Leviticus 1:1-2
Merk hier op:
1. Dat van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat het volk geneigd zou zijn de Heer offeranden te brengen. Zelfs het licht van de natuur leidt de mens er toe, om op de een of andere wijze zijn Maker te eren, en Hem hulde te doen als zijn Heer. De geopenbaarde godsdienst veronderstelt dat de natuurlijke godsdienst een aloude instelling is, daar de mens na de zondeval er op gewezen is om God te verheerlijken door offeranden, hetgeen een onbepaalde erkenning was, dat de mensen als schepselen alles van God hadden ontvangen, en als zondaren alles aan Hem hadden verbeurd. Als het geweten geheel en al overtuigd is van afhankelijkheid en schuld, dan zal het de mens gewillig maken om met "duizenden van rammen" de Heer tegen te komen, Micha 6:6, 7.
2. Dat er in voorzien is dat de mensen hierbij niet toegeven aan hun eigen bedenkselen en ten opzichte van hun offers niet verijdeld zullen worden in hun overleggingen, opdat zij, voorgevende God te eren, Hem in werkelijkheid niet onteren, en niet doen hetgeen Hem onwaardig is. Er wordt dus bevolen, dat alles met betamelijkheid zal geschieden, volgens een zekere regel, en op zo'n wijze, dat het offer een grote betekenis verkrijgt, wijzende beide op het grote zoenoffer, dat Christus in de volheid van de tijd zou offeren, en op de geestelijke offeranden van erkentelijkheid, die dagelijks door de gelovigen geofferd moeten worden.
3. God gaf deze wetten aan Israël door Mozes. Er is niets, dat meer dikwijls herhaald wordt dan dit: De Heer sprak tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen van Israël. God kon het zelf tot de kinderen van Israël gesproken hebben, zoals Hij de tien geboden tot hen gesproken heeft, maar het behaagde Hem het hun door Mozes bekend te maken, omdat zij verlangd hadden, dat Hij niet meer zelf tot hen spreken zou, en omdat Hij wilde dat Mozes, meer dan al de andere profeten, een type zou zijn van Christus, door wie God in deze laatste dagen tot ons wilde spreken, Hebreeën 1:1. Door andere profeten heeft God boodschappen gezonden aan Zijn volk, maar door Mozes gaf Hij hun wetten, en daarom was hij geschikt om een type te wezen van Hem, aan wie de Vader al het oordeel heeft overgegeven. En behalve dat: de schat van de goddelijke openbaring moest altijd in aarden vaten gelegd worden, opdat ons geloof beproefd zou worden, en de uitnemendheid van de kracht van God zij.
4. God sprak tot hem uit de tent van de samenkomst. Niet zodra had de Shechina bezit genomen van haar nieuwe woonplaats, of God heeft, ten teken van Zijn aanneming van hetgeen gedaan was, met Mozes gesproken van het verzoendeksel, terwijl hij buiten de voorhang was, of liever, aan de deur alleen een stem horende, en het is waarschijnlijk, dat hij, om een vergissing of een vergeten te voorkomen bij de mededeling er van, terstond geschreven heeft wat hij hoorde. De tabernakel was opgericht, om een plaats van gemeenschapsoefening te zijn tussen God en Israël, daar, waar zij hun diensten waarnamen voor God, heeft God hun Zijn wil geopenbaard, en zo hebben wij thans door het woord en het gebed gemeenschap met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus, Handelingen 6:4. Als wij tot God spreken, moeten wij begeren van Hem te horen, en het als een grote gunst achten, dat het Hem behaagt om tot ons te spreken. De Heer riep Mozes, niet om nabij te komen, (onder die bedeling moest zelfs Mozes op een afstand blijven), maar om acht te geven en te luisteren naar hetgeen gezegd zou worden. De Joodse critici zeggen ons, dat in het Hebreeuwse woord voor "riep" een letter minder dan gewoonlijk is, hetgeen te kennen geeft, dat God in stille, zachte stem sprak. De zedelijke wet werd met verschrikking van een brandende berg gegeven, met donderslagen en bliksemen, maar de genezende, herstellende wet van offerande werd op zachter wijze gegeven van het verzoendeksel, omdat dit een type was van de genade van het Evangelie, hetwelk de bediening is van leven en vrede.