44. a) En zullen u, als de verovering heeft plaats gehad, tot de grond neerwerpen en uw kinderen in u ter aarde slaan; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten. Dat alles zal u overkomen, daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt. Uw Vredevorst is gekomen en wilde van u maken in de volle zin van het woord wat uw naam zegt 14:18") een woning van de vrede; maar u heeft Hem verworpen.
a) 1 Koningen 9:7, 8. Micha 3:12. Mattheus 24:1, 2. Markus 13:2. Lukas 21:6.
Jezus trekt Jeruzalem binnen om het laatste Paasfeest te vieren; Hij stelt zich openlijk aan Zijn volk voor als de Koning van de belofte. Het volk erkent Hem ook in Zijn koninklijke schoonheid en majesteit en eert Hem vrijwillig met palmen en psalmen. Rondom de Heere is het vreugde en gejuich, het Koninkrijk der hemelen schijnt nu met kracht te komen en alle hinderpalen voor zich neer te stoten. Het volk, zolang door zijn oversten misleid en verblind, schijnt eindelijk tot duidelijke erkentenis te zijn gekomen. Het schijnt alsof de overpriesters nu de catastrofe dreigde, al het volk zich van hen losscheurt. De Heere heeft echter scherper oog; Hij laat Zich niet verblinden; Hij hoort door dat juichend Hosanna het ontzettend "kruisig Hem, kruisig Hem" doorklinken. Hij ziet hoe de laatste poging, die Hij doet om naar het hart van Jeruzalems dochter te spreken, tevergeefs is. Hij, die Zich anders zo graag met de blijden verblijdde, kan in dit gejubel niet delen. Het snijdt Hem diep in Zijn hart, scheurt Zijn ziel en ontperst Hem tranen. Zijn tranen zijn niet over hen, maar over de stad, die Hij, van den Olijfberg afrijdend, in haar hele pracht en uitgestrektheid voor Zich ziet liggen.
Wat een dag zou het voor hen zijn, als de doeken van hun ogen vielen. Aangegrepen, als het ware samengeperst door het contrast tussen hetgeen het is en hetgeen het kon zijn, barst Hij in geween uit; het zijn niet slechts tranen, maar het is een luid wenen, zoals het woord van de grondtekst te kennen geeft.
Wij vinden drie keer Jezus' tranen vermeld, twee keer heeft Hij geweend met de mensen, eens over de mensen: twee keer over hun ongeluk, eens over de zonde - twee keer aan Lazarus' graf, toen rondom Hem de smart met kracht zich ontlastte en Hij niet anders kon dan wenen met de wenenden (Johannes 11:33 v. en 38), eens hier nu Hij weent over degenen die niet over zichzelf wenen. Wat heeft Hij Zijn volk, Zijn mensen lief gehad! Wat heeft Hij met liefde Zich gesteld in de plaats van hen, wier vlees en bloed Hij heeft aangenomen! Jezus, aan het voorbeeld van uw tranen wil ik beproeven of ik de mensen, of ik mijn volk lief heb.
Geen mens leeft op aarde zonder tranen; zij zijn het grote voorrecht dat het menselijk geslacht boven de dierenwereld onderscheidt. Zij zijn de eerste taal, die de mens spreekt, zonder die te leren spreken, het zijn de laatste, die hij hoort spreken, want tranen vergezellen de stervende naar de andere wereld. Maar de meeste van onze tranen gaan onszelf aan en zijn van zelfzuchtige en zondige aard: hoe geheel anders zijn de tranen van Christus in onze tekst. Hij ziet Zijn eigen bitter kruis met alle daarmee verbonden kwellingen; maar Hij weent niet over Zichzelf en over Zijn kruis, maar over Zijn volk en hun zonde dat het niet wil horen noch de tijd van de genade wil gebruiken, omdat Hij het ondanks Zijn pogingen tot redding een prooi van het verderf ziet worden en het niet eens weet wat tot zijn vrede dient, noch welk gericht reeds dreigend zich vertoont.
