Ezechiël 6:1-7
I. De profetie wordt hier gericht tot de bergen Israëls, vers 1, 2, de profeet moet zijn aangezicht er tegen zetten. Als hij van waar hij was, het land van Israël kon zien, dan moesten de bergen het eerst en het verst te zien zijn, daarheen moet hij dus zien, met stoutmoedigheid en standvastigheid, zoals de rechter naar een gevangene ziet, en hem aanspreekt, als hij het vonnis over hem velt. Hoe hoog en sterk Israëls bergen ook zijn, hij moet zijn aangezicht er tegen stellen, daar hij er oordelen tegen te spreken heeft, die ze op hun grondvesten zullen doen wankelen. De bergen Israëls waren heilige bergen geweest, maar nu zij verontreinigd waren door hoogten, stelde God Zijn aangezicht er tegen, en daarom moet de profeet het ook doen. Israël staat hier niet, zoals soms, voor de tien stammen, maar voor het heere land. De bergen worden opgeroepen om het Woord des Heeren te horen, om de inwoners, die niet horen wilden, te beschamen. De profeten konden even gemakkelijk de aandacht van de bergen trekken, als van dat weerspannige rebellerende volk, tot wie zij de gehele dag hun handen tevergeefs uitstrekten. "Hoort, gij bergen, de twist des Heeren," Micha 6:2, want wat God zegt, moet aangehoord worden, `t zij dan door ons, of door ons niet. "Maar van de bergen kaatst het Woord des Heeren tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen, want ook tot hen spreekt de Heere Heere, wat betekent, dat het hele land betrokken is bij wat nu gesproken zal worden en, dat zij getuigen zullen zijn tegen dit volk, dat het ruimschoots gewaarschuwd is voor de komende oordelen, maar het heeft niet willen horen, ja, zij spraken de boodschap tegen en vervolgden de boodschappers zodat Gods profeten veiliger en gemakkelijker konden spreken tot de heuvelen en de bergen dan tot hen."
II. Datgene, waarmee in deze profetie gedreigd wordt, is de volkomen vernietiging van de afgoden en de afgodendienaars, en beide door het krijgszwaard. God zelf is opperbevelhebber in deze tocht tegen de bergen Israëls. Hij is het, die zegt: Ziet, Ik breng over u het zwaard, vers 3, het zwaard van de Chaldeën staat tot Gods beschikking, gaat, waarheen Hij het zendt, komt, waarheen Hij het roept, en komt neer, als Hij het beveelt. Onder de verwoesting van die oorlog,
1. Zullen de afgodsbeelden met al wat er bij hoort, verstoord worden. De hoogten, die op de top van de bergen waren, vers 3, zullen met de grond gelijk gemaakt en tot wildernis worden, vers 6, zij zullen niet versierd en druk bezocht worden, zoals tot nu toe. De altaren waarop zij brandoffers geofferd en wierook gebrand hadden voor vreemde goden, zullen woest en eenzaam zijn. De zonnebeelden en de drekgoden zullen verbroken worden en ophouden en afgehouwen worden en al het fijne, kostelijke werk er van zal uitgedelgd worden, vers 4, 6.
a. De oorlog brengt jammerlijke verwoestingen teweeg, waaraan zelfs die personen, plaatsen en dingen niet ontkomen kunnen, die voor de heiligste gehouden werden, want "het zwaard verteert zowel deze als genen."
b. God vernietigt soms de afgoderij door de hand van de afgodendienaars zelf, want dat waren de Chaldeën, maar alsof iedere plaats zijn eigen god had, waren de grootste bewonderaars van de goden van hun eigen land de grootste vijanden van de goden van andere landen.
c. Het is rechtvaardig van God om tot een verwoesting te maken datgene, waarvan wij een afgod maken, want Hij is een ijverig God en wil geen mededinger dulden. d. Als de mensen niet, zoals `t behoort, de afgoderij verstoren, dan zal God, vroeger of later, middel vinden om het te doen. Toen Josia de hoogten, altaren en beelden had verwoest met het zwaard van de gerechtigheid, richtten zij ze weer op, maar nu zal God ze met het krijgszwaard verstoren, en dan zullen wij zien, wie ze weer op durft richten.
2. De aanbidders van de afgoden en al hun aanhangers zullen eveneens verstoord worden. Evenals hun hoogten tot wildernis zullen worden, zo ook hun woningen, en hun steden. Die Gods woning ontheiligen gelijk zij gedaan hadden, kunnen niet anders verwachten, dan dat Hij de hun verlaten zal, Hoofdstuk 5:11. "Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden" I Corinthiers. 3:11. Hier wordt gedreigd, dat de verslagenen in het midden van hen zullen liggen, vers 7, er zullen er velen gedood worden, zelfs op die plaatsen, welke men voor de veiligste hield, maar als een opmerkelijke omstandigheid wordt er aan toegevoegd, dat zij zullen vallen voor het aangezicht hunner drekgoden, vers 4 dat hun dode lichamen daar gelegd, en hun beenderen rondom hun altaren gestrooid zullen worden. vers 5..
a. Aldus zullen hun afgoden verontreinigd, en de plaatsen, die zij vereerden, door hun dode lichamen ontheiligd worden. "Als zij het deksel van hun gesneden beelden niet voor onrein willen houden, dan zal God het doen", Jesaja 30:22. Dat de dode lichamen voor hen geworpen worden, als in de drek, betekent, dat het maar drekgoden waren.
b. Zo werd beduid, dat het maar levenloze dingen waren ongeschikt om mededingers te zijn van "de levenden God, " want de dode lichamen, "die ogen hebben en zien niet, oren en horen niet, waren het meest geschikte gezelschap voor hen."
c. Zo werd de afgoden hun onbekwaamheid verweten om hun aanbidders te helpen, en de afgodendienaars, dat zij op hen vertrouwden, want, het schijnt wel, dat zij door het zwaard des vijands vielen, terwijl zij voor hun afgoden knielden om hun hulp af te smeken en zich onder hun bescherming te plaatsen. Sanherib werd door zijn zonen gedood, terwijl hij zich nederboog in het huis van zijn god.
d. Aan deze omstandigheid van de straf kon men de zonde herkennen, de verslagenen zullen voor hun drekgoden liggen, om te tonen, dat zij daarom verslagen zijn, omdat zij die afgoden aanbaden, zie Jeremia 8:1, 2. De overlevenden mogen het zien, en zich laten waarschuwen de beelden niet te dienen, zij moeten het zien en weten, "dat de Heere God is, dat Hij, de Heere, God is en Hij alleen."