Ezechiël 5:1-4
Hier wordt het teken vermeld, waardoor de algehele verwoesting van Jeruzalem wordt bekend gemaakt, hier is, evenals tevoren, de profeet zelf een teken voor `t volk, opdat het moge zien, hoe hij met het lot van Jeruzalem begaan is, er belang in stelt en hoe na Jeruzalem hem aan `t hart ligt, zelfs als hij haar verwoesting voorzegt. Hij had zo met haar te doen, dat, wat haar gedaan werd hem was als aan hemzelf gedaan zo verre was hij er van om naar die vreselijken dag te verlangen.
1. Hij moest afscheren het haar van zijn hoofd en zijn baard, vers 1, hetwelk betekende dat God dat volk als een nutteloos en waardeloos geslacht, dat zeer goed gemist kon worden, zodat het zelfs een eer voor hem wezen zou er van te scheiden geheel verwierp en verliet. Zijn oordelen en alle instrumenten, waarvan hij zich bediende om hen af te snijden, waren dit scherpe mes, dit scheermes, dat geschikt was voor `t gebruik en tot volvoering van de bedreiging. Jeruzalem was het hoofd geweest, maar, door haar ontaarding was ze geworden als het haar dat, wanneer het dik en lang wordt, slechts een last is, waarvan een man zich wenst te ontdoen, zoals God dat wenste met betrekking tot de zondaars in Zion. "O wee, Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders, Jesaja 1:24. Ezechiël moest niet slechts het overtollige haar afscheren, maar al het haar, hetgeen aanduidt, dat God Jeruzalem volkomen verdelgen wilde. Het haar, dat niet in goede staat wilde gebracht worden en netjes en zuiver gehouden door de vermaningen van de profeten, moet geheel weggeschoren worden door een volkomen vernietiging. Zij, die zich niet verbeteren willen, zullen ten ondergaan.
II. Hij moest "het haar wegen en het in drie delen verdelen." Dit geeft te kennen hoe nauwkeurig God Zijn oordelen brengt met betrekking tot rechtvaardigheid (door Hem worden de mensen en hun daden gewogen in de zuivere schaal van waarheid en billijkheid), en hoe de goddelijke gerechtigheid naar evenredigheid sommigen door `t een oordeel straft en anderen door een ander, maar hoe het ook zij, allen zullen ontvangen naar `t geen zij gedaan hebben. Sommigen zeggen, dat het afscheren van `t haar aanwijst: het verlies van vrijheid en van eer, het werd beschouwd als een teken van openbare schande, zoals in de oneer, Davids knechten door Hanum aangedaan. Het wijst ook het verlies van hun vreugde aan, want zij schoren hun hoofden bij gelegenheid van grote rouw, hieraan mag ik nog toevoegen het verlies van hun Nazireërschap, want het scheren van het hoof maakte een einde aan de gelofte Numeri 6:18, en Jeruzalem werd nu niet langer beschouwd als een heilige stad.
III. Hij moest van het haar afstand doen zo dat het geheel kon worden vernietigd of verspreid, vers 2.
1. Een derde deel moest in het midden van de stad verbrand worden. Dit wijst op de menigten, die door hongersnood en pestilentie zouden omkomen en velen zouden misschien in de grote brand van de stad omkomen, als "de dagen van de belegering vervuld werden." Nu men mag het in de as leggen van deze roemrijke stad wel beschouwen als een derde deel van de verwoesting, waarmee gedreigd was.
2. Een ander derde deel moest met een zwaard in stukken geslagen worden. Hiermede wordt betekend, dat velen buiten de stad door de vijand omgebracht zouden worden, te weten, als zij tegen hem zouden uitvallen, en voornamelijk werden er velen gedood, toen de stad stormenderhand werd ingenomen. Toen waren de Chaldeën uiterst geweldig en de Joden zeer zwak. 3. Nog een derde deel moest in de wind gestrooid worden. Dit ziet op de wegvoering van een gedeelte naar het land van de overwinnaar en op de vlucht van anderen naar de naburige landen om daar bescherming te vinden, zodat zij voortgejaagd worden, sommigen in deze, anderen in die richting, als losse haren in de wind. Maar, opdat zij niet konden menen, dat deze verstrooiing hun ontkoming zou zijn, voegt God er aan toe: Ik zal het zwaard achter hen uittrekken, zodat waar zij ook henen gaan het kwaad hen zal vervolgen.
Merk op, dat God een verscheidenheid van oordelen heeft om een zondig volk te vernietigen en te voleindigen wat Hij begint.
IV. Hij moest een kleine hoeveelheid van het laatste derde deel (dat in de wind werd gestrooid) bewaren en in zijn slippen binden, zo als men met iets zou doen, waarover men zorg en waarop men betrekking heeft, vers 3. Dit wijst misschien dat kleine handjevol mensen aan, achtergelaten onder de regering van Gedalja, die, hetwelk te hopen was, bezit van het land zou houden, wanneer de meerderheid des volks in gevangenschap werd geleid. Zo zou God hun goed hebben willen doen, indien zij het goede maar hadden willen aannemen. Maar die weinigen, die afgezonderd werden, moesten genomen worden en in het midden des vuurs geworpen, vers 4. Toen Gedalja en zijn vrienden verslagen werden, en het volk, dat zich onder zijn bescherming gesteld had, verstrooid, sommigen naar Egypte, anderen weggevoerd door de Chaldeën en in korte tijd `t land totaal door hen ontruimd was, toen was dit vervuld, want uit deze verbrandingen kwam een vuur voort tegen het gehele huis Israëls, dat, als brandstof op het vuur, en elkaar aanstak en verteerde. Let er op, dat het slecht met een volk gesteld is, wanneer zij worden weggevoerd in gramschap, die tot monumenten van genade schijnen aangewezen te zijn, want dan is er geen overblijfsel of ontkoming, niemand wordt opgesloten of achtergelaten.