Jeruzalem ligt voor Jezus' ogen in volle vrede, in heldere feestglans, omgolfd door de feestvierende, jubelende volksmenigte; maar Hij ziet plotseling in de Geest de stad van Zijn volk omgeven door de vijandelijke legioenen van de Romeinen, de dochter van Zion met haar kinderen door angst en nood van rondom omgeven, de tempel en de muren van de stad in puin. En wat is de reden? Jeruzalem erkent de tijd van haar laatste bezoeking niet; Hem, die zij nu als hun Koning jubelend omgeven, zullen zij verraden aan de Heidenen en Zijn onschuldig bloed zullen zij brengen op hun eigen hoofd. Daarom moeten de verschrikkelijke legioenen komen, zij eisen het onschuldig vergoten bloed van Jeruzalem. Daarom moet de dochter van Zion met haar kinderen in wanhoop zitten, daarom moeten de grootse vierkante deuren van de tempel en de ringmuren uit elkaar breken. Daar het gejubel over de Zoon van David veranderen zal in het geschreeuw van verraad en haat, moeten de stenen uit elkaar gaan met gekraak en ten hemel schreien om wraak. Hetgeen Jezus dus in de Geest aanschouwt en in Zijn woord beschrijft, is niet anders dan de rechtvaardige wraak over Zijn eigen onschuldig vergoten bloed. En toch weent de Heere over Zijn Jeruzalem; dat zijn tranen van liefde, zoals de wereld die nog nooit zag en nooit weer zal zien.
Hem te zien wenen over de dood van Zijn vriend Lazarus, dat is wel treffend, maar Hem te zien wenen tegenover Jeruzalem en wel niet over hetgeen Hij in haar en van haar zal te lijden hebben, maar Hem te zien wenen over de stad, over deze stad, dat grijpt het hart aan en buigt de knieën. Dan zou men de hele wereld, de omtrent de Heiland zo onverschillige, zo lauwe, zo koude wereld, tegenover deze ogen vol tranen willen plaatsen en zeggen: "Zie, hoe lief de Heere deze mensen heeft!" Ziet, dat is de Heere der heerlijkheid, die was vóór de grondlegging van de wereld; dat is Gods Zoon, die mens geworden is om ons te redden; dat is de Heiland, buiten wie er geen zaligheid in hemel en op aarde is. Dat is Hij, wiens vijanden u bent door onboetvaardigheid en ongeloof; maar Hij is uw vijand niet, zo min als Hij Jeruzalems vijand was, want zie: "Hij zag de stad en weende over haar. "
Welk een blik in het hart van Gods ontfermingen geeft het ons, dat de eeuwige Rechter over de verlorenen weent, dat de Bestraffer zich met innig medelijden in de smarten van de gestraften plaatst. Aan het kruis maakt Hij deze ontfermende liefde vol en oordeelt niemand, terwijl zij aan de liefde zelf door het versmaden van Zijn liefde zich het oordeel waardig maken. Maar de zodanigen veranderen zichzelf het geneesmiddel in een vergif, want de Zoon van God heeft tranen over hardnekkige zondaars, maar Hij oefent geen dwang tot bekering uit.
Tussen de snikken van de wenende stem schijnen de woorden te zijn heengebroken, die nu volgen: Och of gij, o stad, die zo snel aan het gericht wordt overgegeven, ook bekende zoals anderen het bekennen, die uit u zullen gered worden. Ook nog in deze dag, die de dag van uw verloving en eer moest zijn, bekende hetgeen tot uw vrede dient. " Hij spreekt het niet uit, welke wending er dan in Jeruzalems lot tot zijn zegen komen zou, welke oordelen, welke eeuwen van jammer dan zouden kunnen worden bespaard, maar na een moeilijke pauze voegt Hij er in een profetisch beven bij: "Maar nu is het verborgen voor uw ogen. " Het gericht is al bepaald, maar u bent er de schuld van, dat u uw zaligheid en daarom ook uw ondergang verborgen is.
De blindheid, door eigen schuld veroorzaakt, die zich daarin openbaart dat Jeruzalems bewoners Jezus niet erkennen en niet konden erkennen, wordt daarmee gestraft dat zij nu ook blindelings in haar gericht vallen.
