Ezechiël 37:1-14
Hier ontmoeten wij
I. Het gezicht van een opstanding uit de dood tot het leven, een glorievolle opstanding. Dit is iets, zo totaal onbekend in de natuur en zozeer in strijd met wat men waarneemt (a privatione ad habitum non datur regressus, van gemis is geen terugkeer tot bezit), dat wij er niet aan gedacht zouden hebben zonder het woord des Heren. Maar nu is het zeker, om dat woord, dat er een algemene opstanding van de doden zal zijn, sommigen zien daarvoor een bewijs in dit gezicht. Want, zeggen zij, anders kan het niet als een teken gezet worden ter bevestiging van hun geloof in de belofte van de verlossing uit Babel, gelijk de komst van de Messias wordt vermeld als een bevestiging van hun geloof in een vroegere verlossing, Jesaja 7:14. Maar,
1. Of het daarvan al dan niet een bevestiging is, het is zonder twijfel een zeer levendige voorstelling van een drievoudige opstanding, naast die, waarvan het in de eerste plaats een teken moet zijn.
a. De opstanding van de ziel uit de dood van de zonde tot een leven van rechtvaardigheid, tot een heilig, hemels, geestelijk, goddelijk leven, door de macht van de goddelijke genade, die het woord van Christus verzegelt, Johannes : 24, 25.
b. De opstanding van de Evangelie-kerk of enig gedeelte daarvan, uit een toestand van jammerlijke vervolging, vooral onder het Nieuwtestamentisch Babylon, tot vrijheid en vrede.
c. De opstanding des vleses op de grote dag, vooral de opstanding van de rechtvaardigen tot het eeuwige leven.
2. Laat ons de trekken van dit gezicht nagaan.
A. De droevige toestand van deze dorre beenderen. De profeet moet,
a. ze nauwkeurig bezien. Door profetische aandrang en goddelijke macht, werd hij in de geest uitgevoerd en in het midden van een vallei neer gezet, waarschijnlijk de vlakte, waarvan Hoofdstuk 3:22 gesproken is, waar God tot hem sprak. Ze was vol beenderen, menselijke doodsbeenderen, niet, als in een knekelhuis, opgestapeld maar over de grond verspreid, als ware daar een bloedige veldslag geleverd, totdat al het vlees verteerd of vergaan was en niets dan de geraamten overgebleven, uit elkaar gevallen en verspreid. Hij ging aan die voorbij geheel rondom, en bespeurde niet alleen, dat er zeer vele waren (want menigten waren reeds gegaan tot de vergadering van de doden), maar ook, zie, dat ze zeer dor waren, lange tijd aan zon en wind blootgesteld. "De beenderen, wier merg bevochtigd is, Job 21:24, verliezen, als ze enige tijd dood zijn geweest, al hun vochtigheid en worden droog en dor als stof. Het lichaam is nu met beenderen samengevlochten," Job 10:11, maar daar lagen die beenderen naakt en kaal. De Joden in Babel waren gelijk deze dode, droge beenderen, die wel nimmer zouden samenkomen, zelfs geen geraamte zouden kunnen vormen, veel minder een levend lichaam helpen samenstellen. Zij lagen echter onbegraven in een open vallei, hetgeen de hoop op een opstanding verlevendigde evenals van de twee getuigen, Openbaring 11:8,9. De beenderen van Gog en Magog zullen begraven worden, Hoofdstuk 39:12, 15, want hun verwoesting is het einde, maar de beenderen van Israël liggen in de open vallei, onder het oog des Hemels, want daar is ten laatste hope. b. Hij moest hun geval als droevig leren kennen, waarvoor geen hulp was dan bij God zelf vers 3. "Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? Is dat waarschijnlijk? Kunt gij raden, hoe dat mogelijk is? Kan uw wijsheid een middel vinden om in deze dorre doodsbeenderen leven te gieten, of uw staatkunde om een gevangen volk in vrijheid te stellen?" "Neen", antwoordt de profeet, "ik weet daar heel geen raad op, maar Gij weet het." Hij zegt niet: dat is een onmogelijkheid, want hij kan de macht van de Heilige Israëls niet beperken, maar: "Here, Gij weet, of dat kan en of dat zal geschieden, indien Gij geen leven in deze dorre beenderen stort, is het zeker, dat zij niet leven zullen." Zie, God kent eigen kracht en eigen raadslag volkomenlijk, en wil, dat wij daarop zullen letten, opdat wij zien en erkennen, dat Zijn wonderbare werken zodanig zijn, als geen raad of macht dan Zijn eigene kan tot stand brengen.
