers van de negentiende eeuw nog de vrucht van de hemelvaart van de eerste niet hebben kunnen vernietigen. Steeds groter zal het aantal onderdanen worden, die op gebogen knie deze Koning als de hunne belijden en met aanbiddende tong Hem tot heerlijkheid van de Vader verheffen. Zo overleeft de Christusregering, onbewogen als de Olijfberg, alle aardse vorsten en rijken en heeft geen andere bestemming dan de aarde te doen gelijk worden aan dat vreedzaam Bethanië, in welks nabijheid haar eerste grondslag gelegd is. Dan eerst wanneer er geen vijanden meer zijn, omdat zonde en dood zijn vernietigd, lost het Christusrijk zich in het algemene Godsrijk op. De Koning van dat rijk blijft eeuwig het voorwerp van de dankbare hulde van de Zijnen, maar geeft zelf de teugels van het rijksgebied over aan de Vader, wiens raad Hij volvoerd, wiens naam Hij groot gemaakt heeft. En God - de stoutste gedachte van een apostel van de Heere is tevens het waardigst besluit van Zijn aardse levensgeschiedenis. - God zal zijn alles in allen!
SLOTWOORD OP HET EVANGELIE VAN LUKAS
De naam Lukas is de op Joodse wijze verkorte vorm van de Romeinse naam Lukanus, evenals Alexas van het Griekse Alexander, Kleopas van Kleopatros (Hoofdstuk 24:18) Silas van Silvanus. Dat de evangelist van deze naam oorspronkelijk een arts was, is volgens Colossenzen 4:14 niet te betwijfelen; inderdaad schildert hij ook in zijn evangelie Christus Jezus vooral graag als de grote Medicijnmeester, van wie een genezende kracht uitging, die ieder hielp (Hoofdstuk 5:19. 6:19). Wanneer men echter daaruit, dat Paulus in Colossenzen 4:10 de groete overbrengt van degenen die "uit de besnijdenis" zijn, wil besluiten dat hij daardoor Lukas, die pas later met twee helpers, oorspronkelijk heidenen, vermeld is, eveneens voor een geboren heiden zou verklaren, dan is dat niets dan een quid pro quo. Er staat niet: "deze zijn alleen uit de besnijdenis". Het berust op een miskenning van het verband, waarin "uit de besnijdenis" staat tot de zin, die dadelijk volgt: "deze allen zijn mijn medearbeiders in het koninkrijk van God, die voor mij een vertroosting geworden zijn. " Beide woorden zien integendeel uitsluitend op Markus en Jezus Justus en drukken aan de ene kant een smartelijk gevoel van de apostel daarover uit, dat ook nu nog, nu de Heere van alle apostelen juist hem tot werktuig heeft gemaakt om de boodschap van het Evangelie het haar bestemde doel: "tot aan het einde der aarde (Handelingen 1:8; 22:21; 23:11) te laten bereiken, zo weinigen uit zijn broeders en verwanten naar het vlees zich hem ten dienste stelden, opdat hij de hem nog openstaande gelegenheid tot werkzaamheid juist zou kunnen waarnemen. Aan de andere kant getuigen zij ook van een getroost zijn, dat toch altijd nog deze twee bij hen zijn, waarvan de een na lange vervreemding (Handelingen 15:39) weer tot hem is gekomen, de ander onlangs uit het overigens zo gesloten Jodendom te Rome (Handelingen 28:17, ) zich aan hem heeft aangesloten. Op de andere genoemde doelen de woorden van den apostel niet; zij zijn zijn helpers reeds van vroegere tijd (zo ook Aristarchus), waarom het er ook niets op aankomt of zij oorspronkelijk heidenen of Joden geweest zijn. Een uit de besnijdenis, zo is ons steeds duidelijker geworden, is Lukas zeker geweest. Hem aan de ene kant tot een van de beide Emmaüsgangers (Hoofdstuk 24:13 vv. ) en toch aan de andere kant tot een Hellenist te maken, zoals P. Lange doet, gaat niet aan. Beide discipelen doen zich integendeel door hun uitdrukkingen: "onze overpriesters en oversten" en "wij hoopten, dat Hij was degene, die Israël verlossen zou" duidelijk genoeg als Joden kennen en als zodanigen behandelt ook de Opgestane hen, als Hij hen van Christus predikt, hoe deze door lijden Zijn heerlijkheid moest ingaan en hen daartoe alle woorden uitlegt, die over Christus gezegd zijn. Pas hiermee komt het woord (Johannes 4:22): "de zaligheid is uit de Joden" tot zijn volle betekenis. Niet alleen de Heiland zelf stamt van dit volk af, maar ook de Heilige Schrift is van haar eerste tot aan haar laatste letter uit Joodse pen gevloeid.
