2. En Hij, de Heere, die hier niet eveneens als in
Hoofdstuk 1:26, op den troon zat, maar als in
Hoofdstuk 9:3 op den drempel aan het huis stond, sprak tot den man, bekleed met linnen, en Hij zei, toen deze hem het bericht in
Hoofdstuk 9:11 had gegeven: Ga in tot tussen de wielen, tot onder den Cherub 1) (
Hoofdstuk 1:15), en vul uwe vuisten met vurige kolen van tussen de Cherubs (
Hoofdstuk 1:13), en strooi ze over de stad; en hij, de man in het linnen, ging in tussen de raderen onder den Cherub op de
Vers 6,
7 genoemde wijze, voor mijne ogen.
1) In plaats van de levende wezens stelt hij nu de Cherubim. Het is echter niet twijfelachtig of die levende wezens, waarover Hij te voren heeft gesproken, zijn Cherubim geweest. Maar dewijl nu het visioen in den tempel wordt waargenomen, begint God Zijn knecht gemeenzamer te openbaren wat te voren te duister was. Hij nu had aan de rivier Chebar vier levende wezens gezien, dus in een profane landstreek. Waar dus de ballingen, Joden en Israëlieten, verre van den tempel waren, is het niet te verwonderen, indien Hij aan Zijn Profeet niet zo bepaald verscheen, evenals Hij het nu doet, waar deze in den tempel is overgebracht. Ofschoon nu de Profeet de plaats niet verwisseld heeft, scheen hij echter niet te vergeefs naar Jeruzalem te zijn overgebracht om te zien wat in den tempel plaats had. Dit is de reden waarom hij nu Cherubim noemt, die hij vroeger eenvoudig levende wezens heeft geheten.
Die Ezechiël in Hoofdstuk 1:5, als dieren of levende wezens heeft voorgesteld, noemt hij nu Cberubim; want door het hier voor ons liggende gezicht is hem duidelijk geworden dat die dieren of levende wezens dezelfde zijn als de Cherubim boren de Arke des verbonds in het Allerheilige des tempel, (Hoofdstuk 9:3), en in Vers 15, 20, 22 drukt hij er uitdrukkelijk op, dat hij nu eerst deze kennis heeft verkregen. Wel wist hij het reeds, dat hij de heerlijkheid des Heeren had gezien, toen hij bij zijne roeping de verschijning aan het water van den Chebar had (1:28); hoe echter deze heerlijkheid in verhouding stond tot die, welke boven de Cherubim in het heiligdom haar troon had (Exodus 25:22. Leviticus 16:1. 1 Koningen 8:10), die vraag kon hij in zijne eigenschap als Profeet, als verkondiger van de Goddelijke openbaring zelf niet oplossen, al vermoedde hij die. Eerst moest hem in een gezicht worden getoond, dat de heerlijkheid des Heeren hare rustplaats boven de Arke des verbonds had verlaten en van daar heenging, om zich naar het land der ellende, tot de gevangenen aan den Chebar te begeven en van daar uit haar verder werk te volbrengen. Eigenlijk is, dat heengaan reeds geschied: want aan de wateren van den Chebar heeft de Profeet eerst de heerlijkheid des Heeren aanschouwd (Hoofdstuk 1); van daar heeft zij hem in den voorhof des tempels geleid, toen des Heeren hand hem naar Jeruzalem ontvoerde (Hoofdstuk 8), aan het huis kenbaar gemaakt (Hoofdstuk 9:3), is van hare rustplaats reeds opgestaan en als het ware tot heengaan gereed. De reden daarvan is den Profeet vooraf duidelijk gemaakt, doordat hij in Hoofdstuk 8:5, de gruwelijke ontwijding des tempels tot in zijn binnenste diepten in den gehelen omvang heeft mogen aanschouwen. Nu wordt hem ook getoond, dat het met het in Hoofdstuk 9 aanschouwelijk voorgestelde gericht over het volk in den tempel en in de stad niet genoeg is, maar dat de stad zelf in vuur zal opgaan en het heiligdom zelfs aan de verwoesting zal worden prijs gegeven. Het stoffelijk vuur, dat de stad doet afbranden wordt door de Chaldeën veroorzaakt; zij zijn het, die de verwoesting van Jeruzalem te kreeg brengen, doch achter hen stond een ander, dat is God, die den Zoon het gehele oordeel heeft overgegeven (Joh 5:22). Deze waarheid wordt voorgesteld door de medegedeelde in Vers 2, en zeer juist maakt de Tübinger Bibel hier de opmerking: "Christus, de Messias is niet alleen Rechter geweest in de laatste verwoesting van Jeruzalem, maar ook in de eerste. " Wat de ene omstandigheid aangaat, dat Ezechiël op de Profeten Jesaja en Jeremia volgt, zo schrijft Baumgarten: Gelijk Jesaja de roeping heeft, het woord van Jehova tot Israël te brengen in een tijd, toen de noodzakelijkheid van het over hen besloten gericht der ballingschap openlijk was gebleken, en Jeremia het profetenambt waarnam toen deze grote en vreselijke omkering over de stad Jeruzalem en het huis van David kwam, zo heeft Ezechiël de roeping om het weerspannige huis van Israël in zijnen duizendjarigen beproevingstijd in de woestijn der heidenen persoonlijk in te leiden. " Wat de tweede omstandigheid aangaat, dat bij onzen Profeet de dode figuren der Cherubs bij de arke des verbonds (Exodus 25:18) tot levende wezens zijn gemaakt, zegt Coccejus: "God woont dus niet in eigenlijken zin tussen de Cherubim, waarin geen leven is, gene geestkracht, gene beweging, maar tussen de Cherubim, d. i. die levende zijn, die ogen hebben om te zien, die het licht der waarheid en het vuur der liefde in zich hebben, dus God verheerlijken; waar dat geschiedt, daar is Gods woning, Zijn heilige tempel, Zijne heerlijke tegenwoordigheid. " Het Bijbelwerk van Bunsen merkt op: "De tijd der geestelijke erkentenis en verering van God nadert nu; wat in Johannes 4:21 niet lang vóór de verwoesting van den tweeden tempel werd verkondigd, daarvan vinden wij hier reeds een voorgevoel. " .