Wij lezen in de geschiedenis van Jeruzalems verwoesting dat de Joden niet alleen de voorspelling van Christus en Stefanus (Handelingen 6:14), maar ook latere voorspellingen en tekenen verachtten. Hoe dreigender het onweer over Juda en Jeruzalem samentrok, des te minder zagen zij het, des te geruster werden zij, des te meer susten zij de arme onrustige harten met de waan van goddelijke genade in slaap. De vele duizenden kruisen, waaraan in de dalen van Jeruzalem hun broeders moesten sterven, herinnerden de belegerden niet aan het kruis van Christus, niet aan de straffen, die nu kwamen voor de moord van Gods Zoon; de gruwel van de verwoesting op de heilige plaats, waarop niet alleen de Heere, maar ook Daniël (9:27) opmerkzaam had gemaakt, was voor haar niet alleen tevergeefs verkondigd, maar ook tevergeefs vervuld. Toen de tempel en zijn omgeving al brandde, geloofden zij nog een leugenprofeet, die hun redding beloofde als zij een van de tempelportalen zonden beklimmen en 6. 000 lichtgelovige vrouwen en kinderen hielden stand en verbrandden op het portaal. Zo geheel bleef de bezoeking van Gods toorn verborgen voor de ogen van dit volk, zo waar, zo verschrikkelijk waar is het woord van de Heere geweest: "Maar nu is het verborgen voor uwe ogen. " En laat zich deze verschrikkelijke waarheid ook niet onder ons aanwijzen? Om van het einde niet te spreken, dat van de wereld gedreigd is, willen wij slechts eens op het einde van het leven zien: onze dagen vallen af van de boom van ons leven als verwelkte bladeren, onze krachten zinken neer, ons oog wordt dof, het hoofd wordt grijs, de ouderdom, de zekere voorbode van de dood, nadert en toch zijn er grijsaards, die aan het einde van hun dagen nog verreikende plannen maken, die met bijna blinde ogen nog in de verte van tijdelijke verwachtingen zien, want voor hun ogen is de dood, die hen al aan de hand leidt, de gestrenge troon van de eeuwige Rechter, waarvoor zij al staan, verborgen. Ziekten grijpt ons aan, onbedrieglijke tekens van de ondermijnde, snel geheel instortende levenskracht, waarschuwen ons; wij kunnen het tijdelijke niet meer genieten, met geweld worden wij uit de bezigheden van onze dagen uitgerukt en de Almachtige legt ons neer op het bed van smarten, op het ziekbed met het woord: "tot hiertoe en niet verder!" maar wij verstaan zijn straf niet. De dood doet menigeen al in het binnenste sidderen, reeds wordt het lichaam koud, reeds reutelt de borst, reeds breekt het oog en de stervende droomt nog in de hoop van een crisis, die tot genezing zal leiden en menige laatste adem is uitgeblazen in verwachting van aards geluk. Zo verborgen is voor de mens de dood, zo verborgen sinds duizenden van jaren de onbedrieglijke boodschap: "Mens! u moet sterven" (Psalm 90:7, 11). Wat dagelijks, heden mij en morgen u geschiedt, vindt geen geloof, blijft een algemeen, open geheim. Maar evenals de tijd van de bezoeking in gerechtigheid en gericht eerst komt, als de tijd van de bezoeking in genade al heeft plaats gehad, dan blijft de eerste slechts verborgen voor de ogen van degenen die deze niet hebben erkend. Nu is het wel duidelijk in de Farizeeën en Schriftgeleerden, dat zij Jezus niet opnemen en Zijn komst niet voor een bezoeking van de genade erkennen; maar hoe is het met de roepende menigte? Zou ook zij niet de genadige bezoeking van God erkennen? Verre zij het van ons alles huichelarij te noemen! Hun gejubel, hun hosanna is geen huichelarij. De mens heeft zijn uren, dat hij zich gewilliger dan anders aan de Geest van de Heere overgeeft. Zulke uren worden niet door het volgende zondige leven veroordeeld