16. Maar omdat wij toe gekomen zijn, omdat wij tezamen juiste begrippen hebben verkregen over de weg van de zaligheid, alleen door de genade, die in Christus Jezus is, laat ons daarin naar dezelfde regel wandelen, zodat wij ook alleen en ten allen tijde bij genade leven (
Galaten 6:15 v.) a) laat ons, zoals ik daartoe reeds in
Hoofdstuk 2:2 heb aangemaand, hetzelfde voelen, ook eensgezind zijn in alles wat uit deze grondregel voortvloeit (
1 Johannes 2:20,
27 Spreuken 2:6 v.).
a) Romeinen 12:16; 15:5. 1 Corinthiërs 1:10. 1 Petrus 3:8
Als de apostel zegt: "zo velen als wij volmaakt zijn" laat hij het aan het oordeel van de lezers over, of zij tot de klasse van de volmaakten behoren, of liever, het is een oproep aan hen allen, dat zij zich als volmaakten betonen.
"Volmaakt" wil hier niet zeggen de reeds bereikte voltooiing, zoals in Vers 12 maar de zedelijke rijpheid, die verschilde in graden bij de gelovigen; toch behoort bij de ware Christelijke staat, zodra deze het eerste aanvangen reeds voorbij is, die Christelijke volheid, waarbij men geen kind in Christus meer is (Mattheus 5:48. 1 Corinthiërs 14:20 Colossenzen 4:12). De apostel laat het nu aan het geweten van ieder in het bijzonder onder zijn lezers over, of hij voor zich onder het getal van de volmaakten behoort. Hij sluit echter zichzelf in het predikaat in, terwijl hij toch boven reeds ontkend heeft volmaakt te zijn. Hierdoor stelt hij alle verkeerd begrip of misbruik tot geestelijke hoogmoed terzijde en laat dan door het "dit voelen" alleen plaats voor het bewustzijn, dat het tot een teken van een volmaakte behoort, het er niet voor te houden, dat men reeds volmaakt is.
In de ootmoedige waardering van zichzelf en het rusteloos voorwaarts streven, dat de apostel in zijn voorbeeld heeft laten zien, maar niet in hoogmoedige traagheid, die zich reeds volmaakt waant en daarnaar niet meer streeft, berust de enig ware volmaaktheid van de Christelijke gezindheid, zoals die hier op aarde kan worden bereikt. Paulus laat niet na zichzelf mee op te wekken tot een vasthouden aan dit waar Christelijk standpunt en hoopt met blij vertrouwen, dat, waar de Filippensen "iets anders voelen" God hen het juiste licht zal ontsteken, zoals Hij hun reeds zoveel had geopenbaard.
Hij zou het zeker wel niet nodig hebben geacht om deze verzekering er bij te voegen, als hij geen aanleiding had gehad, de Filippensen over een bedenking, die geuit was, gerust te stellen. Hun verlangen, dat, zoals zij meenden, hopeloos was, het verlangen om hem weer bij zich te zien, zal ook daarin zijn grond hebben gehad, dat zij over veel, waarover zij in onzekerheid waren en misschien vreesden in dwaling te zijn, door hem ingelicht wilden worden. Nu vermaant hij hen om in de hoofdzaak van het Christendom juist gezind te zijn en stelt hen gerust over het onduidelijke in sommige punten, dat zeker voor dwalingen doet vrezen, door de verzekering, dat God het hen niet zal laten ontbreken aan de nodige kennis, zoals hij ook in Hoofdstuk 1:9 voor hen heeft gebeden, dat hun liefde meer en meer rijk moge worden in alle kennis en ervaring.
Alles, wat de apostel vroeger heeft gezegd van de gerechtigheid van het geloof en het lopen tot het voorgestelde doel is de hoofdregel van het Christelijk leven van alle mondige en gevorderde Christenen. Houdt men deze vast, dan staat men onder goddelijke leiding en besturing en alle geringere denkwijzen worden door de Heere zelf terechtgebracht, die door de openbaring van Zijn Geest ons steeds meer en meer is al Zijn waarheid inleidt; maar van de grond, waarop men met zijn gehele leven reeds gebouwd is, mag men niet wijken.
Aan de waarheidszin zal nooit de terechtwijzende leiding en openbaring van de Geest van de waarheid ontbreken, evenmin als ook slingeringen kunnen ontbreken.
