Markus 12:35-40
I. Christus toont het volk hoe zwak en gebrekkig de schriftgeleerden waren in hun prediking, en hoe onbekwaam om de moeilijkheden op te lossen, die in de Schriften des Ouden Testaments voorkomen, en die zij op zich namen te verklaren. Hiervan geeft Hij een voorbeeld, dat hier niet zo volledig verhaald wordt als in Mattheus. Christus was lerende in den tempel, Hij heeft vele dingen gezegd, die niet vermeld worden, maar van dit gezegde wordt hier nota genomen, omdat het ons zal opwekken om betreffende Christus te onderzoeken, en van Hem zelven onderricht te vragen, want niemand kan een rechte kennis van Hem verkrijgen dan door Hem zelven. Van de schriftgeleerden is zij niet te verkrijgen, want dezen zullen al spoedig uit het veld worden geslagen.
1. Zij verkondigden aan het volk dat de Messias de Zoon van David moest wezen, vers 35, en hierin hadden zij gelijk, hij moest niet slechts uit zijne lenden voortkomen, maar ook zijn troon in bezit nemen, Lukas 1:32, God de Heere zal Hem den troon van zijn vader David geven. De Schrift heeft dit dikwijls gezegd, maar het volk hield het als door de schriftgeleerden gezegd, terwijl de waarheden Gods veeleer uit onzen Bijbel dan als een gezegde van onze leraren aangehaald behoren te worden, want daar is de bron en oorsprong er van te vinden. Dat water is het zoetst. dat onmiddellijk uit de bron zelf geput wordt.
2. Toch konden zij hun niet zeggen, hoe het desniettemin voor David zeer gepast was Hem in den geest, den geest der profetie, zijn Heere te noemen, zoals hij doet in Psalm 110:
1. Zij hadden het volk betreffende den Messias datgene geleerd, hetwelk voor de eer zou wezen van hun volk-dat Hij een Spruit zou wezen van hun koninklijk stamhuis, maar zij hadden zich gene moeite gegeven, om hen te leren wat tot eer was van den Messias zelven, namelijk dat Hij de Zone Gods zou wezen, en als zodanig, en niet anders, David's Heere. Aldus hebben zij de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden en waren partijdig ten opzichte van het Evangelie, zowel als ten opzichte der wet van het Oude Testament. Zij waren instaat te zeggen en te bewijzen, dat Christus David's Zoon moest wezen, maar als nu iemand het bezwaar opperde: Hoe noemt dan David zelf Hem zijn Heere, dan wisten zij hier geen antwoord op te geven. Diegenen zijn onwaardig om op Mozes' stoel te zitten, die, hoewel instaat om de waarheid te prediken, in zekeren zin toch niet instaat zijn haar te verdedigen, als zij haar gepredikt hebben, of de tegensprekers te overtuigen. Nu heeft het de schriftgeleerden vertoornd, dat hun onwetendheid alzo tentoongesteld werd, en ongetwijfeld heeft het hen nog meer in woede tegen Christus ontstoken, maar de menigte der schare hoorde hem gaarne, vers 37. Wat Hij predikte was verrassend en treffend, wel bestraffend voor de schriftgeleerden, maar zeer leerrijk voor hen, en nooit tevoren hadden zij zulk ene prediking gehoord. Waarschijnlijk was er in Zijne stem en voordracht iets buitengewoon eerbiedwekkends en lieflijks, dat Hem de genegenheid des volks won, want wij bevinden niet dat het de uitwerking had, dat iemand in Hem geloofde of Hem volgde. Hij was hun, wat Ezechiël was voor zijne hoorders, als een lied der minne, als een die schoon van stem is, of die wèl speelt, Ezechiël 33:32. Wellicht hebben sommigen van dezen geroepen Kruis Hem! zoals ook Herodes Johannes de Doper gaarne hoorde, maar hem liet onthoofden.
II. Hij waarschuwt het volk om zich niet te laten bedriegen door de schriftgeleerden, en zich te wachten voor hun hoogmoed en geveinsdheid: Hij zei tot hen in Zijne leer: " Wacht u voor de schriftgeleerden, vers 38, weest op uw hoede, dat gij hun bijzondere meningen niet deelt, noch de meningen des volks omtrent hen aanneemt." De beschuldiging tegen hen in de parallelplaats, Mattheus 23, is lang, maar hier is zij verkort wedergegeven.
1. Zij doen zich voor als zeer groot, zeer voornaam, want zij gingen in lange klederen, gewaden, die tot op hun voeten neder hingen. Daarin wandelden zij in de straten, als vorsten of rechters. Hun wandelen in zulke klederen was niet zondig, maar wèl dat ze dit beminden, dat zij er zich op verhovaardigden, er naar geschat wilden worden, er om geacht en geëerd wilden worden, zeggende tot hun lange klederen wat Saul tot Samuël zei: Eer mij nu voor dit volk, dit was een uitvloeisel van hoogmoed. Christus wilde dat Zijne discipelen gaan, hun lenden omgord hebbende.
2. Zij deden zich voor als zeer goed, zeer vroom, want zij bidden, zij doen lange gebeden, alsof zij zeer innig vertrouwd waren met den hemel, en er zeer veel te doen hadden. Zij droegen zorg dat het bekend werd, dat zij baden, dat zij lang baden, hetgeen, naar sommigen denken, te kennen gaf dat zij niet slechts voor zich zelven baden, maar ook voor anderen, en dat zij in die gebeden vooral zeer uitvoerig waren. Dit deden zij om zich den schijn te geven van het gebed lief te hebben, niet slechts om Gods wil, wie zij voorgaven hiermede te verheerlijken, maar ook om den wil van hun naasten, die zij beweerden hiermede te dienen.
3. Hun bedoeling hiermede was zich zelven te verhogen. Zij begeerden toegejuicht te worden, zij beminden de begroetingen op de markten en de voorgestoelten in de synagogen en de vooraanzitting in de maaltijden. Dit streelde hun ijdelheid, als hun dit toegestaan werd, dan drukte dit, naar zij dachten, de waardering uit, die zij voor hen hadden, die hen kenden, en anderen, die hen niet kenden, zouden er hen om hoogachten en eren.
4. Zij bedoelden hiermede zich zelven te verrijken. Zij aten de huizen der weduwen op, en maakten zich door een of andere kunstgreep meester van hare goederen. Het was om zich te beschutten tegen de verdenking van oneerlijkheid, dat zij dit masker der vroomheid droegen, en opdat men niet zou denken dat zij zo slecht waren als de slechtsten, namen zij den schijn aan van zo goed te zijn als de besten. Laat men des te slechter gedachten koesteren van bedrog en verdrukking wijl zij lange gebeden hebben ontheiligd, maar laat men van gene gebeden, ja van geen lange gebeden, slechte gedachten koesteren als zij in ootmoed en oprechtheid worden opgezonden, omdat sommigen ze aldus hebben misbruikt. Daar nu ongerechtigheid, aldus vermomd onder een schijn van vroomheid, dubbele ongerechtigheid is, is het oordeel er over dubbel zo zwaar: Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen, zwaarder dan zij, die zonder gebed hebben geleefd, zwaarder dan zij ontvangen zouden hebben, wegens het onrecht, dat zij de arme weduwen hebben aangedaan, indien het niet aldus vermomd ware geweest. De verdoemenis der geveinsden zal de zwaarste verdoemenis zijn.