1. In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering1), welke met de wegvoering van Jojachin (
Hoofdstuk 1:2) begint, dus in het jaar 574 v. C. in het begin des jaars, op den tienden der maand 2), waarmee volgens
Exodus 12:2 het kerkelijk jaar begint, dus van Abib of Nisan, overeenkomende met het einde van Maart of het begin van April, d. i. in het veertiende jaar, nadat op den 10den der 10de maand in het jaar 588, de stad geslagen was, even op dienzelfden dag, namelijk wederom op den tienden van ene maand, was de hand des HEEREN op mij, en bracht mij in een toestand van verrukking (
Hoofdstuk 1:3;
8:1;
37:1 en Hij bracht mij in den Geest derwaarts, op de plaats der veroverde en verbrande stad.
1) Hoewel in veel lateren tijd vervaardigd (vgl. Hoofdstuk 33:21), hangt toch het voor ons liggend gedeelte nauwkeurig met het vorige zamen. Geruimen tijd had de verkondiging van den Profeet gezwegen, maar wat hij bij het begin zijner nieuwe werkzaamheid na de verwoesting van Jeruzalem had uitgesproken, leefde in zijne ziel krachtig voort. Toen had hij den zegen Israëls volgens zijn grond en de wezenlijke punten van zijne gesteldheid verkondigd, maar er bleef nog over de nadere wording van dezen zegen voor en in Israël te ontwikkelen dit maakt den inhoud van het slot zijner voorzeggingen uit.
Het grote beeld der toekomst dat wij hier lezen, behoort tot het einde van Ezechiëls profetische werkzaamheid. De enige voorzegging van lateren datum, welke zich in de verzameling bevindt, die in Hoofdstuk 29:17, welke het 27ste jaar der ballingschap noemt, terwijl de onze uit het 28ste jaar dateert, draagt geen zelfstandig karakter, maar daarin wordt slechts ene vroegere voorzegging opgenomen in een tijd, toen de vervulling reeds nabij was.
In de eerste tijdbepaling: "in het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, " is ene uitdrukkelijk letten op Ezechiel 1:1, niet te miskennen. Zakelijk is daardoor aangewezen, dat zowel de heerlijkheid van Jehova hare volmaking viert in de heerlijkheid van Zijn rijk, als ook dat de Goddelijke zending van Ezechiël nu gekomen is tot het slot, dat met haar begin overeenstemt.
De maand behoefde niet nader te worden aangewezen; uit het "in het begin des jaars" bleek van zelf, dat alleen aan de eerste maand kon gedacht worden. Dat ook de dag van meer betekenis voor de zaak is, blijkt reeds uit de overeenkomst met Exodus 12:2, 3, waar eveneens van den 10den dag der eerste maand sprake is, en wordt bevestigd door het "even op dien zelfden dag. " Waarin dat opmerkelijke bestond, zal niet moeilijk zijn te bepalen; op den dag, toen eens in Egypte het pascha werd ingesteld, het volk als het ware werd ingeleid in het heiligdom der nabijzijnde verlossing, den dag, waarop door zo vele eeuwen heen de nieuwe verzegeling van Gods verlossende genade plechtig werd aangekondigd, moest de smart over de wegvoering des volks en de verwoesting van stad en tempel, en daarmee het ophouden van de aan den tempel verbondene feestviering, sterk doen toenemen. Dit moest ook tevens de hoop op de verlossing in de gelovige gemoederen krachtig verheffen, daar dezelfde God als van ouds nog leefde, die in deze verlossing van den vroegeren tijd aan Zijn volk een onderpand gegeven had van de verlossing uit alle latere ellenden. Deze dag was ook overigens bijzonder geschikt voor de nieuwe verzekering der verlossende genade, welke het volk hier door Ezechiël zou deelachtig worden. De dag komt overigens als van bijzondere betekenis voor; op den tienden der eerste maand werd volgens Jozua 4:19 het volk op wonderbare wijze door den Jordaan gevoerd; op dien zelfden dag had ook de plechtige intocht van Christus in Jeruzalem plaats, de stichting van Zijn rijk, dat Hij door sterven en door bloedstorting Zich wilde verwerven.
Was ook de tiende dag een dag van treurige herinnering voor Israël in zijn smaad, daar op enen tienden (niet van de 1ste, maar van de 5de maand Jeremia 52:12) het huis des Heeren verbrand was, en in `t bijzonder voor den Profeet een dag van tranen en van boete en van gebed, zo ontvingen zij toch tevens een rijken troost, en juist in de nauwkeurige overeenkomst van den dag ene vaste verzekering der vervulling. Hij ziet den tempel in de heerlijkste pracht voor zich de ene stad in het zuiden uitgebreid en Jeruzalem heerlijker en machtiger dan ooit te voren, en rondom het land der vaderen in grote uitgebreidheid op nieuw onder de stammen verdeeld-een bijzonder troostvol gezicht. 2. In de gezichten Gods, even als in Hoofdstuk 8:3, voerde Hij mij daarheen, en bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij in geestelijken zin op enen zeer hogen berg, den tempelberg (Hoofdstuk 17:22 v. Jesaja 2:2. Micha 4; 1), en daaraan was; wat mij, die uit Chaldea daarheen gebracht, en dus mijne standplaats aan de noordzijde had, spoedig in `t oog viel, als een gebouw ener stad tegen het zuiden. Daaraan geleek de nieuw gebouwde tempel met zijne voorhoven en ringmuren.
Dat de berg geen andere was dan de berg, op welken het heiligdom des gezichts lag, blijkt uit het volgende. Uit het "derwaarts" in Vers 1 blijkt, dat deze berg ook in verband stond met den tempelberg. Wanneer toch het bepalend lidwoord ontbreekt, zo is daardoor aangeduid, dat deze berg de oude tempelberg, en toch ook weer niet deze oude tempelberg, maar een nieuwe berg was. Dat is nog duidelijker daardoor uitgesproken, dat deze berg een "zeer hoge" was. De oude tempelberg was geenszins zo te noemen, en in geen geval zal aan Ezechiël kunnen worden toegedicht, dat hij zou hebben aangenomen, dat, wanneer Israël uit de ballingschap zou terugkeren, en stad en heiligdom herbouwen, Moria dan in een zeer hogen berg zou veranderd worden. Dus reeds daaruit, dat de Profeet den tempelberg als een zeer hogen berg ziet, is duidelijk, dat, wat hem in dit gezicht werd getoond, niet maar de herstelling van Israël uit de Babylonische ballingschap zijn kan, zo als die door Zerubbabel verwezenlijkt werd. Integendeel worden wij door dezen hogen berg onmiddellijk tot de profetie in Hoofdstuk 17:22 vv. teruggevoerd-de Profeet ziet in een tijd en in ene geschiedenis, waarin het heiligdom van Israël, de plaats der Goddelijke openbaring, op een hogen berg zal liggen, zichtbaar voor de gehele wereld, en invloed uitoefenende op alle volken. In welken tijd het zijn zal, dat deze geschiedenis zal plaats hebben, zullen wij later moeten zien.