4. Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven van God; maar deze heeft van haar gebrek, terwijl zij zeker niet voldoende heeft om te leven, al de leeftocht, die zij had, daarin geworpen. Het is als kon de Heere na zodanige woorden van toorn als Hij vooraf had gesproken, van de tempel niet scheiden, als moest ten minste Zijn laatste woord een woord van zegen en vrede zijn, zodat wij nauwelijks weten in welk karakter wij in dit uur van scheiden de Koning van het Godsrijk het meest moeten bewonderen: of meer als Vergelder van het verborgen kwaad, of als beloner van het verborgen goede. Het is de vraag niet of deze gave niet een vergeefse zal zijn, of het goed is met zulke offeranden de tempelkas en haar misbruik te steunen, of door weduwen nog een godsdienst moest worden onderhouden die enkele jaren later voor het zwaard van de vijanden zou bezwijken. Hij ziet alleen op grond, karakter en doel van haar daad, de arme, die alles in goed geloof had geofferd, maar haar geloof heeft behouden, verkrijgt nu met haar beide koperen stukjes een rente van onvergankelijke eer. Door dit voorbeeld van de vrouw zijn de stuivers en centsverenigingen van de zending gesanctioneerd.
Wij kunnen ons deze vrouw niet anders denken, dan: zij kwam daarheen in de weduwensluier, met het oog nat van tranen naar de aarde, op de ootmoedigste manier gebogen voor de Heere, die haar door de dood van haar gade zo zwaar bezocht had. Zij kwam daar, als zond- en brandoffer voor de zonden werden gebracht, en psalmen waren gezongen, waar gezegd werd (Psalm 119:107): "Ik ben gans zeer verdrukt, Heere! Maak mij levend naar Uw woord. " Haar ziel moet naar God, naar de levende God en Zijn genade verlangd hebben. Met de twee penningen, die zij nog slechts over had, werpt zij haar hele vermogen in de tempelkas. Nu zal zij gedankt hebben, hoewel de Heere haar verootmoedigd heeft en van een Naomi tot een Mara heeft gemaakt (Ruth 1:20 v. ), dat Hij toch waard is, de zij Hem alles ten offer brengt. Want gesteld ook dat haar hart aan de twee penningen heeft gehangen, dan trokken die, nu zij in de tempelkas vielen, het hart mee en inderdaad gaf zij met de twee penningen God haar hart, een hart vol liefde en dankbaarheid. Maar tevens ook een hart vol kinderlijk vertrouwen op God; want "zij heeft al haar leeftocht daarin geworpen" getuigt de Heere van haar. Al haren leeftocht. Waarvan zou zij nu morgen leven? En als zij nu inkwam en haar kinderen schreeuwden om brood, waarmee zou zij haar honger stillen? Of heeft zij gedacht: met de twee penningen kan ik toch niets van belang beginnen; daarom is het hetzelfde of ik ze behoud of weggeef? Zo denken, helaas, velen onder de armen, zodat zij Gods gave verachtend, de laatste penning en zelfs nog voor nietige doeleinden verkwisten; maar dat zijn ook de allerwanhopigsten onder de armen en tot deze behoort de arme weduwe niet. Als u uw laatste penning tot onderhoud van geen betekenis meer is, dan wil de Heere die ook niet, maar de Heere heeft de arme weduwe geprezen, haar gave met welgevallen aangenomen en daaraan een waarde toegekend, die de gaven van de rijkste gevers in Zijn ogen niet hadden. Dat moet ons genoeg zijn om daaruit het besluit te trekken dat de twee penningen in het bezit van deze vrouw ook een groot kapitaal van gelovig vertrouwen op God geweest zijn. Dit offer was het, dat de Heere zo welbehaaglijk was en gelooft u niet dat de Heere haar ook werkelijk voor het in Zijn ogen zo grote en veel betekenende offer van haar ootmoedig, dankbaar liefhebbend hart alle haar zorgen zal hebben ontnomen? Wie kan er aan twijfelen! Die zijn God met zo'n vertrouwen tegen gaat, die mag ook alle zijn zorgen op Hem werpen. O, dat toch ook wij allen onze gaven zo de Heere offerden als deze arme weduwe!
Als er maar velen geweest waren als deze weduwe, die bereid was alles, wat zij voor het hare kon aanzien, tot onderhoud van de godsdienst bij te dragen, dan zou zich wel een reine ijver hebben kunnen ontwikkelen, die, verre er van om te ontaarden tot die zonde, die de tempel verwoestte, integendeel er meer zou toe hebben bijgedragen om de ondergang tegen te houden.
