40. Zie dan toe, dat gij het, de kandelaar, evenals de tafel en de Ark, maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is.
De kandelaar is de Kerk, in gemeenschap met haar heerlijk hoofd Christus, Die tegelijk haar Profeet is, Christus is de hoofdschacht, de gelovigen zijn de rieten die daaruit voortschieten. Op zichzelf is de Kerk duister; maar een en dezelfde olie vervult alle lampjes en doet ze lichten; de olie is de Heilige Geest, in Christus wonende zonder mate, en aan alle gelovigen meegedeeld, opdat Christus hun licht zou zijn, en opdat zij ook tevens als lichten zouden schijnen in het midden van een krom en verdraaid geslacht. De schalen, bloemen en knopen tonen bovendien duidelijk, hoe Christus als Profeet niet slechts het nodige, maar ook het overvloedige licht voor Zijn volk is, tot ontdekking van de heerlijkheid van de Heere, diens deugden, vriendelijk aangezicht en beminnelijke dienst..
De kandelaar met zijn zeven rieten en zijn gedurig licht door middel van reine olie, waardoor de priesters in staat waren, om niet alleen de heilige diensten te verrichten, maar ook om met genoegen en verwondering te aanschouwen het heerlijke en prachtige, dat in de Tabernakel gevonden werd, daardoor werd aangewezen: 1e. Hoe de Geest van Christus, bij zeven lampen vergeleken (Openbaring :4) volstrekt nodig was, om al die dingen en hetgeen verder aan de plechtige schaduwdienst vast was, recht en in haar wezenlijke betekenis te beschouwen, zoals daardoor werd afgebeeld het lijden, dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende. (1 Petrus 1:11,12). 2e. Voor zover de kandelaar de heilige olie (waardoor vervolgens de gaven van de Heilige Geest betekend werden) in zich bevatten en deze aan de rieten ten wederzijden mededeelden, die geen olie hadden, dan die hen uit het lichaam van de kandelaar werd meegedeeld, zo was zulks een zinneprent van Christus de fontein van al het geestelijke licht (Efeze1:17,19), die leende de gaven van Zijn Geest aan al zijn dienaren, waardoor zij bekwaam werden om tot verlichting te zijn van Gods kerk.
De kandelaar diende om te verlichten, omdat in het Heilige geen licht binnendrong dan het weinige door het voorhangsel..