In onze bewerking van het Evangelie hebben wij reeds meermalen Pella als de geboorteplaats van Lukas genoemd. Hier opgegroeid in de omgeving van Grieken 4:25), legde hij de grond tot zijn vlugge schrijven van het Grieks en bezat hij vanzelf die vrijere stemming van het hart tegenover de heidenwereld, die hem meer bekwaam maakte en zijn roeping tot navolging van Jezus (Hoofdstuk 9:61 v. ) om in de kring van de zeventig discipelen (Hoofdstuk 10:1, ) in te treden, dan in de kring van de twaalf, die bovendien al gesloten was. Zonder twijfel was hij reeds onder de honderd en twintig, die na de dag van de hemelvaart steeds eendrachtig bij elkaar waren met bidden en smeken en het Pinksterfeest mee beleefden (Handelingen 1:15; 2:1, ); geruime tijd heeft hij vervolgens tot de eerste Christelijke gemeente te Jeruzalem als lid behoord en wat in de Handelingen der Apostelen (Hoofdstuk 1-12) verteld wordt, alles meegedeeld als door hemzelf doorleefd. Volgens Hoofdstuk 1:1 van zijn Evangelie handelt hij toch bij het in twee delen verdeelde werk over geschiedenissen, die "onder ons" volkomen zekerheid hebben. Hij werd echter waarschijnlijk al omtrent het jaar 45 na Christus een lid van de gemeente te Antochië in Syrië, welker stichting hij in Handelingen 11:20-24 met een levendigheid en frisheid vertelt, waardoor dierbare herinneringen aan deze gemeente duidelijk worden. Eusebius verklaart hem voor een geboren Antiochiër en ook andere kerkvaders houden zich aan die mening omtrent zijn afkomst; daarvan schijnt intussen een verwarring met Lucius in Handelingen 13:1 de oorzaak te zijn. Van Antiochië heeft Lukas de eerste zendingsreis van de apostel Paulus met belangstelling gevolgd en het bericht van de teruggekeerde boden voor de gemeente met eigen oren gehoord (Handelingen 13, 14). Ook in Handelingen 15:1 bemerkt men het duidelijk aan de woorden: "Sommigen, die afgekomen waren van Judea", dat hij zich te Antiochië bevindt, want hij noemt de stad niet, waaraan bij het komen moet worden gedacht. Daar is hij ook gebleven tot na de apostelraad in het jaar 50 na Christus (Handelingen 15:35). In de Clementische recognitiones, omstreeks het midden van de tweede eeuw, vindt men (X, 71) het bericht dat toen aan het hoofd van alle machtigen van de stad Theophilus stond en het paleis, waarin hij woonde, tot een kerk heeft gewijd. Daaruit kan men besluiten dat deze edelman (Hoofdstuk 1:3) waarschijnlijk van geboorte een Griek, nog te Antiochië zich geneigd betoonde tot aanneming van het Evangelie, maar nog voor zijn hele bekering in een andere werkkring werd verplaatst. Omdat het een plaats was waartoe de boodschap van het Evangelie nog niet was doorgedrongen, had hij behoefte aan een onderwijzer, die tot zijn verdere onderrichting hem vergezelde. Nemen wij nu aan dat deze plaats de zeestad Troas aan de Hellespont geweest is en de leraar door de gemeente hem gezonden onze Lukas, dan wordt het niet alleen duidelijk, waarom deze later zijn beide geschiedkundige werken aan Theophilus opdroeg, maar ook hoe het kwam dat, als Paulus en Silas in gezelschap van Timotheus omstreeks het jaar tweeënvijftig op de tweede zendingsreis te Troas kwamen en vandaar tengevolge van een gezicht naar Macedonië trokken, opeens Lukas hen vergezelde (Handelingen 16:10); want hij had nu zijn werk aan Theophilus geëindigd. Voor de juistheid hiervan spreekt dat voor de beide eerste zendingsreizen van Paulus bij Handelingen 13:4-14:26, 15:40-16:11 de geografische omstandigheden van Antiochië, Cyprus en Klein-Azië als bekend worden verondersteld, terwijl reeds omtrent Filippi (Handelingen 16:12) een nauwkeurige opgave volgt. Lukas bleef, toen