Ezechiël 8:1-6
Ezechiël was nu te Babel, maar de boodschappen van toorn, die hij in de voorgaande hoofdstukken had overgebracht, hadden betrekking op Jeruzalem, want al naardat hij vrede of geen vrede had, verwachtten de gevangenen vrede of onvrede voor zich, en daarom heeft hij hier een visioen, van wat te Jeruzalem gedaan werd, en dit visioen wordt voortgezet tot het slot van het elfde hoofdstuk.
I. Hier is het tijdstip van dit visioen. Het eerste visioen, dat hij had, was in het vijfde jaar van de wegroering, in de vierde maand, en op de vijfden van die maand, Hoofdstuk 1:1, 2. Dit was juist veertien maanden later. Misschien was het, nadat hij driehonderd negentig dagen op zijn linkerzijde had gelegen, om de ongerechtigheid van Israël te dragen, en voordat hij veertig dagen op zijn rechterzijde begon te liggen, om de ongerechtigheid van Juda te dragen, want nu zat hij in huis en lag niet langer. God houdt een bijzondere aantekening van de boodschapper, die Hij ons zendt, omdat Hij ons binnenkort daarover ter verantwoording roepen zal.
II. Zowel de gelegenheid als de tijd wordt vermeld.
1. De profeet zat zelf in zijn huis, in een bezadigde, rustige stemming, misschien verdiept in overpeinzing. Hoe meer wij ons van de wereld terugtrekken, en tot onszelf inkeren zoveel beter zijn wij gestemd voor gemeenschap met God: die zich neerzetten om te overdenken wat zij geleerd hebben, hun zal meer geleerd worden. Of, hij zat in zijn huis, gereed om te prediken tot het gezelschap, dat bij hem was, maar wachtende op een ingeving om te spreken. God geeft meer kennis aan hen, die anderen mededelen wat zij weten.
2. De oudsten van Juda, die nu bij hem in gevangenschap waren, zaten voor zijn aangezicht. Waarschijnlijk was het op een Sabbatdag, en even waarschijnlijk waren zij gewoon iedere Sabbatdag tot de profeet te gaan, beide om van hem het woord te horen en zich met hem te verenigen in gebed en dankzegging, en hoe konden zij de Sabbat beter doorbrengen, nu zij geen tempel en geen synagoge, geen priester en geen altaar meer hadden? Het was een grote gunst, dat zij gelegenheid hadden die zo goed door te brengen, zoals de goede mensen in Eliza's tijd, 2 Koningen 4:23.. Maar sommigen menen, dat het bij een buitengewone gelegenheid was, dat zij bij hem waren om de Heere te vragen, en aan zijn voeten zaten om zijn woord te horen.
a. Toen de wet vergaan was van de priester te Jeruzalem, wiens lippen wetenschap bewaren moesten hoofdst. 7:26, hadden die te Babel een profeet om te raadplegen. God is niet gebonden aan plaatsen of personen.
b. Nu de oudsten van Juda in gevangenschap waren, toonden zij meer eerbied voor Gods profeten, en Zijn woord in hun mond, dan zij deden, toen zij in vrede in hun eigen land woonden. "Als God iemand in banden van ellende brengt, dan openbaart Hij het voor hunlieder oor ter tucht," Job 36:8, vers 10 Psalm. 147:Die het gezicht versmaadden in "het dal des gezichts, waardeerden het, nu het Woord des Heeren daar, en er geen openbaar gezicht was."
c. Als onze leraars in `t nauw gedreven en gedwongen zijn, om in particuliere huizen te prediken, moeten wij daar met aandacht naar hen luisteren. Het huis van een predikant moet voor al zijn naburen een kerk zijn. Paulus predikte in zijn eigen gehuurde woning te Rome, en God erkende hem daar, en hij predikte onverhinderd. III. De profeet was nu onder goddelijken invloed en leiding: "De hand des Heeren viel daar over mij". Gods hand greep hem aan, en hield hem vast als `t ware om hem in dit visioen in te leiden, maar tegelijkertijd om hem te ondersteunen om het te verdragen.
