Ezechiël 2:1-5
1. De naam, die hier, en nog dikwijls hierna, aan Ezechiël gegeven wordt, is opmerkelijk. Als God tot hem spreekt, noemt Hij hem: Mensenkind, vers 1, 3, Kind van Adam, of Kind van de aarde. Daniël wordt eenmaal en ook niet meer dan eenmaal zo genoemd, Daniël 8:17, de benaming wordt voor geen enkele andere profeet gebruikt, maar voor Ezechiël aldoor. Wij kunnen ze beschouwen als een verkleining en vernedering. Opdat Ezechiël zich niet verheffen zal op de veelheid van de gezichten, wordt hij er aan herinnerd, dat hij nog steeds een kind van mensen is, een nederig, zwak, sterfelijk schepsel. Onder andere dingen, die hem bekend gemaakt werden, was het noodzakelijk, dat hem ingeprent werd, dat hij een zoon van Adam was, en dat het daarom een neerbuigende goedheid van God was, dat het Hem behaagde, Zich aldus te openbaren. Nu is hij onder de geesten, de engelen, toch moet hij zich herinneren, dat hij zelf een mens is, een sterfelijk schepsel. "Wat is de mens, of de zoon des mensen," dat hij zo bezocht en zo geëerd wordt? Hoewel God hier een schitterend gevolg van heilige engelen om Zijn troon had, die bereid waren te gaan, waarheen Hij hen zond, toch gaat Hij ze voorbij, en neemt Ezechiël, een kind van mensen, als Zijn gezant tot "het huis van Israël, " want wij hebben deze schat in aarden vaten. en Gods boodschappen worden ons overgebracht door mensen gelijk wij, opdat zij ons niet verschrikken, en hun hand niet zwaar op ons zal zijn. Ezechiël was een priester, maar het priesterschap was vernederd en de eer er van in het stof gelegd. Daarom paste het hem en allen van die stand, zich te vernederen en laag bij de grond te blijven, als kinderen van de mensen, als gewone mensen. Hij zou nu dienst doen als profeet, als Gods gezant, als heerser over de koninkrijken, Jeremia 1:10, een post van grote eer, maar hij moet indachtig blijven, dat hij een mensenkind is, en dat hij niet door zijn eigen kracht doet, wat hij doet, want hij is een mensenkind, maar door de kracht van de goddelijke genade. die daarom al de eer er van hebben moet. Of,
2. Wij kunnen het ook opvatten als een eervolle titel, die een zekere waardigheid geeft, want het is een van de titels van de Messias in het Oude Testament, Daniël 7:13 :"Er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon." Waaraan Christus de naam ontleent, waarmee Hij Zich zelf dikwijls noemt: "De Zoon des mensen." De profeten waren typen van Hem, daar zij de toegang tot God hadden en groot gezag onder de mensen, "en daarom wordt Ezechiël Mensenkind genoemd, zoals koning David de Gezalfde des Heeren, of Christus genoemd wordt."
I. Ezechiël wordt hier op zijn voeten gesteld, om zijn opdracht te ontvangen, vers 1, 2. Hij wordt opgericht
1. Door een bevel van God: Mensenkind, sta op uw voeten. De liggende houding was er een van grote eerbied, maar de staande houding was er een van grote bereidvaardigheid tot zijn werkzaamheden. Onze aanbidding van God moet onze daden voor God niet hinderen, maar veeleer bevorderen. Hij viel op zijn aangezicht, in heilige vrees en eerbied voor God, maar hij werd spoedig weer opgericht, want die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. God heeft geen welgevallen in de vernedering van Zijn knechten, maar hetzelfde, dat hen neerbuigt, zal hen oprichten, dezelfde Geest, die een Geest van de dienstbaarheid is, zal ook een Geest van de aanneming zijn. "Sta op uw voeten en Ik zal met u spreken". Wij mogen verwachten, dat God tot ons spreken zal, als wij gereed staan om te doen, wat Hij ons beveelt.
