Lukas 22:47-53
Toen Satan zich teleurgesteld zag in zijne poging om onzen Heere Jezus te verschrikken en Zijne gemoedsrust te verstoren, nam hij, naar zijn gewone wijze van doen, zijn toevlucht tot geweld, en komt met ene bende om Hem gevangen te nemen, en Satan was in hen. Hier is:
I. De aanduiding van Hem door Judas. Een talrijke bende komt opdagen, en aan hun hoofd is Judas, want hij is de leidsman geweest dergenen, die Jezus vingen, zij wisten niet waar Hem te vinden, maar hij bracht hen naar de plaats. Toen zij er gekomen waren, wisten zij niet wie van degenen, die daar waren, Jezus was, maar Judas zei hun: dien ik kussen zal, die is het, en zo kwam hij dan bij Jezus, om Hem te kussen, naar de vrijheid en gemeenzaamheid, die onze Heere Jezus Zijnen discipelen had toegestaan. Lukas neemt nota van de vraag, die Christus hem deed: "Judas! verraadt gij den Zoon des mensen met een kus? Hoe! is dat het teken? vers 48. Moet de Zoon des mensen verraden worden, alsof iets voor Hem verborgen gehouden kon worden, een complot tegen Hem worden gesmeed, zonder dat Hij het weet? Moet een van Zijn eigen discipelen Hem verraden, alsof Hij een harde Meester voor hen geweest was, of verdiend had dat zij Hem leed berokkenen? Moet Hij verraden worden met een kus? Moet het teken van vriendschap als werktuig gebruikt worden voor verraad? Is ooit een teken van liefde aldus misbruikt en ontwijd geworden? Niets kan voor den Heere Jezus een grotere belediging of smart zijn dan verraden te worden, en verraden te worden met een kus, door hen die belijden in betrekking tot Hem te staan en genegenheid voor Hem te koesteren. Dat doen zij, die onder voorwendsel van ijver voor Zijne eer Zijne dienstknechten vervolgen, of die, onder den dekmantel van een schijnbare liefde voor vrije genade, een slag toebrengen aan den wortel der heiligheid en der nauwgezetheid van wandel. Er zijn vele voorbeelden van, dat Christus verraden werd met een kus door hen, die onder een schijn van Godzaligheid de kracht der Godzaligheid bestrijden. Het ware goed, zo hun eigen geweten deze vraag tot hen richtte, die Christus hier tot Judas richt: Verraadt gij den Zoon des mensen met een kus? En zal Hij dat niet ten kwade duiden? Zal Hij dit niet wreken?
II. De poging, die Zijne discipelen aanwendden om Hem te verdedigen, vers 49. Ziende wat er geschieden zou, dat deze gewapende mannen gekomen waren om Hem te grijpen, zeiden zij: Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Gij hebt ons vergund twee zwaarden te hebben, zullen wij er nu gebruik van maken? Nooit is dit meer nodig geweest dan nu, en waartoe hebben wij ze, zo. wij ze niet gebruiken? Zij doen de vraag, alsof zij zonder de toestemming huns Meesters het zwaard niet zouden getrokken hebben, maar zij waren in te veel haast en in te veel vuur en ijver om op het antwoord te wachten. Maar Petrus, een slag richtende op het hoofd van een der dienstknechten van den hogepriester, miste het doel, en hieuw hem slechts het rechteroor af. Gelijk Christus, door hen ter aarde te werpen, die gekomen waren om Hem gevangen te nemen, toonde wat Hij zou kunnen doen, zo heeft ook Petrus door deze daad getoond, wat hij had kunnen doen in zo goed ene zaak, indien hij er verlof toe had gehad. Lukas bericht ons hier:
1. Hoe Christus den slag verontschuldigde: Laat hen tot hiertoe geworden, vers 51. Dr. Whitby is van mening, dat Hij dit zei tot Zijne vijanden, die gekomen waren om Hem gevangen te nemen, ten einde hen tevreden te stellen, opdat zij hierdoor er niet toe gebracht zouden worden, om op de discipelen aan te vallen, wier bewaring en bescherming Hij op zich had genomen. "Ziet deze belediging voorbij, zij deden dit zonder door Mij er toe gemachtigd te zijn, en de slag zal niet herhaald worden." Hoewel Christus de macht had hen neer te vellen, hen dood ter aarde te werpen, geeft Hij hun goede woorden, vraagt hen, als het ware, om vergeving voor den aanval door een Zijner volgelingen op hen gericht, om ons te leren, ook zelfs aan onze vijanden goede woorden te geven.
