Ezechiël 36:1-15
De profeet was bevolen zijn aangezicht te zetten tegen de bergen Israëls en tegen deze te profeteren, Hoofdstuk 6:2. Toen maakte God Zich op om met Zijn volk te twisten, maar nu God in genade tot hen terugkeert, moet hij goede woorden en troostrijke woorden tot deze bergen spreken, vers 1, en wederom vers 4. Gij bergen Israëls, hoort het woord des Heren en wat Hij tot deze zegt, dat zegt Hij ook tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlatene steden, vers 4 en wederom vers 6. De mensen waren weg, sommigen hier- en anderen daarheen, er was niets om tegen te spreken dan de plaatsen, de bergen en de dalen, deze konden de Chaldeën niet met zich meenemen. De aarde staat in der eeuwigheid. Om nu de genade te tonen, die God voor Zijn volk bewaard had, moet hij van Hem spreken als van Eén, die een stille vriendelijkheid voor de plaats heeft, en als het de Here behaagd had, die voor altijd te verlaten, dan zou Hij ze niet opgeroepen hebben, des Heren woord te horen, ook zou Hij ze niet zulke dingen als deze getoond hebben, zoals te deze tijde. Hier is
I. De meedogende kennis, die God neemt van de tegenwoordige jammerlijke toestand van het land Israëls. Het is beide een roof en een spot geworden voor de heidenen, die rondom zijn, vers 4.
1. Het is hun tot een prooi geworden, en zij zijn allen verrijkt door de buit. Toen de Chaldeën hen overwonnen hadden, snelden al hun naburen naar de buit als naar een gestrand schip, en ieder maakte zich meester van `t geen, waar hij zijn hand op leggen kon, vers 3 :Men heeft u van rondom verwoest en opgeslokt, opdat gij voor het overblijfsel van de heidenen ten erve zoudt zijn, voor degenen, die zelf ternauwernood aan dezelfde verwoesting ontsnapt waren. Niemand vond het een misdaad een Israëliet te plunderen. (Turba Romane sequitur fortunam ut semper-het gepeupel van Rome aanbidt het geluk en veracht het ongeluk). Als iemand gevallen is, is de gewone kreet: "Weg met hem."
2. Het is hun tot een spot geworden. Zij namen hun alles af en bespotten hen dan. "De vijand zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden, vers 2. Noch de oudheid, noch de waardigheid, noch de heiligheid, noch de vestingen van het land Israël zijn zijn bescherming, maar wij zijn meester van dat alles geworden." Met hoe meer eer dat land versierd was, en hoe aanzienlijker de plaats was, die het onder de volken ingenomen had, des te meer trots en genoegen hadden zij erin het tot hun roof te maken, wat een teken is van een laffe en laaghartige inborst, want hoe heerlijker de voorspoed was, zoveel treuriger was de tegenspoed. God neemt er hier kennis van als een verzwaring van de tegenwoordige ellende Israëls: Gij zijt gebracht op de klapachtige lip en in opspraak des volks, vers 3. De vernietiging van het Joodse volk was bij de volken rondom in ieders mond, en ieder, die er van sprak, had een of andere hatelijke, boosaardige opmerking te maken. "Zij waren de spot van de weelderigen, de verachting van de hovaardigen," Psalm 123:4. Er zijn er, die bekend staan als klapachtig, die van iedereen iets te zeggen hebben, maar het niet over zich kunnen krijgen van iemand iets goeds te zeggen, onderdezulken moest Gods volk wel een smaad worden, toen de kroon hun van het hoofd gevallen was. Zo was het het lot van het christendom, in de dagen van zijn lijden overal tegengesproken te worden.
II. De uitingen van Gods rechtvaardig misnoegen tegen degenen, die triomfeerden in de verwoestingen van het land Israëls, zoals velen van zijn naburen deden, het overblijfsel van de heidenen, en Idumea in het bijzonder. Laat ons zien, 1. Hoe zij handelden met het Israël Gods. Zij maten grote stukken lands voor zichzelf uit hun land, uit Gods land. want dat was het inderdaad: "Zij hebben Mijn land zichzelf ten erve gegeven, vers 5, en zo maakten zij niet alleen inbreuk op het eigendom van hun buurman, maar schonden Gods koninklijke voorrechten." Het was het heilige land, waaraan zij hun schendende hand sloegen. Zij erkenden geen afhankelijkheid van God, als de God des lands, ook erkenden zij niet, dat Israël recht bleef houden op het land maar het was hun tot roof, alsof zij het rechtens in de oorlog veroverd hadden. En dat deden zij zonder enige vrees voor God en Zijn oordelen en zonder enig meedogen voor Israël en zijn rampen maar met blijdschap van het hele hart, omdat zij er bij wonnen, en met een boosaardig gemoed tegen Israël, dat er bij verloor. Het toenemen des rijkdoms door recht of onrecht, is de enige blijdschap van een werelds hart, en de rampen van Gods volk zijn de enige blijdschap van een boosaardig gemoed. En die geen gelegenheid hadden om Gods volk tot een roof te maken, maakten hen tot een smaad, zodat zij de smaad van de heidenen waren, vers 6. Iedereen bespotte en belachtte hen, en de waarheid is, dat zij zich door hun zonde zelf verachtelijk hadden gemaakt, zodat God hierin rechtvaardig was, maar de mensen waren onrechtvaardig en zeer wreed.