IV. Het visioen, dat de profeet zag, vers 2. Hij zag een gelijkenis, van een mens, mogen wij veronderstellen, want dat was de gelijkenis die hij tevoren zag, maar alles was vuur van Zijn lendenen en nederwaarts en alles klaarheid opwaarts, vuur en vlam. Dit stemt overeen met de beschrijving van de verschijning, die hij te voren gezien had, Hoofdstuk 1:27. Het is waarschijnlijk, dat het dezelfde persoon was de mens Jezus Christus. Het is waarschijnlijk, dat de oudsten, die bij hem zaten (zoals de mannen, die met Paulus reisden) een licht zagen en bevreesd waren, en het geluk van dit gezicht viel hun te beurt, door een bijzondere samenkomst bij de profeet bij te wonen, maar zij zagen niet duidelijk Hem, die tot hem sprak, Handelingen 22:9.
V. "De visionaire overbrenging van de profeet naar Jeruzalem. De verschijning, die hij zag, stak de gelijkenis van een hand uit, die hem bij het haar van zijn hoofd nam, en die hand was de Geest, want de Geest van God wordt de vinger Gods genoemd. Of wel, de Geest, die in hem was, voerde hem op, zodat hij door een innerlijk beginsel en niet door uiterlijke kracht gedragen en verplaatst werd. Een getrouwe knecht van God, die altijd bereid is, wordt als aan een haar, door het geringste teken van de goddelijken wil, tot zijn plicht gebracht, want hij heeft in zich, wat hem neigt tot gehoorzaamheid daaraan", Psalm 27:8. "Hij werd wonderbaarlijk tussen de aarde en tussen de hemel opgevoerd, alsof hij zou wegvliegen op arends vleugelen". Het is waarschijnlijk (Grotius denkt dat ook) dat de oudsten, die bij hem zaten, dat zagen, zij waren er getuigen van, "dat de hand hem bij het haar van zijn hoofd nam, en hem opvoerde, en hem daarna misschien weer neerlegde in geestvervoering of extase, terwijl hij de volgende visioenen had". Of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied zij, wist hij niet, naar wij veronderstellen mogen, evenmin als Paulus in een dergelijk geval, veel minder weten wij het. Zij zijn het beste toebereid voor gemeenschap met God en de mededeling van goddelijk licht, die door goddelijke genade boven de aarde en al wat aards is verheven zijn, zodat zij buiten de aantrekkingskracht er van zijn. Maar, opgevoerd zijnde, werd hij in het visioen naar Jeruzalem en Gods heiligdom aldaar, gebracht, want die naar de hemel willen gaan, moeten die weg volgen. De Geest stelde aan zijn verbeelding de stad en de tempel even duidelijk voor, alsof hij daar in persoon geweest was. O, dat wij door het geloof aldus Jeruzalem konden binnengaan, de heilige stad daarboven, en de dingen zien, die onzienlijk zijn!
Vl. De ontdekkingen, die hem daar gedaan werden
1. Daar zag hij de heerlijkheid Gods, vers 4 :En zie, de heerlijkheid van de God Israëls was aldaar, dezelfde verschijning van de dieren en van de raderen en van de troon, die hij gezien had, Hoofdst.1. Vooral, waar Gods knechten zijn en waar ze heengaan, behoren zij met zich te nemen een gelovig verlangen naar de heerlijkheid Gods, die zij altijd voor ogen moeten hebben, en die Gods macht en heerlijkheid in `t heiligdom gezien hebben, zullen verlangen, die weer te zien, zoals zij die gezien hebben, Psalm 63:2. Ezechiël ontvangt dit herhaalde visioen van de heerlijkheid Gods, beide, om de volgende openbaringen te doen geloven, en om ze ere te geven. Maar de bedoeling schijnt nog verder te gaan, het was om de zonde van Israël te bezwaren, de zonde namelijk van drekgoden, schandelijke goden, valse goden, die in `t geheel geen goden waren, in de plaats te stellen van hun eigen God, de God van Israël (die een God van zo grote heerlijkheid is, als uit deze verschijning blijkt). Hoe heerlijker wij zien, dat God is, des te hatelijker zullen wij zien, dat de zonde is, in `t bijzonder de afgoderij die Zijn waarheid in leugen verkeert, Zijn heerlijkheid in schande. Het was ook om hun naderende ellende te verzwaren, als de heerlijkheid des Heeren van hen weg zou gaan, Hoofdstuk 11:23, en het huis en de stad woest laten.