B. De middelen, die gebruikt worden om deze verspreide beenderen samen en deze dorre doodsbeenderen tot nieuw leven te brengen. Het moet geschieden door profetie. Ezechiël wordt bevolen, te profeteren over deze beenderen, vers 4, 9, en tot de geest. Dus profeteerde hij, gelijk hem bevolen was, vers 7, 10.
a. Hij meest prediken en deed dat, en de doodsbeenderen herleefden door een macht, die zich met het gepredikte woord Gods paarde.
b. Hij moest bidden en deed dat, en de doodsbeenderen herleefden in antwoord op zijn gebed, want een geest des levens kwam in hen. Zie de invloed van woord en gebed, en de noodzakelijkheid van beide, voor de opwekking van dode zielen. God beveelt Zijn dienaar te profeteren over de dorre beenderen Zeg tot hen: Leeft, ja, hij zei tot hen: Leeft, en zij deden wat hun bevolen was, terwijl hij tot hen zei: "Gij dorre beenderen, hoort des Heren woord." Maar wij roepen tevergeefs, zij blijven dood, zij zijn nog dor. Wij moeten derhalve in volle ernst God bidden om de werking van Zijn Geest met het woord: "Gij Geest, kom aan, en blaas in deze gedoden." Gods genade vermag zielen te redden zonder onze prediking, maar onze prediking kan geen zielen redden zonder Gods genade, en genade moet door het gebed gezocht worden. Zie, predikanten moeten getrouwelijk de middelen van de genade gebruiken, zelfs bij degenen, die heel waarschijnlijk daarvoor niet vatbaar zijn. Over dorre beenderen te profeteren schijnt al even moeilijk of onvruchtbaar als een droge stok te doen groeien, en toch, of ze willen horen of niet, wij moeten onze last volbrengen, profeteren gelijk ons bevolen wordt, in de naam van Hem, die de fontein des levens is, en de doden levend maakt.
C. De wondervolle uitwerking van deze profetie. Zij, die doen naar hun bevolen wordt en wat hun bevolen wordt, zelfs in het gezicht van de grootste teleurstellingen, behoeven aan de uitwerking niet te wanhopen, want God zal Zijn raad ten uitvoer brengen.
a. Ezechiël zag neer en profeteerde over de beenderen in de vallei, en ze werden menselijke lichamen. Vooreerst, wat hij hun had te zeggen, was, dat God onfeilbaar leven in hen zou wekken: alzo zegt de Here Here tot deze beenderen, gij zult levend worden, vers 5, 6. En Hij, die spreekt, doet tegelijk het werk, Hij die zegt: zij zullen levend worden, maakt ze levend: Hij bekleedt ze met vlees en huid, vers 1, gelijk Hij in het eerst heeft gedaan, Job 10:11. Hij, die ons zo vreselijk en wonderbaarlijk gemaakt heeft en verbazingwekkend geformeerd, kan ons nog scheppen, Zijn arm is niet verkort.
Ten tweede wat onmiddellijk aan hen verricht werd, was dat hun opnieuw een vorm gegeven werd. Wij kunnen wel veronderstellen, dat de profeet levendig en met grote nadruk profeteerde, vooral toen hij zag, dat wat hij zei geschiedde. Zie, de opening, verzegeling en toepassing van de beloften zijn de gewone middelen, waardoor een nieuwe, geestelijke natuur ons wordt meegedeeld. Toen Ezechiël in dit gezicht profeteerde, was daar een geluid, een woord van bevel van de hemel, die zijn woord steunde, of het betekent de beweging van de engelen, die gebruikt werden als dienaren van de Goddelijke Voorzienigheid in de verlossing van de Joden, waar wij lezen, Ezechiël 1:24, van een geruis hunner vleugelen, en het geruis van een gang, II Samuël 5:24. "En, zie, een beroering, een beweging onder de beenderen". Zelfs dorre doodsbeenderen beginnen zich te bewegen, wanneer zij geroepen worden om het woord des Heren te horen. Dit werd vervuld, toen Cyrus hun vrijheid uitriep, en zij, wier geest door God opgewekt werd, begonnen gebruik te maken van die vrijheid en zich gereed te maken om op te trekken. "Toen, daar een geluid was, werd er een beroering, toen David een geruis hoorde in de toppen van de moerbeziënbomen, toen maakte hij zich op, daar was een beroering". Toen Paulus de stem hoorde vragen: "Waarom vervolgt gij Mij? zie, daar was een beroering van dorre beenderen, hij beefde en was verbaasd." Maar dit was niet alles. "De beenderen naderden, elk been tot zijn been," onder goddelijke leiding, en of schoon het menselijk lichaam een zeer groot aantal beenderen bevat, toch ontbrak er niet een been van al die verslagenen, en geen één, dat niet zijn juiste plaats en samenvoeging vond, als bij instinct kwam elk been waar het thuis behoorde. De verspreide beenderen kwamen bij elkaar, en de losse beenderen werden een geheel, goddelijke macht maakt van die samenvoeging gewrichten en geraamten, waarin ieder been zijn plaats had als in een levend lichaam. Zo zal het ook zijn in de opstanding van de doden, de verspreide delen zullen samenkomen en samengevoegd worden in hun eigen plaats, ieder been tot zijn been, door dezelfde wijsheid en macht, die de beenderen eerst formeerde in de baarmoeder. Zo was het bij de terugkeer van de Joden, die in verschillende gewesten van het Babylonische rijk verstrooid waren, kwamen familie-gewijze bijeen, allen als het ware naar onderlinge afspraak in een gemeenschappelijk rendez-vous, ten einde van daar de terugreis te aanvaarden. Allengs kwamen zenuwen en vlees op deze beenderen, en een huid bedekte ze, vers 9. Dit werd vervuld, toen de ballingen hun goed verzamelden, en de lieden van hun plaats hun bevorderlijk waren met zilver en goud en wat zij meer nodig hadden voor hun reis, Ezra 1:4. "Maar nog was er geen geest in hen, zij hadden opgewektheid en moed nodig voor zo'n moeilijke en gevaarvolle reis als de terugkeer naar hun vaderland was".
