Openbaring 3:7-13
Wij komen nu tot den zesden brief, die aan een der Aziatische gemeenten gezonden werd, en letten op:
I. Het opschrift, dat aantoont:
1. Voor wie hij onmiddellijk bestemd was.
Schrijf aan den engel der gemeente, die te Philadelfia is, vers 7. Dit was ook een stad in Klein-Azië, gelegen aan de grenzen van Mysië en Lydië, en had haar naam ontleend aan de broederlijke liefde, die in haar uitnemend was. Wij kunnen moeilijk onderstellen dat haar deze naam gegeven werd nadat zij den Christelijken godsdienst ontvangen had, en dat zij zo genoemd was naar de Christelijke liefde, die alle gelovigen hebben en behoren te hebben voor elkaar, als kinderen van dezelfden Vader en broederen in Christus. Veeleer was het een oude naam ter wille van de liefde en vriendelijkheid, welke de inwoners elkaar betoonden als een burgerlijke broederschap. Dat was een uitnemende geest en wanneer die geheiligd werd door de genade van het Evangelie, zou daar een voortreffelijke gemeente uit worden, zoals zij dan ook inderdaad was, want er wordt geen enkel gebrek in deze gemeente gevonden. En toch waren er zonder twijfel de gebreken van de algemene onvolmaaktheid in haar, maar de liefde bedekt alle dingen.
2. Door wie de brief gezonden wordt, door dezelfden Jezus, die het algemene hoofd van al de gemeenten is. En merk hier op welke de titel is, waaronder Hij zich tot deze gemeente richt. Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel David's heeft, die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent, vers 7. Zijn persoonlijk karakter. Hij is de Heilige en Waarachtige, heilig in Zijne natuur en daarom kan Hij niet anders dan waarachtig in Zijn woord zijn, want dat heeft Hij gesproken in Zijne heiligheid. Verder Zijn karakter wat Zijne bediening betreft. Hij heeft den sleutel van David, Hij opent en niemand sluit, Hij heeft den sleutel van het huis David's, den sleutel van regering en gezag in en over de gemeente. Merk op:
A. De daden van Zijne regering.
a. Hij opent. Hij opent een deur van gelegenheid voor Zijne gemeenten, Hij opent een deur van uiting voor Zijne dienaren, Hij opent een deur van ingang in de hart en, Hij opent een deur van toelating tot de zichtbare kerk, door de regelen van deelneming daaraan te geven, Hij opent een deur van toelating tot de zegevierende kerk, want de regelen voor de zaligmaking zijn door Hem vastgesteld.
b. Hij sluit. Wanneer het Hem behaagt, sluit Hij de deur van gelegenheid en de deur van uiting, en laat hardnekkige zondaren opgesloten in de verharding hunner harten, Hij sluit de deur van kerkgemeenschap voor ongelovigen en lichtzinnigen, Hij sluit de deur des hemels voor de dwaze maagden, die haar dag van genade verslapen hebben, en voor de werkers der ongerechtigheid, hoe ijdel en gerust zij ook zijn mogen.
B. De wijze, waarop Hij deze daden volbrengt. Die is onbeperkte vrijmacht, onafhankelijk van den wil der mensen en onweerstaanbaar voor de macht der mensen. Hij opent en niemand sluit, Hij sluit en niemand opent, Hij werkt het willen en het werken: en als Hij werkt, kan niemand het keren. Dat waren de eigenaardige kentekenen voor Hem, toen Hij sprak tot een gemeente, die zich benaarstigd had om Christus gelijkvormig te worden in heiligheid en getrouwheid, en die zich mocht verheugen in een wijd-geopende deur van vrijheid en gelegenheid onder Zijn zorg en bewind.
II. Het onderwerp van dezen brief.
1. Christus brengt hun in herinnering wat Hij voor hen gedaan heeft. Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven en niemand kan die sluiten, vers 8. Ik heb die geopend en houd haar open, ofschoon er vele tegenstanders zijn. Leert hier:
A. Christus is de bewerker van alle vrijheid en gelegenheid, waarin Zijne gemeenten zich mogen verheugen.
B. Hij let er op en houdt er rekening mede, hoe lang Hij haar geestelijke vrijheid en gelegenheid voor haar bewaard heeft.