de overige drie, door de vervolging genoodzaakt, van Filippi verder gingen, daar achter en vertoefde daar om het begonnen werk voort te zetten, gedurende de jaren 52-58. Hij sloot zich pas weer aan de apostel aan toen deze, nadat hij het Paasfeest van laatstgenoemd jaar te Filippi had doorgebracht, over Troas naar Jeruzalem tot het Pinksterfeest reisde. Daarom staat in Handelingen 16:18-20:4 niet meer "wij", maar wordt dit pas weer in Handelingen 20:5-21; 27:1-28:16 gevonden. Ook bij Paulus' gevangenschap te Caesarea (58-60 na Christus) is Lukas een van diegenen geweest die in Handelingen 24:23 "de zijnen" worden genoemd en wie niet werd verhinderd hem te dienen, of tot hem te komen. Dit sluit niet uit dat onze evangelist in deze tijd ook met de gemeente te Jeruzalem verkeerde en daar zijn berichten over het leven van Jezus zifte en aanvulde (Lukas 1:3). Daarna vergezelde hij Paulus op de zeereis naar Rome en heeft misschien bij het zevendaags oponthoud te Puteoli (Handelingen 28:14) onder de broeders, die zich daar bevonden, ook Theofilus aangetroffen, die van Troas, waar wij hem voor jaren geplaatst vonden, inmiddels hierheen naar Italië verder was verplaatst, zoals bij staatsbeambten zo'n plaatsverwisseling vaak genoeg voorkomt. Tot deze combinatie geeft ons de omstandigheid aanleiding, dat in Handelingen 28:1-16 voor de gehele reis van Malta naar Rome in het geheel geen geografische aanwijzingen gemaakt zijn, waar zelfs kleine lokaliteiten bekend worden geacht; hij, aan wie het boek is gewijd, moet dus daar wel thuis zijn geweest.
Te Puteoli, zo schijnt het, kwam een gedachte van Lukas, die hem al te Caesarea had bezig gehouden tot een vast besluit, namelijk om tegenover de velerlei ongenoegzame samenstellingen van het leven van Jezus, die zich langzamerhand gevormd hadden (Lukas 1:1 v. ), een eigen Evangelie op grond van Paulinische verkondiging te vervaardigen en dan tot het begin van de nieuw-testamentische geschiedenis terug te gaan. Waarschijnlijk is het hem door Theophilus zelf voorgeslagen deze aanzienlijke nu zijn geschrift te wijden, want tot aan de uitvinding van de boekdrukkunst was de uitgave van een boek zonder een bijzonder beschermheer (patronus libri), die door zijn maatschappelijke betrekking daarvoor de weg tot de openbaarheid kon banen, iets zeer moeilijks en kostbaars. Theophilus was, als wij de zaken goed begrijpen, ten gevolge van het drijven van de Judaïstisch gezinde Christenen, waaraan het in Italië zeker niet ontbroken heeft, niet geheel bevrijd gebleven van de aanvallen op het Paulinische Evangelie, alsof dat met zijn leer van vrijheid van de Mozaïsche wet en met zijn opname van de heidenen, die geen andere voorwaarde had dan bekering en geloof, niet het juiste en echte was. Hij voelde behoefte aan een versterking in het vast vertrouwen dat de leer, waarin hij onderwezen was, volgens de prediking van de Heere zelf was, ja slechts een uitvloeisel van de prediking. Daartoe moest hij in de leer en de werkzaamheid van Christus dieper indringen. Daar er tot hiertoe slechts eerst één apostolisch evangelie in dat van Mattheüs was, maar dit toch naar zijn hele aanleg meer geschetst was voor Israël dan voor oorspronkelijke heidenen, verzocht hij zijn vroegere leermeester hem een voorstelling van Jezus' leven te geven, welke de roeping de laatste nog meer bepaald op het oog had en welke in het reeds bestaande Evangelie en in de gewone apostolische prediking, met name in die van Petrus, een waarborg van haar betrouwbaarheid had. In deze begeerte sprak zich veel meer uit dan de begeerte van een enkele man, namelijk een van de hele heiden-Christelijke kerk.