als leugen, maar zij zijn een getuigenis daartegen. Zo min als Bileam een huichelaar was, toen hij, door de Geest van de Heere aangegrepen, over Israëls tenten riep (Numeri 23:10): "Mijn ziel sterft de dood van de oprechten en mijn uiterste is als het zijne!" evenmin is de vreugde en het hosanna van de Palmzondag huichelarij; integendeel, hen heeft bezocht wat Christus de Zijnen aanbrengt; licht en leven, maar zij dragen het in aarden vaten, waarin de geestelijke schat niet blijft, wanneer getrouwheid die niet bewaart. Zij verliezen weer zoals gewoonlijk uit het oog wat zij gezien, uit het hart wat zij gevoeld hebben, juist omdat zij de tijd niet erkenden, waarin zij bezocht waren. Evenals menigmaal een vogel zich op uw boom plaatst, wonderbare tonen tot uw oren brengt en uw hart zeer bewogen wordt, maar snel weer wordt vergeten, zo is alle beweging van de Geest, als haar oorzaak niet wordt erkend en ongeloof wordt vastgehouden. Die van vreugde leven, naar vreugde smachten, verliezen haar altijd weer, maar die graag bij de Heere vertoeven, Zijn woord graag horen en leren, hebben daaraan een bron, die niet verdroogt, maar ook bij droefheid in het verborgen sterkt en verkwikt. Het volk erkende de bedoeling van de komst van de Heere, van Zijn werken niet: zij verheugden zich een poos in Zijn licht, zoals zij zich ook in het licht van Johannes hadden verheugd (Johannes 5:35); maar zij zagen in Hem niet de Heere, die hun vaderen begeerd hadden, noch de Engel des Verbonds, die een eeuwige vrede brengen zou (Maleachi 3:1). Zij zagen in Hem niet wat Hij was; daarom het "kruisig Hem" na het "Hosanna", daarom de gemakkelijke, snelle afwisseling tussen de hemelse geestdrift op Palmzondag en de helse geestdrift op Goede Vrijdag. Wilt u daarentegen degenen zien die de tijd van de genade erkenden, dan wijs ik u op degenen die op Palmzondag naast de Koning gingen, dan noem ik u de discipelen, de elf, dan noem ik u Lazarus en zijn zusters, Nikodemus en Jozef en Maria. En hoe velen kan ik u niet noemen, hoe velen zal u pas de hemel noemen, want de Heere heeft altijd Zijn heilige kerk op aarde gehad, die Hem niet alleen in hoop op de toekomstige heerlijkheid, maar ook vol dank voor de al ontvangen en erkende goederen van de genade prees. Hij had die ten allen tijde en Hij heeft ze nog. Het is dus niet noodzakelijk dat men de tijd van de genadige bezoeking Gods miskent; men kan tot erkentenis van de genade, men kan tot begrijpen en gehoor geven aan Gods woord en aan Zijn aanwijzingen komen, men kan Christus erkennen en in Hem het ene nodige aannemen. Wie dat doet en bewaart, die heeft ook de vrees voor de Heere, zodat Hij zich met beving verheugt en zijn zaligheid met vrezen en beven werkt. Het is dan ook niet nodig dat voor iemand de toekomst van de goddelijke oordelen verborgen is. Ik noem u de christenen, die tijdens de verwoesting te Jeruzalem woonden; zij erkenden de tijd van de genade, daarom ontvluchtten zij het gericht. Kon ik voor u echter de poort van de hemel openen, dan zou u in de glans van de zaligheid vele grote menigten van mensenkinderen zien, die niet meer worden gevonnisd, maar voor de hele eeuwigheid aan de angst en het gericht zijn ontrukt; en kon u over degenen die nog leven oordelen naar het oordeel van God, dan zou u ook onder hen uitverkorenen tellen in geen minder aantal, die het geloof behouden, de loop voleindigen en de kroon verkrijgen; want zo klein als tegenover de menigte van hen, die door eigen schuld verloren gaan, de menigte van zaligen is, zo is zij toch groot en talrijk genoeg voor een vol koor van het Lam van God.