C. De goddelozen benijden den kinderen Gods hun geopende deur en zouden die gaarne voor hen sluiten.
D. Wanneer wij Christus geen reden geven om die deur voor ons te sluiten, kunnen mensen dat niet doen.
2. Deze gemeente wordt geprezen: Gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard en hebt Mijnen naam niet verloochend, vers 8. Het schijnt dat in deze uitspraak een zachte berisping ligt: Gij hebt kleine kracht, kleine genade, welke, ofschoon zij niet geëvenredigd is aan de wijde deur van gelegenheid, die Ik voor u geopend heb, toch ware genade is en u getrouw gehouden heeft. Ware genade, ofschoon zwak, heeft de goddelijke goedkeuring, maar, alhoewel Christus een kleine kracht aanneemt, mogen de gelovigen met een weinig niet tevreden zijn, maar moeten trachten op te wassen in de genade en sterk in het geloof te zijn, de eer aan God gevende. Ware genade, ofschoon zwak, zal meer uitwerken dan de grootste gaven van den hoogsten trap der gemene genade: want zij zal de Christenen in staat stellen om het woord van Christus te bewaren en Zijn naam niet te verloochenen. Gehoorzaamheid, getrouwheid en een vrijmoedige belijdenis van den naam van Christus zijn de vruchten der ware genade, en als zodanig aan Christus aangenaam.
3. Hier is ene belofte van de grote gunst, die God aan deze gemeente zou verlenen, vers 9, 10. Deze gunst bestaat uit twee delen.
A. Christus zou maken, dat de vijanden van deze gemeente zich aan haar onderwierpen.
a. Deze vijanden worden beschreven als dezulken, die zeggen dat zij Joden zijn, maar zij logen daarmee, voorgaven Gods enig en uitverkoren volk te zijn, maar zij waren een synagoge des Satans. Vergaderingen, die God aanbidden in geest en in waarheid, zijn het israël Gods, maar vergaderingen, die de valse goden vereren of den waren God op verkeerde wijze aanbidden, zijn synagogen des Satans, ofschoon zij belijden mogen het eigen volk Gods te zijn, die bewering is een leugen. b. Hun onderwerping aan de gemeente wordt beschreven. Zij zullen komen en aanbidden voor uwe voeten. Zij zullen geen godsdienstige of goddelijke eer bewijzen aan de gemeente zelf of aan hare dienaren, maar zij zullen overtuigd worden van hun ongelijk, en dat deze gemeente in haar recht is en door Christus bemind wordt, en zij zullen begeren in hare gemeenschap opgenomen te worden en dezelfden God op dezelfde wijze als zij te vereren. Hoe zal deze grote verandering bewerkt worden? Door de macht van God over de harten zijner vijanden, en door buitengewone openbaring van Zijn bijzondere gunst aan deze gemeente. Zij zullen bekennen dat Ik u liefheb. Merk hier op: Ten eerste. De grootste eer en gelukzaligheid, die ene gemeente kan genieten, bestaat in de bijzondere gunst en liefde van Christus.
Ten tweede. Christus kan Zijn gunst aan Zijn volk ontdekken op ene wijze, dat hare vijanden het zien en genoodzaakt worden het te erkennen.
Ten derde. Dat zal, door de genade van Christus, de harten harer vijanden verzachten en hen begerig maken om tot haar gemeenschap toegelaten te worden.