2. Door een goddelijke kracht, die met het bevel samengaat, vers 2. God beval hem op te staan, maar omdat hij uit zichzelf geen kracht had, om zich op te richten, en geen moed om naar het visioen te zien, kwam de Geest in hem en stelde hem op zijn voeten. Het behaagt Gode genadiglijk datgene in ons te werken, wat Hij van ons eist en stelt op hun voeten, wie Hij beveelt op te staan. Wij moeten ons zelf aangrijpen, en dan zal God ons de kracht verlenen, wij moeten "onze eigen zaligheid werken, en dan zal God in ons werken". Hij merkte op, dat de Geest in hem kwam, toen Christus tot hem sprak, want Christus deelt Zijn Geest mee door Zijn woord als het gewone middel en maakt het Woord werkzaam door de Geest. "De Geest stelde de profeet op zijn voeten, om hem op te wekken uit zijn moedeloosheid want Hij is de Trooster". Zo werd Daniël in een dergelijk geval door een goddelijke aanraking versterkt, Daniël 10:18, en Johannes werd opgericht doordat Christus Zijn rechterhand op hem leide, Openbaring 1:17. "De Geest stelde hem op zijn voeten, maakte hem gewillig en voortvarend, om te doen, zoals hem bevolen was en toen hoorde hij Dien, die tot hem sprak." Hij had de stem al gehoord, Hoofdstuk 1:28, maar nu hoorde hij die duidelijker en klaarder, hij hoorde ze en gehoorzaamde ze. De Geest stelt ons op onze voeten, door onze wil tot onze plicht te buigen, en bereidt daardoor ons verstand om de kennis er van in zich op te nemen.
II. Ezechiël wordt hier met een boodschap tot de kinderen Israëls gezonden, vers 3 :Ik zend u tot de kinderen Israëls. Vele eeuwen reeds had God tot hen gezonden Zijn knechten de profeten, vroeg op zijnde en zendende, maar met weinig baat, nu waren zij in gevangenschap gezonden wegens het mishandelen van Gods boodschappers, en daar zond God nu deze profeet onder hen, om de proef er van te nemen, of hun oren nu geopend waren tot bekering, nu zij gebonden waren door de koorden van de beproeving. Zo min als het levensonderhoud, worden ons de genademiddelen onthouden, nadat wij ze duizendmaal verbeurd hebben. Laat ons nu letten
1. Op de rebellie van het volk, tot hetwelk deze gezant gezonden wordt, hij wordt gezonden om hen tot gehoorzaamheid terug te brengen om de kinderen Israëls tot de Heere hun God terug te brengen. De profeet moet weten dat er reden is om hem met deze boodschap te zenden want zij zijn een rebellerend volk vers 3, een weerspannig huis, vers 5. Zij worden genoemd de kinderen Israëls, zij behouden de naam van hun vrome vaders, maar zij zijn jammerlijk ontaard, zij zijn "Goïm-heidenen" geworden. "De kinderen Israëls zijn geworden als de kinderen van de Moren," Amos 9:7, want zij zijn weerspannig, en rebellen binnenslands zijn veel hatelijker voor een vorst dan vijanden buitenslands. Hun afgoderij en valse godsdiensten waren de zonden, die hen meer dan iets anders tot een weerspannig volk stempelden, want daardoor stelden zij een ander vorst tegenover hun rechtmatige souverein en brachten hulde en betaalden schatting aan de overweldiger, wat de hoogste trap van rebellie is, die er bestaat.
a. Zij waren altijd een weerspannig geslacht geweest en hadden in hun rebellie volhard: "Zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij". Zij hebben niet altijd gelijk, die de gewoonte en de voorvaders op hun zijde hebben, want er zijn dwalingen en gebreken, die lang standhouden, en wel verre van een verontschuldiging te zijn voor het wandelen op de verkeerde weg, waarop onze vaders wandelden, is het een wezenlijke verzwaring, want het is een rechtvaardiging van de zonden van hen, die voor ons geweest zijn. Zij zijn hardnekkig geweest in hun weerspannigheid "tot op deze zelf huidige dag, " ondanks de verschillende middelen en manieren, die gebruikt zijn om hen terug te brengen, blijven zij tot "op deze dag," terwijl zij onder de goddelijken toorn liggen, om hun rebellie weerspannig, velen onder hen, maakten, als Achaz, des overtredens nog meer, als men hen benauwde, alle veranderingen, die met hen hebben plaats gehad, hebben hen niet verbeterd zij zijn nog steeds dezelfde. b. Zij waren nu verhard in hun rebellie. "Deze kinderen zijn hard van aangezicht, zij zijn onbeschaamd en kunnen niet meer blozen, zij zijn stijf van hart, eigenzinnig, zij kunnen niet buigen, niet bukken, zij zijn noch beschaamd noch bevreesd om te zondigen, zij zijn gevoelloos op `t punt van eer en plicht". Wij willen hopen, dat dit niet voor allen gold, maar voor velen, en misschien wel de leidslieden.
c. God wist hoe onbuigzaam, hoe onverbeterlijk zij waren. God is volkomen bekend met iedere wezenlijk karakter wat hij ook voorgeeft en belijdt.
d. Hij zei dit tot de profeet, opdat hij te beter mocht weten, hoe met hen te handelen en hoe hij vat op hen krijgen kon. Hij moest mensen, als zij waren, scherpelijk, op snijdende wijze vermanen, moest openhartig jegens hen zijn, al noemden zij het hardhandig. God zegt hem dit opdat het geen verrassing of struikelblok voor hem zou zijn, als hij bevond, dat zijn prediking niet die indruk op hen maakte, waarop hij reden had te rekenen.