2. Hoe God zal handelen met degenen, die Zijn volk met woorden en daden zo mishandelden. Hij heeft gesproken tegen de heidenen, Hij heeft het vonnis over hen geveld, Hij heeft besloten daarom met hen af te rekenen, en dat in het vuur van Zijn ijver, beide voor Zijn eigen eer en de eer van Zijn volk, vers 5. Daar Hij voor beide een liefde, sterk als de dood, heeft, heeft Hij voor beide een ijver, vreselijk als het graf. Zij spraken in hun boosheid tegen Gods volk en Hij zal in Zijn ijver tegen hen spreken, en het is gemakkelijk te zeggen, wie op de krachtigste wijze spreken zal. God zal spreken in Zijn ijver en in Zijn grimmigheid, vers 6. Bij God is geen grimmigheid, maar Hij zal Zijn macht tegen hen uitoefenen en hen even streng behandelen, als mensen in hun grimmigheid doen. Hij zal tot hen spreken in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid zal Hij ze verschrikken. Wat Hij zegt, dat zal Hij doen, want Hij bevestigt het met een eed. Hij heeft Zijn hand opgeheven en gezworen bij Zichzelf, Hij heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen. En wat is het, dat met zoveel hittigheid gezegd wordt, en toch met zoveel vastberadenheid? Het is dit, vers 7 :Zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen. De rechtvaardige God, Wien de wrake toekomt, zal schande met schande vergelden. Die Gods volk verachting en smaad aandoen, zullen vroeger of later hetzelfde ondervinden, misschien in deze wereld (hun dwaasheden of hun rampen, hun wangedrag of hun ongeluk zal hun smaad zijn), maar op zijn laatst opdien dag, als alle onboetvaardigen zullen ontwaken tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing.
III. De beloften van Gods gunst aan Zijn Israël en de verzekering van de grote genade, die Hij voor hen bewaard heeft. God neemt aanleiding uit de woede en onbeschaamdheid van hun vijanden om te meer belangstelling in hen te tonen, en bereidheid om hun goed te doen, zoals David hoopte, dat God hem belonen zou, omdat Simeï hem gevloekt had. "Laat ze vloeken, maar zegen Gij." Op deze wijze en op andere manieren, doen de vijanden van Gods volk hun werkelijk dienst, zelfs door het onrecht, dat zij hun aandoen, tegen hun wil en bedoeling. Wij zullen geen reden hebben om ons te beklagen, hoe onvriendelijker de mensen zijn, zoveel vriendelijker is God-hoe vriendelijker Hij tot ons spreekt door Zijn woord en Geest, zoveel vriendelijker handelt Hij voor ons door Zijn leiding. De profeet moet thans tot de bergen Israëls, die nu verwoest en tot een spot zijn, zeggen, dat God bij hen is en hen zal aanzien, vers 9. Evenals de vloek van God om de mens de grond treft, zo wordt hij ook door de zegen bereikt. Hetgeen beloofd wordt, is, 1. Dat de rechtmatige eigenaars in hun bezitting zullen terugkeren: Mijn volk Israëls nadert te komen, vers 8. Hoewel zij op grote afstand zijn van hun eigen land, hoewel zij in vele landen verstrooid zijn, en hoewel zij door de macht hunner vijanden opgehouden worden, toch "zullen zij wederkomen tot hun landpale", Jeremia 31:17. De tijd van hun terugkomst nadert. Hoewel nog veertig jaar van de zeventig overbleef (misschien vijftig), wordt er over gesproken, alsof zij nabij is, omdat zij zeker is, en er waren er onder hen, die het beleven zouden. Duizend jaren zijn bij God als één dag. De bergen Israëls zijn nu verwoest, maar God zal mensen op hen doen wandelen, namelijk Zijn volk Israël, niet als reizigers, die daar passeren, maar als inwoners, - niet als pachters, maar als eigenaars: Die zullen u bezitten, niet voor een bepaalde tijd, maar voor zichzelf en hun erfgenamen, "Gij zult hen ter erfenis zijn." Het was een type van het hemelse Kanaän, waarvan al Gods kinderen erfgenamen zijn, in werkelijkheid iedere Israëliet, en waar zij binnen kort allen tezamen gebracht zullen worden uit de landen, waarin zij nu verstrooid zijn.