V. Vers 1-Hoofdstuk 4:3. Nog in een ander opzicht moet de apostel dringen tot het navolgen van hem en van zijn medearbeiders. Hem komen die velen in de verschillende Christelijke gemeenten voor de geest, die hij bepaald vijanden van het kruis van Christus moet noemen, omdat zij hun vlees met de lusten en begeerlijkheden niet willen kruisigen, maar zich overgeven aan de dienst van de buik en een leven in aardsgezindheid leiden. Ook heeft hij vroeger reeds vaker voor hun verleidelijk voorbeeld gewaarschuwd; nu echter is hun epicureïsme nog verder gegaan en reeds is het met hen zo ver gekomen, dat zij rechtstreeks de verdoemenis tegemoet gaan. De Filippensen moeten met volharding het oog gevestigd houden op hen, wier wandel in de hemel is en ter harte nemen, welk een toekomst deze tegemoet mogen zien, opdat zij dezelfde weg bewandelen (Vers 17-21). Terwijl de apostel met recht innige hartelijkheid voor zijn geliefde Filippensen al deze vermaningen, die op een blijven in de Heere aandringen, eindigt, voegt hij er nog een bijzondere vermaning bij. Zij is gericht aan twee vrouwen, die hij met name noemt. Veel belang stelt de apostel er in, dat eendracht tussen hen komt in plaats van haar tegenwoordige onenigheid. Hij roept een, die hij ook bij name noemt, op om de bemiddelaar van de vrede te zijn, terwijl de betekenis van die naam hem recht geeft op diens bijstand te hopen (Hoofdstuk 4:1-3).
EPISTEL OP DE DRIEENTWINTIGTE ZONDAG NA TRINITATIS
Als men in het Evangelie van deze dag (Mattheus 22:15) het aangezicht van Christus beschouwt, wat ziet men dan? - het aangezicht van de man van onbestraffelijke en onnavolgbare wandel, wiens voorbeeld zich helder en duidelijk voor alle ogen verheft en niet minder dan het woord van God, dat van Hem afstraalt, een licht op onze weg en een lamp voor onze voet kan worden genoemd. Nu wandelt de apostel in dat licht van het voorbeeld van Christus en hij is daardoor als een lichtende maan, terwijl de door Paulus verworpen ergernissen en kwade voorbeelden, die een tegenhanger zijn tot de listige, lerende, op verderf peinzende listigheid van de Farizeeën en Herodianen, als strikken zijn, die op duistere wegen liggen uitgespreid, om de heilige te doen vallen.
Het epistel spreekt van het einde van de vijanden van het kruis van Christus, van hen, die een hemelse wandel leiden en op de terugkomst van de Heere wachten. Wij moeten dus denken over het einde, nu wij aan het einde van het kerkelijk jaar staan en wel het einde dat de goddeloze, als ook het einde, dat de rechtvaardige heeft. Men zou dit epistel een apostolische parafrase kunnen noemen van dat woord van Christus in Mattheus 7:13 ons gegeven, opdat wij met het oog op een zo verschillend einde van beiden, van goddelozen en rechtvaardigen en met oog op deze laatste tijd en dit laatste uur ons nog zouden bedenken en de juiste weg inslaan. De vijandschap tegen het kruis van Christus: 1) haar oorsprong, 2) haar aard, 3) haar gevolgen.
De vrienden en de vijanden van het kruis van Christus 1) hun gezindheid, 2) hun wandel, 3) hun einde. De weg ten hemel: wij zien 1) op de voorgangers, die op deze weg gezien kunnen worden, 2) op de gevaren, die vermeden moeten worden, 3) op de heerlijkheid, die kan worden bereikt.
Wie kan zeggen: "Mijn wandel is in de hemel? " Die 1) zich aansluit aan hemelsgezinden, 2) zich verwijdert van de wereld en haar begeerlijkheid, 3) zich insluit in de beloften van de Heere.
Hemelwaarts, hemelwaarts, zo klinkt het de Christen tegen als hij 1) neerziet in de afgrond, die de aardsgezinden tegengaan, 2) omziet naar de voorbeelden van geestelijke wandel, 3) opziet naar het hemels doel, dat hem wordt voorgehouden.
Onze wandel is in de hemel: 1) een roepstem van de zalige vermaning, 2) een stem van hemelse vertroosting.
De hemel, het ware vaderland van de Christen: 1) daar heeft hij zijn zaligheid, 2) van daar verwacht hij zijn Heiland, 3) daar ontvangt hij eens genezing van al zijn gebreken.