2. Daar zag hij de smaad van Israël-en dat was het beeld van de ijvering, tegen het noorden aan de poort van het altaar, vers 3,5. Wat voor een beeld het was, is niet zeker, waarschijnlijk een beeld van Baäl, of van het bos, dat Manasse maakte en in de tempel plaatste, 2 Koningen 27:7, 2 Kronieken 33:3, dat Josia verwijderde, maar zijn opvolgers, naar `t schijnt, daar weer plaatsten, zoals zij waarschijnlijk deden, "met de wapenen van de zon, die hij vond aan de ingang van het huis des Heeren," 2 Koningen 23:11 en van dit wordt gezegd, dat het stond in de ingang. Maar in plaats van ons te zeggen wat voor een beeld het was, wat een voldoening zou zijn voor onze nieuwsgierigheid, noemt de profeet het het beeld van de ijvering, om ons geweten te overtuigen, dat, welk het dan ook was, het in de hoogste mate ergerlijk was voor God en Hem tot toorn maakte. Hij was er door gekrenkt, zoals een man zich gekrenkt zou gevoelen door de hoererij van zijn vrouw, en zou er zich zeker over wreken, want "een ijverig God en een wreker is de Heere", Nahum 1:2.
A. Het oprichten van dit beeld in het huis des Heeren was op zich zelf voldoende om "de Heere tot toorn te verwekken, want in zake Zijn dienst wordt ons nadrukkelijk gezegd: Ik de Heere Uw God ben een naijverig God." Zij, die dit beeld opgericht hadden bij de deur van de poort van het binnenste voorhof, waar het volk bijeenkwam de poort van het altaar genoemd, vers 5 bedoelden daarmee klaarblijkelijk,
a. God te tergen, Hem in Zijn aangezicht te beledigen, door Hem een afgod als mededinger te geven voor de verering van Zijn volk, met verachting van Zijn wet, en Zijn gerechtigheid ten spijt.
b. Het volk te verleiden, als zij de hoven van het huis des Heeren binnentraden om Hem te offeren, en hen over te halen hun offers aan dit beeld te brengen, zoals de echtbreekster, die Salomo beschrijft, die "aan de deur van haar huis zit om te roepen degenen, die op de weg voorbijgaan, die hun paden recht maken. Wie is onwijs? HU kere zich herwaarts," Spreuk. 9:14-16. Om goede redenen is het beeld daarom het beeld van de ijvering genoemd.
B. Wij kunnen ons wel voorstellen wat een verrassing en smart het voor Ezechiël was om dit beeld in het huis Gods te zien terwijl hij in de hoop leefde, dat de oordelen waaronder zij gebukt gingen, te deze tijde enige verbetering onder hen zou gewerkt hebben, maar er is meer goddeloosheid in de wereld en in de kerk dan goede mensen denken, dat er is. En nu,
a. Vraagt God hen of dit niet erg genoeg is, en of het geen voldoende reden is voor God om voort te gaan Zijn volk weg te werpen en tot hun verderf te verlaten. Kon hij, of iemand anders, iets anders verwachten, dan dat God verre van Zijn heiligdom weggaan zou, als daar zulke gruwelen geschiedden, ja op diezelfde plaats, werd Hij eigenlijk niet vandaar verdreven? Zij deden deze dingen opzettelijk en met de bedoeling, dat Hij Zijn heiligdom verlaten zou, en dat zal hun vonnis zijn, zij hebben daardoor metterdaad, evenals de Gadarenen, verzocht, dat Hij van hun landpalen wegging, en daarom zal Hij weggaan, Hij zal Zijn heiligdom niet meer waardig maken en beschermen, zoals Hij gedaan heeft, maar zal het overgeven tot smaadheid en verwoesting. Maar, b. Al is dit erg genoeg, en ruim voldoende om God te rechtvaardigen in al wat Hij over hen brengt, toch zal blijken, dat er nog veel erger is: maar gij zult tot uw verbazing nog wederom grote gruwelen zien. Waar een gruwel is, daar zullen er nog veel meer gevonden worden. De zonde komt nooit alleen.