B. Een ander gunstbewijs, dat Christus aan deze gemeente belooft, is volhardende genade in de zwaarste tijden, vers 10, en zulks als beloning voor hun betoonde getrouwheid. Die heeft, dien zal gegeven worden.
a. Het Evangelie van Christus is het woord Zijner lijdzaamheid. Het is de vrucht van de lankmoedigheid Gods voor een zondige wereld, het stelt den mensen de voorbeeldeloze lijdzaamheid van Christus onder al Zijn lijden voor de mensen voor ogen, het roept hen, die het aannemen, tot oefening van lijdzaamheid in gelijkvormigheid aan Christus.
b. Het Evangelie moet zorgvuldig bewaard worden door allen, die er zich in verblijden, zij moeten het geloof, de prakt ijk en de verering bewaren, die het Evangelie hun voorschrijft.
c. Na een dag van lijdzaamheid kunnen wij een uur van verzoeking verwachten, een dag van evangelischen vrede en vrijheid is een dag van Gods lankmoedigheid, en die wordt zelden zo goed besteed als behoorde, en daarom dikwijls gevolgd door een ure van beproeving en verzoeking.
d. Soms is de beproeving algemeen en komt zij over de gehele wereld, in het tegenovergestelde geval duurt zij gewoonlijk korter.
e. Zij, die het Evangelie in een tijd van vrede aannemen, moeten zich bij Christus houden in de ure der verzoeking. Door het Evangelie vast te houden, worden zij voorbereid voor de beproeving, en dezelfde goddelijke genade, die hen in tijd van vrede vruchtbaar maakte, zal hen getrouw maken in tijden van vervolging.
4. Christus roept de gemeente tot vervulling van den plicht, waartoe Hij tevoren belooft haar te zullen bekwamen, den plicht van volharding. Houdt wat gij hebt.
A. De plicht zelf: Houdt wat gij hebt, dat geloof, die waarheid, die sterkte van genade, dien ijver, die liefde tot de broederen, gij hebt deze kostelijke schatten verkregen, houdt ze! B. De redenen daarvoor, ontleend aan de spoedige wederkomst van Christus. Ziet, Ik kom haastelijk! Ziet, Ik ben reeds komende, om u van uw beproevingen te bevrijden, uw getrouwheid te belonen, de afvalligen te straffen, zij, die de kroon verliezen waarop zij eerst naar het scheen recht hadden, waarop zij hoopten en waarvan de verwachting hen verblijdde. De volhardende Christenen zullen den prijs winnen van de terug blijvende belijders, die den eersten vroeger vooruit waren.
III. Het slot van dezen brief, vers 12, 13.
1. Volgens Zijne gewoonte belooft onze Zaligmaker een schitterende beloning aan den overwinnenden gelovige, en wel in twee delen.
A. Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, niet een pilaar om dien tempel te schragen (de hemel heeft zulke steunsels niet nodig) maar een gedenkteken van de vrije en machtige genade Gods, een gedenkteken, dat nooit zal vervallen of weggenomen worden, zoals vele schone pilaren opgericht zijn ter ere van Romeinse keizers en veldheren.
B. Op deze pilaar zal een eervol inschrift staan, gelijk in zulke gevallen gewoonte was.
a. Den naam van God, aan wiens zaak hij verbonden was, dien hij diende, voor wie hij in den strijd geleden heeft. En den naam der stad Mijns Gods, der gemeente Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit den hemel afdaalt. Op deze pilaar zullen vermeld worden al de diensten, welke de gelovige aan de gemeente bewezen heeft, hoe hij haar rechten handhaafde, haar grenzen uitbreidde, haar reinheid en haar eer bevorderde. Dat zal zijn een groter naam dan Asiaticus of Afrikaner, een krijgsknecht Gods in de oorlogen zijner gemeente.
b. Een ander gedeelte van het opschrift is: de nieuwe naam van Christus, den Middelaar, den Verlosser, den leidsman onzer zaligheid, ons hoofd. Daardoor zal openbaar worden onder wiens banier deze overwinnende gelovige gediend heeft, onder wiens leiding hij handelde, door wiens voorbeeld hij werd aangemoedigd, onder wiens invloed hij den goeden strijd gestreden heeft, totdat hij had overwonnen.
2. De brief wordt besloten met de oproeping om aandacht. Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt, hoe Christus Zijn getrouwe volgelingen liefheeft, waardeert en prijst en hoe Hij hun getrouwheid zal bekronen.