2. Op de heerschappij van de vorst, door Wien deze gezant gezonden wordt.
a. Hij heeft macht om hem, die Hij zendt, te bevelen: "Ik zend u tot hen en daarom zult gij tot hen zeggen zus en zo", vers 4. Het is het persoonlijk recht van Christus om profeten en dienaren uit te zenden en hun werk op te dragen. Paulus dankte Jezus Christus die hem in de bediening gesteld had, 1 Timotheus i: 12, want, gelijkerwijs Hij door de Vader gezonden was, worden door Hem dienaren uitgezonden, en gelijkerwijs Hij de Geest in onbeperkte mate ontving, geeft Hij de Geest met mate, zeggende: "Ontvang de Heiligen Geest. Zij zijn hard van aangezicht en weerspannig, en toch zend ik u tot hen." Christus geeft de genademiddelen aan velen van wie Hij weet, dat zij er geen goed gebruik van zullen maken, geeft schatten van wijsheid in de hand van dwazen, die er niet alleen niets om geven, maar Hem ook vijandig zijn. Aldus wil Hij Zijn genade groot maken, Zijn oordeel rechtvaardigen, hun alle verontschuldigingen benemen, en hun vonnis te ondragelijker maken.
b. Hij geeft macht aan hem, om hun te bevelen tot wie Hij hem zendt: Gij zult tot hen zeggen. Zo zegt de Heere Heere. Al wat hij tot hen zegt moet in Gods naam gezegd worden, Zijn gezag moet het kracht bijzetten, en het moet overgebracht worden als van Hem. Christus verkondigde Zijn leer als de Zoon-"Voorwaar voorwaar zeg Ik u", de profeten als knechten-Zo zegt de Heere Heere, onze Meester en de uwe. De geschriften van de profeten zijn het Woord van God, en moeten dus door ons nagekomen worden.
c. Hij machtigt hen ter verantwoording te roepen, tot wie Hij Zijn gezanten zendt. Hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen, hetzij, dat zij acht zullen geven op het Woord of het de rug toekeren, zij zullen weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is zij zullen het weten bij ondervinding.
d. Als zij horen en gehoorzamen, dan zullen zij door de troost, die zij ondervinden, weten dat het Woord, hetwelk hun zoveel goed deed tot hen gebracht werd door een, die opdracht van God had en door goddelijke kracht ondersteund werd bij de kwijting er van. Zo worden degenen, die door Paulus' prediking bekeerd werden, "het zegel van zijn apostelschap genoemd" 1 Corinthiers. 9:1. Als het hart van een mens onder het Woord brandende wordt in hem, en zijn wil er voor gebogen wordt, dan weet hij en heeft het getuigenis in zich zelf, dat `t niet het woord "van de mensen, maar Gods Woord is." e. Als zij het laten, als zij niet willen horen naar het Woord (zoals te vrezen is, want zij zijn "een weerspannig huis)," ook dan zullen zij weten dat hij, die zij niet geteld hebben, werkelijk een profeet was, door de verwijten van hun eigen geweten en de rechtvaardige oordelen van God over hen, omdat zij geweigerd hebben naar hem te luisteren, zij zullen het weten tot hun schade, tot hun ongeluk, door droeve ondervinding, hoe verderfelijk en gevaarlijk het is, om Gods boodschappers te verachten. Zij zullen het weten door de vervulling van de bedreigingen dat de profeet, die hen bedreigde, door God gezonden was, aldus zal het Woord hen treffen Zacheria 1:6. Zij, tot wie het Woord van God gezonden wordt, worden op de proef gesteld of zij horen zullen, of dat zij het laten zullen en daarnaar zal hun vonnis zijn. Of zij door het Woord gesticht worden of niet, het is zeker, dat God verheerlijkt en Zijn Woord groot gemaakt en geëerd zal worden. Of het "een reuk des levens ten leven, of een reuk des doods ten dode is," in ieder geval zal het van goddelijke oorsprong blijken te zijn.