Numeri 1:1-16
Hier wordt een volmacht gegeven voor de telling van het volk Israël. Lang daarna is het aan David duur te staan gekomen, dat hij dit zonder volmacht gedaan heeft. Hier is:
I. De datum van deze volmacht, vers 1.
1. De plaats: zij wordt gegeven in het hof Gods, in de woestijn van Sinai, van Zijn koninklijk paleis, de tent van de samenkomst.
2. De tijd: in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, wij kunnen het het tweede jaar van die regering noemen. De wetten in Leviticus werden gegeven in de eerste maand van dat jaar, deze orders werden uitgevaardigd in het begin van de tweede maand.
II. De aanwijzingen gegeven voor de uitvoering er van, vers 2,3.
1. Alleen personen van het mannelijk geslacht moesten geteld worden en van deze alleen de zodanigen, die geschikt waren voor de strijd. Niemand beneden de twintig jaren, want hoewel er onder de zodanigen wel waren die wat grootte en lichaamskracht betreft wel voor de militaire dienst geschikt zouden zijn, wilde God in mededogen met hun jeugd toch niet, dat zij al de wapens zouden dragen.
2. Ook moesten zij niet geteld worden, die vanwege hoge leeftijd, lichaamszwakte of gebreken, zoals blindheid, kreupelheid, of chronische kwalen, ongeschikt waren voor de strijd. Daar de kerk een strijdende kerk is worden slechts diegenen geacht er ware leden van te zijn, die zich hebben laten inschrijven als krijgsknechten van Jezus Christus, want ons leven, ons Christelijk leven is een strijd.
3. Het getal moest opgenomen worden naar het huis van hun vaders, opdat geweten zou worden, niet slechts hoevelen zij waren, en wat hun namen waren, maar ook van welke stam en geslacht zij waren, ja tot welk bijzonder huis ieder behoorde, of wel, het als het monsteren van een leger beschouwende, tot welk regiment ieder behoorde, ten einde zelf zijn plaats te weten, en de overheid mocht weten waar hem te vinden. Zij waren reeds een weinig tevoren geteld, toen hun hoofdgeld ten dienste van de tabernakel betaald moest worden, Exodus 38:25, 26. Maar het schijnt dat zij toen niet geregistreerd waren naar het huis van hun vaders, zoals dit nu geschiedde. Hun aantal was toen gelijk aan hun tegenwoordig aantal: zes honderd duizend, drie duizend en vijf honderd, want zovelen als er sedert gestorven waren, en dus van het getal afvielen zovelen hadden nu de twintigjarigen leeftijd bereikt, en werden dus bij het getal gevoegd. Een geslacht gaat voorbij, en een ander komt. Dagelijks ontstaan leemten, die echter dagelijks door nieuw aangekomenen weer gevuld worden. Gods voorzienigheid zorgt er voor dat op de een of andere tijd, in de ene of andere plaats, de geboorten opwegen tegen de sterfgevallen, opdat het menselijk geslachten het heilige zaad niet uitgeroeid worden van de aarde.
III. Er werden gevolmachtigden benoemd om dit werk te verrichten. Mozes en Aäron moesten er het toezicht over houden, vers 3, en uit iederen stam moest een man, die van aanzien was in zijn stam en geacht werd er goed bekend mee te wezen, er behulpzaam bijzijn: de oversten van de stammen, vers 16. Zij, die aanzienlijk zijn, moeten er zich op toeleggen om van dienst te wezen, laat hem, die groot is, een dienaar zijn, en door zijn bekendheid met het publiek tonen, dat hij het waard is om van het publiek gekend en geëerd te worden. Dit werk van de telling werd opgedragen aan hem die de voornaamste, de edelste was van zijn stam.
Maar waarom werd deze telling bevolen en deze monsterrol bewaard? Om verscheidene redenen.
1. Om de vervulling te bewijzen van de belofte, gedaan aan Abraham, dat God zijn zaad uitermate zeer zou vermenigvuldigen, welke belofte vernieuwd werd aan Jakob, Genesis 28:14, dat "zijn zaad" "zou wezen als het stof van de aarde." Nu blijkt het dat er niet een tittel gevallen is van die goede belofte, hetgeen een bemoediging voor hen was om te hopen, dat ook de andere belofte, die namelijk van hun het land Kanaän tot een erfelijke bezitting te geven, te bestemder tijd vervuld zal worden. Als naar het getal van een troep mensen naar ogenschijn gegist wordt, dan is het gemakkelijk voor iemand, die geneigd is tot vitten, te vermoeden dat de gissing fout is, en dat zij, geteld wordende, zouden blijken niet half zo talrijk te zijn. Daarom wilde God dat Israël geteld zou worden, opdat het in de geschiedenis zou worden vermeld, hoe grotelijks zij in korte tijd waren vermenigvuldigd, opdat de macht van Gods voorzienigheid en de waarheid van Zijn belofte door allen gezien en erkend zullen worden. Naar de gewone loop van de natuur zou het niet te verwachten zijn geweest, dat vijf en zeventig zielen (het getal van Jakob's gezin toen hij naar Egypte ging) in twee honderd vijftien jaren (en het was niet langer) tot zoveel honderdduizenden zouden worden. Het moest dus toegeschreven worden aan een buitengewone kracht in de belofte en de zegen van God.
2. Om de bijzondere zorg aan te duiden, die God zelf voor Zijn Israël wilde hebben, en verwachtte dat Mozes en de mindere oversten over hen hebben zouden. God wordt "de Herder Israëls" genoemd, Psalm 80:1. De herders nu hielden altijd berekening van hun kudden, en gaven ze bij getallen over aan de onderherders opdat zij zouden weten of er ook vermist waren, evenzo telt God Zijn kudde, opdat Hij van allen, die Hij in Zijn schaapskooi heeft toegelaten, er geen zou verliezen, behalve voor iets gelijkwaardige, namelijk hen, die geofferd werden aan Zijn gerechtigheid.
3. Het was om een verschil te stellen tussen de geboren Israëlieten en het vermengde volk, dat zich onder hen bevond. Geen anderen werden geteld dan Israëlieten, de gehele wereld is, vergeleken bij deze juwelen, slechts rommel nutteloos goed. Er wordt weinig acht gegeven op anderen, maar de heiligen zijn Gods bijzonder eigendom, over hen draagt Hij zeer bijzonder zorg. "De Heere kent degenen, die van Hem zijn," 2 Timotheus 2:19, T Hij "kent hen bij name," Filippenzen 4:3. "De haren van hun hoofden zijn geteld, maar tot anderen zal Hij zeggen: "Ik heb u nooit gekend," heb nooit acht op u gegeven."
4. Het was om hen in verschillende afdelingen te rangschikken, ten einde de bedeling van het recht gemakkelijker te maken, en hun tocht door de woestijn geregelder. Het is een verwarde hoop volk, geen leger, dat niet gemonsterd en in orde gerangschikt is.