2. Hoe Hij de wonde genas, hetgeen meer dan een voldoende vergoeding was voor het aangedane onrecht of leed: Hij raakte zijn oor aan, en heelde hem, bevestigde het oor weer aan zijn hoofd, zodat hij niet eens als gebrandmerkt behoefde weg te gaan, hoewel hij dit verdiend had. Hiermede gaf Christus hun een bewijs:
a. Van Zijne macht. Hij, die kon genezen, zou ook, als Hem dit behaagde, kunnen verderven, waardoor het in hun belang zou zijn geweest zich aan Hem te onderwerpen. Indien zij Petrus den slag teruggegeven hadden, dan zou Hij hem onmiddellijk hebben genezen, en wat zou een klein regiment niet kunnen doen, waarin zich zulk een arts daarbij bevond, die de kranken en gewonden onmiddellijk afdoende hulp kon verlenen?
b. Van Zijne goedheid en barmhartigheid. Christus gaf hier een heerlijk voorbeeld van Zijn eigen voorschrift om goed te doen aan degenen, die ons haten, zoals Hij het ons daarna gaf van te bidden voor hen, die ons geweld doen. Zij, die kwaad met goed vergelden, doen zoals Christus gedaan heeft. Men zou gedacht hebben dat deze edelmoedige daad van vriendelijkheid hen getroffen en overwonnen zou hebben, dat zulke vurige kolen op hun hoofd gehoopt, hen zouden vertederd hebben, zodat zij Hem niet konden binden als een kwaaddoener, die zich zulk een weldoener had betoond, maar hun hart was verhard.
III. Hoe Christus op ernstige wijze de aanvoerders der bende, die gekomen was om Hem gevangen te nemen, op het verkeerde van hun doen opmerkzaam maakte, en hun wees op het ongerijmde van al hun maatregelen van geweld, vers 52, 53. Mattheus verhaalt het als gezegd tot de scharen. Lukas zegt ons dat het gesproken was tot de overpriesters en de hoofdmannen des tempels, deze laatsten hadden het bestuur over de onderscheidene ordeningen der priesters, en worden daarom hier gesteld tussen de overpriesters en de ouderlingen, zodat het allen geestelijken waren, behorende tot den tempeldienst, die tot dit hatelijk werk werden gebruikt, sommigen zelfs van den hoogsten rang hebben zich verlaagd om er zich ook in te laten zien. Zie hier nu:
1. Hoe Christus met hen redeneert over hun wijze van doen. Waartoe was het nodig, dat zij in het holle van den nacht uitgingen, gewapend met zwaarden en stokken? Zij wisten dat Hij geen weerstand zou bieden, het gepeupel niet tegen hen zou opzetten. Hij had nooit iets gedaan, dat hierop geleek. Waarom zijt gij dan uitgegaan als tegen een moordenaar? Zij wisten ook dat Hij zich niet zou verbergen, zich niet schuil zou houden, want dagelijks was Hij met hen in den tempel, in hun midden, en nooit heeft Hij gepoogd zich te verbergen, evenmin als zij hun handen tegen Hem hadden uitgestoken. Voordat Zijne ure was gekomen, was het dwaasheid te denken dat zij zich meester van Hem konden maken, en toen Zijne ure gekomen was, was het dwaasheid om al dit vertoon te maken van macht en geweld om Hem gevangen te nemen.
2. Hoe Hij berust in hun doen, en dit hebben wij tevoren niet gehad. Maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis. Hoe hard het ook schijne, dat Ik aldus blootgesteld ben aan uw geweld, Ik onderwerp er Mij aan want aldus is het in den raad Gods bepaald. Dit is de ure, die u toegestaan is, om uwen wil aan Mij te doen. Voor Mij is een ure bestemd om er rekenschap van te geven. Thans is het aan de macht der duisternis, Satan, den geweldhebber der duisternis dezer wereld, toegelaten om al het kwaad te doen dat hij kan, de verzenen te vermorzelen van het zaad der vrouw, en Ik ben besloten te berusten, laat hem het ergste doen wat hij kan. De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag -zijn ure komt, Psalm 37:13. Laat het ons tot kalmte brengen onder de overmacht van de vijanden der kerk, laat het ons rust en kalmte geven in de ure des doods, dat
a. Het slechts een ure is, die aan onzen tegenstander vergund is om over ons te triomferen, een korte tijd, een bepaalde tijd.
b. Het is hun ure, die hun verordineerd is, waarin het hun vergund is hun krachten te beproeven, opdat de Almacht des te meer verheerlijkt zal worden in hun val.
c. Het is de macht der duisternis, die nu heerst, maar de duisternis moet wijken voor het licht, en de macht der duisternis zal zich hebben te onderwerpen aan den Vorst des lichts. Christus was bereid om te wachten op Zijn triomf, totdat Zijn strijd volstreden was, en dat moeten ook wij.