17. Opdat Christus door het geloof, waarmee u Hem reeds heeft aangenomen (
Colossenzen 2:6), in uw harten (
Johannes 14:23.
Galaten 2:20) woont en u in de liefde tot Hem, de Heere Jezus Christus, geworteld en gegrond bent. Hij toch (
Colossenzen 2:7) is de grond en de bodem, waaruit u uw levenskrachten trekten het fundament waarop uw verbetering of opbouwing (
Hoofdstuk 4:16) wordt verwezenlijkt.
Paulus haalt hier niet de eigenlijke woorden, of de inhoud van zijn gebed aan, maar hij geeft slechts met een woord te kennen, met welk doel hij zijn knieën buigt. Uit het doel, waarmee hij bidt, blijkt zeker de inhoud van het gebed. De apostel bidt om grote zaken, maar hij kent ook, zoals hetgeen bij het "geve" gevoegd is "naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid" aanwijst, de grootheid van de Vader, de grote rijkdom, de onmetelijke bezitting en de schat, die Hem toebehoort. Zoals het dan overeenkomt met deze rijkdom van God, zo moet God de Vader de Efeziërs geven, namelijk onuitsprekelijk, al de volheid. God wil geven en kan geven, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, wat wij van Hem begeren, als Hij weet dat het ons op dat tijdstip nuttig is. Volgens Paulus' mening is nu de Efeziërs een zaak boven alle nodig. Hij had hen dadelijk in het begin (Vers 13) gebeden, niet te vertragen om zijn verdrukkingen. Het ontbrak hun dus aan de juiste moed in lijden en moeiten, aan kracht en zo is de eerste bede van de man, die ze op zijn hart draagt, dat de kracht, die hun ontbreekt, hen door God wordt gegeven.
Het "met kracht versterkt te worden" sluit niet slechts moedeloosheid en zwakheid uit, maar wenst werkzaamheid naar buiten toe, invloed op de wereld, naast het standhouden ook het overweldigen en overwinnen, vgl. het: "houdt u mannelijk, wees sterk" in 1 Corinthiërs 16:13.
De heerlijkheid van God is Zijn wezen, zoals dit naar de aarde is toegekeerd. Als de rijkdom daaraan de maat is voor Zijn geven en zich daarin betoont, hoe rijk zal dan Zijn geven zijn! Hij zal hen geven, wat hun inwendig leven ten zegen is; en dan komen de beide eerste zinnen met elkaar overeen, aan de ene kant het "in de inwendige mens" en "in uwe harten" aan de andere kant "door Zijn Geest" en "door het geloof. " Een versterkt worden in kracht naar de inwendigen mens, dat wordt teweeggebracht door de Heilige Geest, moet God hun geven. Hun inwendig leven, dat toch een door de Geest van God reeds vernieuwd leven is, moet daartoe versterken, dat het zich tegen hetgeen buiten is kan staande houden en krachtig vertonen. Dit is, wat de zaak aangaat, het eerste dat de apostel bidt; het tweede is dat God hen mocht geven een wonen van Christus in hun hart, waartoe het geloof het middel is, omdat het geloof in Christus, dat Hij zelf werkt, het hart, dat gelovig tot Hem gekeerd is, geschikt maakt een plaats te zijn van de werkelijke tegenwoordigheid van de levende Heiland.
Terwijl Christus door het geloof in onze harten woont, ontwaakt de wederliefde tot Hem, die ons het eerst heeft liefgehad en deze schiet wortel, wordt gegrondvest daarin, wordt daarmee meer en meer één.
Woont Christus in onze harten, dan spreekt het vanzelf, dat wij Zijn liefde meer smaken en zien en deze ervaring en erkentenis van de liefde van onze God in Christus Jezus onze Heere, voedt en vermeerdert de liefde tot Hem in ons. Hoe langer en dieper wij Zijn liefde ervaren, des te diepere wortels slaat het gevoel van liefde jegens Hem in onze zielen. Hoe vaster wij omsloten worden door de armen van onze Heiland, hoe langer wij aan het hart van Zijn heilige liefde rusten, des te warmer wordt het ons om het hart.