Nu kwam het goed, dat juist een zo hooggeplaatst man als Theophilus aan de door Lukas en zijn meester Paulus sinds lang reeds zelf gevoelde behoefte woorden leende; want zo was de weg tot openbaarmaking van een zo omvangrijk werk, als de vervaardiger dadelijk voornam, geheel gebaand. Wij zien dan ook duidelijk hoe Lukas te Rome hoofdzakelijk met de samenstelling van zijn geschrift bezig is. Aan de ene kant gebruikt de apostel hem gedurende de twee jaren van zijn gevangenschap daar niet om hem tot deze of gene gemeente te zenden, maar Aristarchus, die eveneens mee uit Macedonië (Handelingen 27:2) gekomen is, moet dadelijk van het begin af voor andere helpers tot de eigenlijke zendingsdienst zorgen (Aanh. II. a). Aan de andere kant belast Paulus dadelijk in de eerste brief, die hij uit zijn gevangenschap heeft geschreven aan Timotheüs, als hij naar Rome zou komen om de te Troas achtergelaten mantel tegelijk met de boeken, maar inzonderheid met de perkamenten mee te brengen (2 Timotheus 4:13), welke opdracht insgelijks in het belang van Lukas' uit twee delen bestaand werk geschiedde. Tegen het einde van de gevangenschap van de apostel kan echter Lukas niet meer bij hem aanwezig zijn geweest, want in de brief aan de Filippensen, met welke gemeente hij van zijn vroeger zesjarig oponthoud daar zeker ten nauwste verbonden was, spreekt Paulus niet van hem. Uit dit afzijn van Rome is het nu ook te verklaren waarom hij, als Paulus in de lente van 63 na Christus in strengere bewaring gehouden is en het proces voor de keizer tegen hem begonnen werd, niet eveneens gevangen werd gehouden, zoals dat Timotheüs overkwam (Hebreeën 13:23) en waarom de Handelingen der Apostelen met de twee jaren, die hij in zijn eigen gehuurde woning doorbracht, eindigt. Van het volgende had Lukas niets mee te delen, wat hij zelf had gezien, of door geloofwaardige getuigen was bericht, maar afgezien van het zeker onbeduidende verhoor van Timotheüs en het bekende feit van de dood van de apostel, bleef alles wat de loop van het proces zelf betreft, achter de vier muren van de kerkelijke gerechtszaal gesloten. Maar waar is Lukas dan geweest, als hij op die tijd niet te Rome was? Wat wilde hij en wat heeft hij gedaan? En hoe is zijn verder leven voortgegaan? De beantwoording van deze vragen geeft ons de gelegenheid om het ontstaan van zijn geschriften verder in ogenschouw te nemen en ook de oorsprong van de verwantschap van zijn Evangelie met dat van Johannes, in het algemeen de betrekking waarin het tot het laatste staat, enigermate op het spoor te komen. Wij kunnen echter deze zaken pas behandelen, als wij ook de Handelingen der Apostelen verklaard hebben en moeten daarom de lezer over het latere tot een dan verschijnend aanhangsel verwijzen.