Mattheus 26:14-16
Onmiddellijk na een voorbeeld van de grootste vriendelijkheid aan Christus bewezen volgt een voorbeeld van de grootste onvriendelijkheid, zodanig is de vermenging van goed en kwaad onder de volgelingen van Christus. Hij heeft sommige trouwe vrienden, en sommige valse, geveinsde vrienden. Wat kon er laaghartiger zijn dan de overeenkomst van Judas met de overpriesters om Christus aan hen over te leveren.
I. De verrader was Judas Iskariot. Hij wordt een der twaalven genoemd, als ene verzwaring van zijne laagheid. Toen de discipelen vermenigvuldigden was het geen wonder, dat er sommigen bij kwamen, die een schande en verdriet voor hen werden, maar als er slechts twaalf waren, en een van hen een duivel was, dan gewis! kunnen wij niet verwachten een volmaakt zuiver gezelschap van mensen op aarde te vinden. De twaalven waren Christus' verkoren vrienden, die het voorrecht hadden van Zijn bijzondere gunst. Zij waren Zijn voortdurende metgezellen en volgelingen, die het voorrecht genoten van Zijn bijzondere gesprekken, in alle opzichten reden hadden om Hem lief te hebben en getrouw te zijn, en toch heeft een hunner Hem verraden. Gene banden van plichtsgevoel of dankbaarheid zullen hen van het kwade terughouden, die een duivel hebben, Markus 5:3, 4.
II. Het aanbod, dat hij deed aan de overpriesters. Hij ging tot hen en zei: Wat wilt gij mij geven? vers 15. Zij hebben niet om hem gezonden, hebben hem gene aanbiedingen gedaan, zij konden niet denken, dat een van Christus' eigen discipelen Hem ontrouw zou wezen. Zelfs onder de volgelingen van Christus zijn er, die slechter zijn dan iemand zich kan voorstellen, en slechts de gelegenheid behoeven om dit te tonen. Merk op:
1. Wat Judas beloofde: Ik zal hem u overleveren. Ik zal u doen weten waar hij is, en het op mij nemen om u tot hem te brengen op zulk een geschikten tijd en plaats, dat gij u zonder gerucht of gedruis en zonder gevaar van oproer meester van hem kunt maken. Dit was het, waarmee zij in hun complot verlegen waren, vers 4, 5. Zij durfden Hem niet in het publiek aanranden, en wisten niet waar zij Hem in de eenzaamheid konden vinden. Hier was de zaak bij gebleven, en de moeilijkheid scheen onoverkomelijk, totdat Judas kwam en hun zijne diensten aanbood. Zij, die zich door den duivel willen laten leiden, vinden hem meer gereed en bereid dan zij denken om hun in een netelig ogenblik te hulp te komen, zoals Judas de overpriesters geholpen heeft. Hoewel de oversten, als zij Hem eens in handen hadden, Hem door hun macht en invloed konden doden, heeft toch niemand dan een discipel Hem kunnen verraden. Hoe ijveriger de mensen zijn in het belijden van den Godsdienst, hoe meer zij zich bekendmaken met den dienst en de inrichting er van, hoe meer zij de gelegenheid hebben om kwaad te doen, indien hun hart niet recht is voor God. Indien Judas geen apostel geweest was, dan zou hij geen verrader hebben kunnen zijn, indien de mensen den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, zij zouden er geen misbruik van hebben kunnen maken.
Ik zal hem u overleveren. Hij heeft zich niet aangeboden om als getuige tegen Christus op te treden, ook hebben zij hem daartoe niet zoeken om te kopen, hoewel zij getuigenis tegen Hem wensten te hebben, vers 59. En indien er iets tegen Hem had kunnen aangevoerd worden, dat ook maar een schijn van bewijs had, bijv. dat Hij een bedrieger was dan zou Judas de aangewezen persoon zijn geweest om daarvan te getuigen. Maar het is een blijk en bewijs van de onschuld van onzen Heere Jezus, dat Zijn eigen discipel, die Zijne leer en Zijne wijze van leven zo door en door kende, doch Hem ontrouw was, Hem van niets misdadigs kon beschuldigen, hoewel dit zou gediend hebben om zijn verraad te verontschuldigen.
