3. Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet zo was er, onmiddellijk voor mij staande, een man, wiens gedaante was als de gedaante van gloeiend koper, zodat ik Hem dadelijk voor den Engel herkende, die met Jehova gelijk in Wezen was (
Daniël 10:6); en in zijne hand was een linnen snoer en een meetriet, 2) het ene tot het meten van grotere, het andere van kleinere ruimten; en hij stond in de poortvan den noordelijken ringmuur (
Vers 51) De maat in zijne hand doet vermoeden, dat, wat de Profeet nu zal zien, zorgvuldig naar maat en getal moet worden gemeten en van grote betekenis is. De gehele natuurlijke schepping toch is naar getal en maat zo nauwkeurig gerangschikt, dat men bijv. weet, dat het licht 70. 000 violette lichtgolven maakt bij het doorlopen van een afstand van een duim, en in ééne sekonde 720 billioenen van hare trillingen plaats hebben.
De man, van wien hier sprake is, kan niet anders zijn, als de Engel des Heeren. Hij heeft twee maten in de hand, zowel een meetsnoer als een meetriet. En dit, om daarmee den Profeet aan te duiden, dat Hij veel te meten heeft. Kleine zowel als grote dingen, waarom hij zowel het snoer als het riet om te meten nodig heeft.
2) Het gebruik van het meetsnoer was het land van Israël te meten, en dat van de meetroede, om de nauwkeurige afmetingen te nemen van de gebouwen en omtrent der tempel: gelijk ook om verscheidene gedeelten van het land, die aan het heiligdom toebehoorden, gelijk aan den Vorst en het volk te onderscheiden en af te zonderen. 4. En die man, de Heere, sprak tot mij: Mensenkind!(Hoofdstuk 2:1) zie met uwe ogen en hoor met uwe orenbij hetgeen u zal worden voorgesteld, en zet uw hart op alles, wat Ik u zal doen zien, (Hoofdstuk 44:5); want, opdat Ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet, tot welks vertroosting en onderwijzing voor de toekomst gij Mij moet dienen (Hoofdstuk 43:10 v.).
Toen de Heere Mozes op den berg Sinaï een voorbeeld van zijne woning onder Israël toonde, zei Hij (Exodus 25:9, 40): "Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is. " Tot Ezechiël wordt alleen gezegd, dat hij dat alles, wat hij hier in een gezicht aanschouwt, aan het huis Israëls moet verkondigen. Hier is het dus niet te doen om enig bouwplan, Wat ergens en te eniger tijd tot uitvoering moet worden gebracht, maar alleen om een zinnebeeld, waarvan de betekenis noodzakelijk moet worden verstaan, om door de vertroosting der Schrift hope te hebben, en welke verwezenlijking, door bereiking van het daarmee voorgestelde doel zijner vredesgedachten met Israël, Zich de Heere zelf heeft voorbehouden. Die uitleggers, die aan een werkelijk uit te voeren bouwplan denken, bepalen als den tijd voor die uitvoering òf het terugkeren uit de Babylonische ballingschap òf het terugkeren uit de tegenwoordige verstrooiing van Israël in het heilige land. De eersten weten de moeilijke vraag, van waar het komt, dat men bij het oprichten van den tempel van Zerubbabel ook met in de verte er aan heeft gedacht, zich naar het beeld van den Profeet te richten, slechts op ene wijze te beantwoorden, welke den Profeet tot enen dweper en fantast maakt, die met zijn plan utopisch heeft opgesteld, wat enkel fabelachtig is en wat gedacht kan worden, maar volstrekt onuitvoerbaar is. De laatsten kunnen ook de vraag, die bij hun opvatting ontstaat, hoe dan de herstelling van enen Oud-Testamentischen tempel met Mozaïschen offerdienst overeenkwam met hetgeen in den brief aan de Hebreën (Hoofdstuk 8:13) over de opheffing van den ouden gezegd is, slechts zo te beantwoorden, dat men des te meer het verkeerde der gehele opvatting gevoelt. maar ook die verklaring, welke slechts aan een zinnebeeld of ene allegorie denkt, verkrijgt dadelijk iets scheefs en verkeerds, wanneer zij de verwezenlijking dezer allegorie van de algemene wereldvernieuwing na het laatste oordeel (Openbaring 1:1-22 :5) verklaart; de Profeet heeft daarentegen de toekomst, welke zijn volk wacht, op het oog, en kan alleen juist worden verstaan, wanneer men vooraf de Openbaring van Johannes goed verstaan heeft
5.
II. Vers 5-27. De beschrijving van het heiligdom begint hierop met den ringmuur van den buitensten voorhof, wiens sterkte en hoogte vijf ellen is (Vers 5): zij gaat dan over tot het gebouw van die poort, door welke in Hoofdstuk 43:1, de heerlijkheid des Heeren haren intocht houdt, de Oosterpoort, welke in de lengte doorsneden is, en in hare hoofdafdelingen wordt gemeten (Vers 6-9); vervolgens worden de inwendige delen van beide zijden wat vorm getal en maat aangaat meer bepaald genoemd (Vers 10-12), en hierop het geheel en de onderlinge betrekkingen, ook de van binnen geziene vensters met de versieringen der pilaren vermeld (Vers 13-16). Nu volgt het uittreden uit de poort, en de buitenste voorhof wordt beschreven en gemeten (Vers 17-19), Eindelijk wordt gesproken van de Noorder- en Zuiderpoort, die geheel dezelfde zijn als die van de Oostpoort (Vers 20-27). 5. En ziet, er was een muur buiten aan het huis des Heeren, dat ik zag, rondom henen, en in des mans (Vers 3)hand was, zo als reeds vroeger is opgemerkt, een meetriet van zesheilige ellen, elke el van ééne el en ééne hand breed, dus 18 1/2 Rijnlandse duimen (Exodus 25:10). En hij mat de breedte des gebouws, de dikte van dezen muur, één riet of 6 heilige ellen (Leviticus 19:37), en de hoogte, één riet; de lengte bedroeg aan elk der 4 zijden 500 ellen, zodat de gehele ruimte een kwadraat van 20. 000 ellen omvang vormde (vgl. bij Hoofdstuk 41:12).