De Heere zegt dat Jeruzalem de tijd van zijn bezoeking niet erkend heeft; wat een schoon woord is dat. Als God iemand bezoekt, d. i. zó, dat men Hem eigenlijk helemaal niet kan ontgaan, dat Hij iemand inwendig zeer nabij komt, zodat men als Johannes tot Petrus (Johannes 21:7) moet uitroepen: "Het is de Heere". Dat zijn de Sabbatdagen van het levens, zulke tijden zijn er niet alle dagen, zoals het oude spreekwoord zegt: God heeft Zijn tijden en uren". Maar komt zo'n Sabbatdag en God laat Zich in de volheid van Zijn genade neer, wee dan ook hem die de deur sluit! Versmade liefde wreekt zichzelf; die zijn oor vaak sluit tegen de stem van God, die wordt werkelijk doof - dat is het gericht van God, dat uitgesproken wordt in het woord: die niet heeft van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
In grote trekken tekent Jezus Jeruzalems verwoesting; zeer plechtig is Zijn rede; in de grondtekst staat vijf keer `en' dat ons steeds weer een stap verder voert. "Er zullen dagen over u komen" - het gericht zal dus niet op een dag door een geweldige slag worden volvoerd, slechts stap voor stap zal het verderf voortdrijven, dat is de verschrikkelijkste dood, als het ene lid na het andere afsterft, als de mens het einde langzaam maar onophoudelijk ziet naderkomen en het uur van zijn ontbinding zeker kan berekenen. Jeruzalem zal zo'n ellendige, erbarmelijke dood sterven; het ene lid van zijn lichaam na het andere zal worden gemarteld en verpletterd, zijn doodstrijd zal dagen, weken, ja maanden lang duren! De eerste stap, die de Heere beschrijft is deze: "Uw vijanden zullen een begraving rondom u opwerpen" d. i. een wal met pallisaden opwerpen. Inderdaad kwam dan ook op de veertiende Nisan of op de Paasdag van het jaar 40 na Christus het Romeins leger in drie colonnen voor de stad aan, de ene van deze sloeg haar leger 725 stappen oostelijk van de Olijfberg op, dus ongeveer op dezelfde plaats waarop Jezus hier Zijn voorspelling uitspreekt. Vandaar heeft men zes, zeven weken later een wal met een muur en verscheidene kleine sterkten opgericht, die in een omtrek van 4. 900 stappen de hele stad insloot en haar alle toegangen van buiten afsloot. Daarop wijzen de woorden: "en zullen u omsingelen". De Romeinen hielden zich een tijd lang stil, zonder iets meer te ondernemen en lieten de stad over aan zichzelf en aan haar wreed lot. Daarmee begon eigenlijk wat de Heere zegt: "en u van alle zijden benauwen"; want de dood raapte nu talloos velen weg, omdat van de weinige levensmiddelen alleen onder de gewapenden werd verdeeld en toevoer van buiten onmogelijk was. Bovendien woedden binnen Jeruzalem voortdurend de gevechten van de partijen; alleen in de uren van het hoogste gevaar bleef men bij elkaar en vocht men zeer dapper als een wanhopige strijd; maar wat bereikte het? De Romeinse veldheer liet, toen men zich niet wilde overgeven, tegenover de burg Antonia stormwallen oprichten, veroverde die en slechtte die, zodat hij nu tot de tempel kon voortdringen en tegen deze zijn wallen kon opbouwen. In de dagen van acht-tien Ab (ongeveer overeenkomende met onze maand augustus) volgde de inneming en verbranding van de tempel en zo werden eindelijk ook de woorden vervuld: en zullen u tot de grond neerwerpen en uw kinderen in u. " Natuurlijk is met dit neerwerpen van de kinderen het verpletteren (Psalm 137:9) bedoeld van al de inwoners. Hoe geheel de stad zou worden opgeruimd wijst de laatste zin aan: "Zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten". Dit woord geldt voor Israël, zodat een verder opbouwen voor andere volken niet is uitgesloten, waartegen het wederopbouwen van de tempel, dat keizer Julianus de afvallige ten gunste van de Joden in 362 beproefde, om Christus profetie tot schande te maken, dadelijk in zijn eerste beginselen tot schande is geworden.
IV. Vers 45-48. Terwijl de Heere na Zijn aankomst te Jeruzalem dadelijk in de tempel trekt, treedt Hij als Heerser in Zijn Vaders huis op en is Hij daar gedurende de twee dagen van palmzondagavond tot dinsdagavond niet alleen werkzaam als lerend en genezend profeet, maar om als straffend Rechter en herstellend Wetgever, omdat Hij de heilige plaats, die tot een kuil van moordenaars gemaakt is, door het uitdrijven van de verkopers en kopers weer tot een bedehuis wijdt, zoals Hij dat drie jaar daarvoor al eens bij het begin van Zijn Messiaanse werkzaamheid heeft gedaan. De Theocratische overheden, die vijandig tegenover Hem stonden, voelden zich als door een hogere macht gebonden, zodat zij Hem, die als Heere tot Zijn tempel is gekomen en die als het vuur van een goudsmid en als de zeep van een voller (Maleachi 3:1 v. ) niet konden weren. (vgl. Mattheus 21:12-17. Markus 11:12-19).