Zo ver gaat dan naar de belofte van de Heere en naar de gebeden en ondervinding van de gelovigen de hartsvereniging met Hem. Hij is, Hij blijft, Hij woont, Hij leeft door Zijn Geest in hen. Zij bezitten Hem inwendig. Zij genieten een eigenlijke en wezenlijke inwoning van de Heere. En waarlijk als dit zo niet was, hoe zouden zij tempels van God, woonsteden van God in de Geest kunnen genoemd worden, hoe zij, die van nature kinderen van de toorn zijn, ooit kunnen gezegd worden de Goddelijke natuur deelachtig te wezen? Maar een eigenlijke en wezenlijke inwoning van Christus! Maar "de Goddelijke natuur deelachtig". Welke grote woorden, die grote dingen! Zeker, de genade van God in Christus is niet klein. Wacht u, dat u haar verkleinen zou, door op de woorden van de grote apostel en hogepriester van onze belijdenis zelf af te dingen, door die woorden te wantrouwen, als waren zij met vergroting, met overdrijving, oneigenlijk, bij manier van spreken gezegd. Wat ook onze manier van spreken zijn moge, Christus en Zijn apostelen hadden geen andere dan die van de waarheid, van de onopgesierde, van de ondubbelzinnige waarheid. Waarheid is het, dat de Verlosser en niet slechts Zijn leer, niet slechts Zijn voorbeeld, niet slechts een ideale voorstelling van hetgeen Zijn discipel door Hem worden moet en nooit zonder Hem worden zal, maar Hij zelf in het aan Hem overgegeven hart woont, zodat Zijn vriend Hem niet slechts vóór zich ziet maar in zich heeft, niet slechts rust op Zijn volbracht werk, maar Zijn werk in zich volbracht weet en volbrengen voelt. En waarom zou iemand de zin van deze woorden en met deze rijke liefde van God in Christus voor de arme zondaar willen verkleinen. Zou dat misschien kunnen opkomen in diezelfde harten, die zich de liefde van God zo graag gans onbeperkt voorstellen, zodat zij aan deze gedachte die van Zijn heiligheid zouden kunnen opofferen? Of willen zij slechts een liefde van God over hen, niet in hen? Wel een uitgebreide, maar geenszins een doordringende? Vrezen zij dat een liefde van God in deze onbeperkte zin hun zondig hart wellicht enigermate beperken zal, dat zij niet Gods heiligheid, maar eigen onheiligheid eraan ten offer zouden brengen? Ik oordeel niet, maar waar vlees en bloed zich zo krachtig verzetten tegen de beloften van de Heere en het gebed van Paulus, waar het denkbeeld van een wezenlijke inwoning, een waarachtig leven van de Verlosser in het hart van de Zijnen zo verre en hoogmoedig wordt weggeworpen, of teruggebracht tot voorstellingen van de meest alledaagse, van de flauwste betekenis, daar is het mij, als hoorde ik vlees en bloed hun zaak bepleiten en tot God en zijn Christus uitroepen: wijk van ons, want in uw geboden hebben wij geen lust. Daar schijnt het, dat ofschoon men wel een plaatsje zou willen hebben achter de genadige Jezus, om veilig te zijn voor het oordeel, dat ons na de dood volgt, men nochtans in het hart geen plaats over heeft voor de heilige Jezus, die Zijn oordeel in ons over al het onheilige gaan laat. Op het zachtst genomen schijnt men bevreesd voor een al te innige vereniging met Hem en tracht men zich en anderen op te dringen, dat zij althans niet nodig is en Hij de ziel wel zalig zal maken, al wordt de zaligheid van Zijn inwoning noch gevoeld, noch begeerd. Niet zo, Christus in ons is de enige waarborg van Christus voor ons. Niemand kan voor Zichzelf instaan. Maar voor Zichzelf staat Hij in. En losse hoop op het offer van Christus kan aan ons hart ontvallen. Maar Christus zelf, als Hij in het harte woont, ontvalt dat hart niet. Dat hart is van Hem zeker, het zal niet bezwijken. In het leven niet, in de dood niet, in het oordeel niet. Het heeft het voorwerp van zijn hoop, Christus, die zijn hoop is, in zich. Ik buig mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, opdat Christus door het geloof in uw harten woont. De innige hartverheffing met Christus, waarbij Hij in onze harten woont, heeft van onze kant plaats door het geloof, alleen door het geloof, Christus geeft Zichzelf aan ons over door Zijn genade, wij nemen Christus aan door het geloof. Het geloof is niet een berusten in de waarheid van hetgeen ons omtrent Christus en Zijn werk voor zondaren wordt verzekerd, niet een oppervlakkige aandoenlijkheid, die ons daarin de liefde van God en de zelfopoffering van Christus voor zondaren doet erkennen, het geloof is de stemming, waarin men aan de Zaligmaker plaats geeft in het hart; waarin men Hem voor zichzelf aanneemt tot verlossing en zich aan Hem overgeeft tot heiligmaking; de stemming, waarin men Hem, die aan de deur van onze harten staat en klopt, opendoet, opdat Hij met al Zijn goederen, gaven en krachten inkomt en bezit neemt van ons hart. Het is geen daad, waardoor men iets verdient, maar een toestand, waarin men alles ontvangt. Niets gemakkelijker zegt iemand, niets gemakkelijker daarom dan te geloven. Nee, maar zeg: niets eenvoudiger. Als het gemakkelijk was, het geloven zou van ieder zijn. Het is niet van ieder, zegt de Schrift. Onderzoekt u zelf, of u in het geloof bent. Voor zondige en verdorven mensen als wij zijn, is niets zo moeilijk, niets zo onmogelijk als eenvoudigheid. Het geloof is eenvoudig, het is geen willen of streven, het is een aannemen van ontferming. Maar voor een mens is niets moeilijker dan niet te willen en niet te streven, zijn hoogmoed schaamt zich voor niets zo zeer als voor een weldaad.