2. Wat hij vroeg tot loon van zijn aangeboden dienst: Wat wilt gij mij geven? Dit was het enige, dat Judas er toe bracht om zijn Meester te verraden, hij hoopte er geld door te verkrijgen. Zijn Meester had hem niet beledigd, hoewel Hij van den beginne wist dat hij een duivel had, heeft Hij hem toch, voor zoveel men zien kon, dezelfde vriendelijkheid betoond als aan de overigen, hem geen teken van ongenade gegeven, dat hem zou kunnen vertoornen. Hij had hem een post gegeven, die hem welgevallig was hem tot penningmeester aangesteld, en hoewel hij gelden uit de algemene kas verduisterd had-want hij wordt een dief genoemd, Johannes 12:6- zien wij toch niet, dat hij deswege ter verantwoording wordt geroepen. Evenmin blijkt het dat de verdenking bij hem ontstond, dat het Evangelie bedrog was, neen, het was geen haat tegen zijn Meester, niet om enigerlei twist met Hem, maar zuiver en alleen uit liefde voor het geld dat Judas een verrader was geworden.
Wat wilt gij mij geven? Maar wat verlangde hij, wat ontbrak hem? Geen brood om te eten, geen klederen om aan te doen, geen noodzakelijke levensbehoeften. Was hij niet welkom overal waar zijn Meester was? Ging het hem niet even goed als Hem? Is hij niet juist thans vriendelijk onthaald aan een avondmaaltijd in Bethanië in het huis van Simon den melaatse, en een weinig tevoren aan een anderen maaltijd, waar niemand minder dan Martha zelf aan tafel bediende? En toch kon deze geldgierige rampzalige niet tevreden zijn, maar komt laaghartig kruipend tot de priesters met: Wat wilt gij mij geven? Het is niet het gebrek aan geld, maar de liefde tot het geld, die de wortel is van alle kwaad, en inzonderheid van afval van Christus, getuige Demas, 2 Timotheus 4:10. Satan heeft onzen Heiland met dit lokaas verzocht: Al deze dingen zal ik u geven, Hoofdstuk 4:19, maar Judas bood zich zelven aan om er door verzocht te worden.
Wat wilt gij mij geven? vraagt hij, alsof zijn Meester ene koopwaar was, waar hij niet af kon komen. III De koop, dien de overpriesters met hem sloten, Zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen, dertig sikkelen, hetgeen, volgens sommigen, ongeveer f 40.80 van ons geld bedraagt, en volgens anderen f 45. Judas schijnt het aan hen overgelaten te hebben om den prijs te bepalen, en wilde nemen wat zij wilden geven. Hij slaat toe op het eerste aanbod uit vrees van anders minder te krijgen. Judas was niet gewoon aan grote koopmanschap, en daarom was een kleine som voor hem al een groot bedrag. Volgens de wet, Exodus 21:32, was dertig zilverlingen de prijs van een slaaf- een heerlijke prijs, waarop Christus geschat werd! Zacheria 11:13. Geen wonder dat de kinderen Zions, hoewel tegen fijn goud geschat, gelijk aarden flessen gerekend worden, als Zions Koning zelf aldus onderschat werd. Zij legden hem, estêsan -appenderunt -zij betaalden of wogen hem toe gelijk sommigen dit lezen, zij gaven het loon in zijne hand, om zich van hem te verzekeren en hem aan te moedigen.
IV. Tengevolge van den gesloten koop wendt Judas nu al zijn ijver aan om zijn plan te volvoeren, vers 16, hij zocht gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht, hij zon op middelen, om het op afdoende wijze tot stand te brengen. Het is zeer goddeloos om de gelegenheid te zoeken tot zondigen, en kwaad te verzinnen, want het toont hoe de mens dan zijn hart gezet heeft om kwaad te doen, kwaad met voorbedachten rade. Die daar in zijn, denken dat zij nu ook voort moeten gaan, wat er ook de gevolgen van mogen zijn. Nadat hij dien bozen koop gesloten had, had hij nog tijd tot berouw en om er op terug te komen, maar door dien koop heeft de duivel nog meer invloed op hem dan hij reeds had, en zegt hem dat hij getrouw moet zijn aan zijn woord, al is hij dan ook nog zo ontrouw aan zijn Meester, gelijk Herodes Johannes moest onthoofden, om de eden, die hij gedaan had.