a. Ezechiël zag toen weer op en profeteerde tot de geest, en zei: Gij, geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden. De doodsbeenderen waren nog dor, nog dode lichamen, maar Gods werk is volkomen, Hij is geen God van de doden, maar van de levenden, daarom blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. In antwoord op deze roepstem, kwam de geest in hen, vers 10. Zie, de geest des levens is van God, in de schepping blies Hij eerst de adem des levens in de mens, en dat zal Hij weer doen, ten laatste, in de opstanding. De moedeloze wanhopende ballingen werden wonderlijk aangemoedigd tot het besluit om door alle ontmoediging heen te breken, die hun terugkeer belemmerde, en met alle mogelijke macht de reis voor te bereiden. En dan stonden zij op hun voeten, een heel groot leger, vers 10 niet alleen levende mensen, maar mensen met energie, bekwaam voor de krijgsdienst en geducht voor wie tegenstand mocht bieden. Zie, bij God is geen ding onmogelijk. Hij kan uit stenen Abraham kinderen verwekken, en uit dorre doodsbeenderen een geheel zeer groot leger doen verrijzen, gereed om te strijden en eigen zaak te bepleiten.
II. De toepassing van dit gericht op de tegenwoordige ellendige toestand van de Joden in hun ballingschap: "Deze beenderen zijn het gehele huis Israëls, beide de tien en de twee stammen. Zie nu wat zij zijn en wat ze zullen zijn." 1. De diepe wanhoop, waartoe zij zijn vervallen, vers 11. Zij achten zich onherstelbaar verloren, zij zeggen: "Onze beenderen zijn verdord, onze kracht is uitgeput, onze geest uitgeblust, onze verwachting verloren, alles waarvan wij hulp en steun verwachten, ontbreekt ons, en wij zijn afgesneden. Laat hoop koesteren wie wil, wij zien nergens uitkomst." Zie, wanneer de ellende lang aanhoudt, onze hoop verijdeld wordt, alle verwachting van medeschepselen de bodem wordt ingeslagen, is het niet vreemd, als alle moed vergaat, niets dan een wezenlijk geloof in de macht, belofte en voorzienigheid Gods kan voor algeheel wegkwijnen behoeden.
2. De hoge voorspoed, waartoe zij, ondanks dit alles, zullen stijgen: "Daarom, omdat de toestand tot dit uiterste gekomen is, profeteer tot hen, en zeg hun, dat het nu Gods tijd is, hun te verschijnen. JHWH-jireh, op de berg des Heren zal het voorzien worden, vers 12 -14. Zeg hun,
a. Dat zij uitgevoerd zullen worden uit het land hunner vijanden, waar zij als het ware levend begraven zijn: "Ik zal hun graven openen. Zij zullen hersteld worden, niet alleen wier beenderen verstrooid waren aan de mond des grafs, Psalm 141:7, maar ook die in het graf waren begraven, al is de macht des vijands als die des kuils, die men meent, dat onmogelijk kan verbroken worden, sterk als de dood en wreed als het graf, toch zal ze overwonnen worden". God kan Zijn volk weer ophalen uit de afgronden van de aarde, Psalm 71:20.
b. Dat zij in hun eigen land zullen gebracht worden, waar zij in voorspoed zullen leven. Ik zal u brengen in het land Israëls, vers 12, en u daar zetten, vers 14, en zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven Zie, dan geeft God moed in ons tot goede doeleinden, zodat wij inderdaad leven, en Hij giet Zijn Geest in ons uit. En, ten laatste, in dit alles wordt God verheerlijkt: Gij zult weten, dat Ik de Here ben, vers 13, dat Ik het gesproken en gedaan heb, vers 14. Zie, dat God de doden ten leven wekt, verheerlijkt Hem meer dan iets anders, en evenzo Zijn woord, dat hij groot heeft gemaakt en meer en meer zal groot maken door de nauwkeurige vervulling van iedere tittel zelfs.