Kennelijk is de beeldspraak ontleend van de tempel van het Oude Verbond waarin de Heere woonde in al de glans van zijn heerlijkheid; zo moest ook de verheerlijkte Heer in het gemoed van Zijn gelovigen, als in een heiligdom een vaste woonstede vinden, het geheel vervullen, doordringen en heiligen. Daaruit zou het dan ongetwijfeld ook volgen, dat zij in de liefde, tot Hem namelijk, geworteld, gegrond zouden zijn; uitdrukkingen aan bomen en gebouwen ontleend, waardoor de onwrikbare vastheid van hun liefde tot de enige Heiland op eigenaardige manier wordt aangeduid. Een hart zo vol van geloof en liefde tot Hem, die ons leven is; wij voelen het, iets hogers kan zelfs geen Paulus voor de gemeente, geen Christen voor zichzelf en zijn broeders vragen. Dat is het einddoel van al wat God in Christus tot dus ver aan ons gedaan heeft. Of waarom anders heeft Hij ons, die geloven, in Hem uitverkoren en gekend van voor de grondlegging van de wereld? Waarom in de volheid van de tijd ons gebracht tot Zijn wonderbaar licht? Waarom ons leren bidden en op het gebed de Geest van het geloof ons geschonken? Waarom door die Geest ons zo dikwijls versterkt met kracht naar de inwendige mens? Dat alles en zo veel meer moest alleen dienen om een aanbiddelijk doel te bereiken, dit namelijk: dat wij geestelijk één zouden worden met de Zoon van Zijn liefde, zodat die Zoon niet slechts tot ons komt, maar bij ons blijft, en in ons komen en werken en heersen zou door de kracht van de Heilige Geest. Zolang het daartoe niet kwam, was de genade van God voor ons geheel of ten dele vergeefs, pas als hier binnen het geloof aanvankelijk leeft en de liefde tot de Heer onuitroeibaar werd, mogen wij ootmoedig danken, dat die genade niet ijdel geweest is. En weer wat het einddoel is van al Gods wegen is tevens de enige, maar ook zekere aanvang van alles wat de Christen doen moet of worden. Pas nu leren wij in onze mate begrijpen (Vers 18) met al de heiligen, die de lengte en breedte en diepte van het Godsgebouw is; want op geestelijk gebied gaat het liefhebben aan het begrijpen vooraf, en slechts door het geloof kunnen wij iets verstaan van de dingen van de nieuwe wereld, die God in Christus geschapen heeft. Pas nu leren wij (Vers 19) bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, want door het geloof hebben wij haar persoonlijk ervaren en sinds wij allen enigzins weten wat liefhebben is, kunnen wij nu en dan althans iets beseffen van die gadeloze liefde van de Heiland, waarop het woord van de gewijde dichter zo ten volle toepasselijk is: vele wateren zouden deze liefde niet uitblussen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken. Pas nu eindelijk worden wij vervuld tot al de volheid van God, want geloof en liefde worden de bron van een nieuwe waarachtig Goddelijk leven, dat onuitputtelijk en onvergankelijk is. Hoe boven alles begeerlijk is dan de grote zaak waarom de tekst ons leert vragen. Maar hoe zalig tevens ons voorrecht, dat wij ook bij dit gebed te doen hebben met een God, die (Vers 20) doen kan niet slechts, naar - reeds dat was veel, - maar zelfs boven hetgeen wij bidden en denken en wiens kracht in ons werkt, als wij aanvankelijk het eigendom van de Heere zijn geworden. Nee, hoe hoog het voorgestelde ideaal ook moge zijn, wij mogen niet wanhopen het te bereiken, want van Hem, die onze hoop is, zal ook de hulp wezen. Omringt ons niet een wolk van getuigen, ook om ons toe te roepen hoe ver men aan zijn hand op de weg het kan brengen. Denk aan de beroemde kerkvader, de martelaar Ignatius. Op de vraag van keizer Trajanus naar zijn naam, had hij geen ander antwoord dan dat hij Christusdrager, Christophorus heette, in wie het woord werd vervuld: Ik zal in hen wonen en onder hen wandelen. Hem kostte die verklaring het leven; naar zijn eigen woord werd hij als een tarwegraan van God door de wilde dieren vermalen, opdat hij blijken zou een voedzaam brood voor Christus te wezen. Maar door zijn geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is en roept door zijn voorbeeld ons toe: de ware Christen draagt Christus de Heere in het hart. Zo zij dan de verzuchting van Voet de onze:
Heeft g'in gena en goedheid lust? Gebiedt u mij te komen? Uw scepter wordt van mij gekust, Uw trouwring aangenomen; `k Ben d' uwe tot in eeuwigheid! Verlicht, verzoen, regeer, geleid Mij naar Uw welbehagen! Aan U, mijn Jezus, zij het gemoed In dood en leven, zuur en zoet Ter redding opgedragen.
.