De geschiedenis staat daar als een teken dat God Zijn oog heeft op het offer in de tempel en dat Hij uit al het stro van godsdienstigen schijn, de edele vrucht van oprechtheid en trouw weet te vinden.
De welgevallige, erkennende blik van Jezus, die op de gave van de weduwe rust: 1) een blik vol weldoende, vertroostende liefde, 2) een blik vol vragenden ernst aan ons allen.
De oefening van de milddadige barmhartigheid 1) is een dure plicht en 2) brengt grote zegen aan.
Er is iets onbeschrijfelijk roerends in, dat de Heere juist op zo'n ogenblik een schamele met Zijn aandacht verwaardigde en gestemd was om zo'n vergelijking tot hare eer te maken. Hadden wij nog een bewijs nodig, in wat voor hemelreine stemming Hij na zoveel woorden van boosheid (Mattheus 23) de vervloekten tempel verliet, wij zouden het uit dit verhaal kunnen afleiden. Het is als kan Hij nog de voorhof niet verlaten zonder dat althans het laatste woord een woord van zegen geweest is, nadat Hij heeft moeten vloeken wie Hem niet wilden erkennen. En zouden wij de liefde van de Vader voorbij zien, die Hem, na zo'n hartverscheurend uur nog een zaliger ogenblik in de tempel beleven deed en als het ware een roos voor Zijn voet deed ontluiken op dit veld vol distels en doornen. In geen geval achten wij de weduwe met hare penningen te gering om een ogenblik onze aandacht te trekken. Wij weten nauwelijks of wij de Koning van het Godsrijk dieper bewonderen zullen, waar Hij Zich op dit uur van afscheid als de Vergelder van het verborgen kwaad, dan waar Hij zich als Beloner van het verborgen goede toont. En wanneer wij Hem zo hoge prijs horen stellen op de deugd van de vrome barmhartigheid is het als vernemen wij reeds het voorspel van de tonen van het jongste gericht waarvan Hij binnen weinige uren Zijn jongeren het tafereel zal onthullen. Met hen in de geest uit de prachtige tempelpoort tredend, maken wij ons gereed, om te horen hoe de Heer hun de verborgenheden van Zijn toekomst beschrijft.
Alleropmerkelijkst is het terwijl de discipelen over de tempel spraken, over de reusachtige stenen, waaruit hij gebouwd en de kostbare edelgesteenten, waarmee hij versierd was, Jezus uitsluitend de aandacht had op iets, dat Hij het schoonst, het heerlijkst van alles achtte, niet enige grote steen, niet het gouden dak of de gouden poorten, die Herodes ten geschenke had gegeven, maar iets dat Farizeeër en Schriftgeleerde niet opmerkten, een levende steen, een arme weduwe, die in de schatkist haar hele leeftocht geofferd had. Als Christus uit de hoge op onze kerken neerziet, bemerkt Hij niet de hoogte van haar torens, de schoonheid van haar stenen, de fijnheid van haar snijwerk, dit alles is vergankelijk, maar slechts de plaats keurt Hij de naam van kerk waardig, waar twee of drie oprechte Christenen met hun oprechte penningen in Zijn naam vergaderd zijn. Duizenden, die wel in naam maar niet metterdaad in Zijn naam vergaderd zijn, beschouwt Hij in het geheel niet als een kerk of als een gemeente.
III. Vers 5-36. Hier zien wij Jezus van de tempel weggaan en na het verlaten ook van de stad Zich boven op de Olijfberg met de discipelen neerzetten om Zijn grote eschatologische rede te houden. Deze hele gebeurtenis komt overeen met het gezicht van de profeet Ezechiël (11:23) van het heengaan van de heerlijkheid van de Heere uit de stad en haar plaats nemen op de Olijfberg 11:23). Nog meer bepaald valt zo'n overeenkomst in het oog in de volgende vierde afdeling, waarmee deze groep van verhalen, die op de tempel zien, besloten wordt.
a) Vers 5-24. In dit eerste deel van de rede deelt de evangelist de woorden van Christus mee op zo'n manier, dat de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel dadelijk op de voorgrond treedt en voert daarna een voorspelling aan, die alleen hier voorkomt en het zegel er op drukt, dat juist over deze gebeurtenis gehandeld is en niet tegelijk van de laatste verschijning van de Heere (vgl. Mattheus 24:1-28 Markus 13:1-23).