2. Dat zij een overvloedige, weelderige opbrengst zullen leveren aan hun teruggekeerde eigenaars. Wanneer het land aan zijn Sabbaten een welgevallen heeft gehad, zoveel jaren achtereen, dan zal het daarna zoveel te vruchtbaarder zijn, zoals wij ook behoren te zijn, na de rust, in `t bijzonder na een Sabbatsrust: Gij zult gebouwd en bezaaid worden, vers 9, en zult uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, vers 8. Het is een zegen voor de aarde, als zij dienstbaar gemaakt wordt aan de mensen, in `t bijzonder aan goede mensen, die God met blijmoedigheid willen dienen, in het gebruik van die goede dingen, die de aarde hun oplevert.
3. Dat het volk Israëls niet alleen een rijk bestaan, maar ook een aangename woonplaats hebben zal in zijn eigen land: De steden zullen bewoond, de eenzame plaatsen bebouwd worden, vers 10. En Ik zal u doen bewonen als in uw vorige tijden, vers 11. Hun eigen zonde had hen verdreven, maar nu zal Gods gunst hen daar opnieuw doen wonen. Als de verloren zoon berouw heeft gekregen, wordt hij opnieuw in Zijns vaders huis ingeburgerd, als in zijn vorige tijd. "Breng hier het beste kleed, en doe het hem aan". Ja, Ik zal het beter maken dan in uw eerste tijden. Er is meer blijdschap over het schaap dat teruggebracht is, dan er geweest zou zijn, als het nooit verdwaald was. En soms vermenigvuldigt God de vertroostingen van Zijn volk naar verhouding van de tijd, dat Hij ons gedrukt heeft. Zo zegende God het laatste: van Job meer dan zijn eerste en gaf hem het dubbele van wat hij gehad had.
4. Dat het volk, na zijn terugkeer vruchtbaar zal zijn, vermenigvuldigd worden, en het land vervullen zal, zodat dit niet alleen opnieuw bewoond, maar even dicht bevolkt zal zijn, als vroeger. God zal er wederbrengen het gehele huis Israëls, ja dat geheel (let op de nadruk' die daarop gelegd wordt vers 10), een ieder wiens geest God verwekt om terug te keren, en die alleen werden als het huis Israëls beschouwd, de anderen hadden zichzelf afgesneden, of, hoewel in `t begin, vergelijkenderwijs, maar weinigen terugkeerden, toch keerden later, op verschillende tijdstippen, allen terug, en dan, zegt God, Ik zal mensen vermenigvuldigen, vers 10, mensen en beesten vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden, vers 11. Gods koninkrijk in de wereld is een groeiend koninkrijk, en al kan Zijn kerk een tijd lang minder worden, zij zal zich herstellen, en opnieuw toenemen.
5. Dat de smaad, lang geleden op het land van Israël geworpen, door de boze verspieders dat het een land was, dat zijn inwoners verteert door honger, ziekte en het zwaard, volkomen weggenomen zal worden, en, dat er nooit meer oorzaak voor bestaan zal. Kanaän had een slechten naam gekregen. "Het had van ouds het volk uitgespogen", Leviticus 18:28, namelijk de oorspronkelijke inwoners, de inboorlingen, hetgeen in een smaad verkeerd was door degenen die daarvoor een andere verklaring hadden moeten zoeken, Numeri 13:32. Het had kort geleden de Israëlieten verteerd, en uitgespogen bovendien, zodat het tot een spreekwoord geworden was. Het is een land, dat, in plaats van de volken of stammen, die het bewonen, te onderhouden, hen belooft, opeet, en doet struikelen, het is een huis, dat al zijn huurders tot armoede brengt. Die naam had het onder zijn naburen gekregen, maar God belooft nu, dat het niet meer zo wezen zal: Gij zult ze voortaan niet meer beroven, vers 12, zult niet meer mensen opeten. Maar zijn inwoners zullen een gezegende leeftijd bereiken, en het getal hunner maanden zal niet meer vroegtijdig afgesneden worden. Vergelijk deze belofte met die van Zacheria 8:4. God zal de smaad van Zijn volk wegnemen door weg te nemen, wat er de aanleiding toe was. Als het volk in vrede tot bloei, overvloed en macht wordt gebracht, dan zullen zij de schimp van de heidenen niet meer horen, vers 15, in `t bijzonder, als zij verbeterd zijn, als de zonde, die de smaad van ieder volk is, vooral van Gods gelovig volk, weggenomen is, dan dragen zij niet meer de smaad van de natiën. Als God in genade terugkeert tot een volk, dat in gehoorzaamheid tot Hem terugkeert, zullen al hun bezwaren spoedig uit de weg geruimd zijn en hun eer hersteld.