Ezechiël 9:1-4
In deze verzen hebben wij
I. De oproeping aan degenen, die Jeruzalem zullen verwoesten, om te voorschijn te komen en gereed te staan. Hij, die de profeet verschenen was, Hoofdstuk 8:2, die hem naar Jeruzalem had gebracht en hen de daar bedreven goddeloosheid had laten zien, riep nu: Doet de opzieners van de stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand, vers 1, of misschien juister: De opzieners van de stad naderen. Hij had gezegd, Hoofdstuk 8:18 :Ik zal handelen in grimmigheid nu zegt Hij tot de profeet: gij zult zien wie Ik als instrumenten van Mijn toorn zal gebruiken. "Appropinquaverunt visitationes civitatis, de bezoekingen (of bezoekers) van de stad zijn nabij". Zij zouden de dag van hun bezoeking met barmhartigheid niet bekennen, en nu zullen zij met toorn bezocht worden.
Merk op,
1. Hoe hiervan aan de profeet kennis wordt gegeven: "Hij riep voor mijn oren met luider stemme," waardoor de heftigheid des sprekers wordt aangewezen, wanneer machtigen bijzonder geprikkeld en tot toorn verwekt worden dan spreken zij met luider stem. Degenen, die niet naar Gods raad willen luisteren, als die hun op zachte toon wordt gegeven, zullen de dreiging moeten horen, en beven. Het toont ook de tegenzin des profeten, om dit te vernemen, hij was doof aan dat oor, maar het helpt niet: hun zonde laat geen verontschuldiging en hun oordeel geen uitstel toe. Hij riep voor mijne oren met luider stemme, Hij zorgde dat ik het vernam, en ik hoorde het met smart in het hart.
2. Wat de profeet wordt te kennen gegeven Er zijn opzieners over de stad om ze te verwoesten, niet de Chaldeeuwse heirscharen. Die zullen wel door God tot dit werk gebruikt worden, maar zij bezoeken niet, zij zijn slechts dienaren of werktuigen. Gods engelen hadden nu de taak gekregen, de stad te verwoesten, terwijl zij vroeger de taak hadden gehad, ze te beschermen en te bewaken. Zij zijn gereed, als verwoestende engelen, of dienaren van Gods toorn, want "elkeen heeft zijn verdervend wapen in zijn hand, gelijk de engel met zijn vlammend zwaard, die de weg van de boom des levens moest bewaken". Zie, degenen, die zich door zonde God ten vijand gemaakt hebben, hebben ook de goede engelen van zich vervreemd. Deze bezoekers waren opgeroepen, te naderen. Zie God heeft altijd dienaren Zijns toorns in Zijn omgeving, onzichtbare machten, door wie Hij Zijn plannen volvoert. De profeet wordt dit in een gezicht getoond, opdat hij deze oordelen in zijn prediking met zoveel groter verzekerdheid mocht aankondigen. "God zei hem dit met luider stem, met een sterke hand", Jesaja 8:11, opdat het te dieper indruk op hem maken mocht en hij het met te meer nadruk aan het volk mocht verkondigen.
II. Hun verschijning, op deze oproeping, wordt bericht. Dadelijk kwamen zes mannen, één voor ieder van de zes voornaamste poorten van Jeruzalem. Twee verdervende engelen werden naar Sodom gezonden, maar zes tegen Jeruzalem, want Jeruzalems verdoemenis in het oordeel zal driemaal zo zwaar zijn als dat van Sodom. Aan iedere poort staat een engel op wacht om te verderven, om over iedere wijk een oordeel uit te roepen, en te zorgen, dat niemand kan ontsnappen. Een engel diende om de eerstgeborenen van Egypte, of het leger van de Assyriërs te slaan, maar hier zijn er zes. In de Openbaring is sprake van zeven engelen die de fiolen van Gods toorn zouden uitgieten Openbaring 16:1. Zij kwamen ieder met zijn verdervend wapen in zijn hand, toebereid voor dit werk, waartoe zij geroepen waren. De volken, waaruit het leger des konings van Babel bestond, door sommigen op zes gesteld, en de bevelhebbers zijns legers (waarvan zesde voornaamste genoemd worden) Jeremia 39, kunnen de verdervende wapenen, Jesaja 39:3, in de hand van de engelen genoemd worden. De engelen zijn voor iederen dienst bekwamelijk toegerust.
1. Merk op, vanwaar zij kwamen, van de weg van de hoge poort, die gekeerd is naar het Noorden vers 2, òf omdat de Chaldeën vandaar kwamen Jeremia 1:14:uit het Noorden zal zich dit kwaad opdoen, of omdat het beeld van de ijverzucht was geplaatst "aan de deur van de poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het Noorden," Hoofdstuk 8:35. Door die poort des tempels traden de verdervende engelen binnen, om aan te tonen wat de deur voor hen opende. Zie, langs de weg, waarop de zonde ligt, kunnen de oordelen verwacht worden.
2. Merk op, waar zij zich plaatsten: "zij kwamen in en stonden bij het koperen altaar, waarop offeranden plachten geofferd en verzoening gedaan te worden". Wanneer zij als verdervers handelden, waren zij offeraars, niet om persoonlijk hun ongenoegen te tonen of wraak te nemen, maar met de zuivere en oprechte begeerte om God te verheerlijken, want allen, die zij doodden, werden Hem als slachtoffers opgeofferd. Zij stonden bij het altaar, als het ware om Zijn rechtvaardige zaak te beschermen en te handhaven, en de afgrijselijke ontheiliging van die plaats te wreken. Bij het altaar zouden zij hun opdracht om te verderven ontvangen, om uit te drukken dat de ongerechtigheid van Jeruzalem, gelijk die van Eli's huis, in van de eeuwigheid niet zou verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer.
III. Aanwijzing wordt gedaan van een onder de verdervende engelen, door zijn kleed van de overigen onderscheiden, van wie gunst kon verwacht worden. Het schijnt, dat hij niet tot de zes behoorde, maar in het midden van hen stond, om te laten zien, dat barmhartigheid met oordeel gemengd is, vers 2. Deze was met linnen bekleed, gelijk de priesters, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lendenen, zoals de klerken van notarissen en rechtsgeleerden doorgaans dragen. Daarvan moest hij gebruikmaken, terwijl de andere zes hun verdervende wapenen hanteerden. De eer van de pen gaat hier die des zwaards te boven, die het zwaard droegen, waren engelen, maar die de schrijvers-inktkoker droeg, was de Heere van de engelen. Algemeen wordt namelijk door de uitleggers aangenomen, dat deze een Christus als Middelaar voorstelt, die de Zijnen redt van het vlammend zwaard van de goddelijke gerechtigheid. "Hij is onze Hogepriester, bekleed met heiligheid, want dat betekende het fijne lijnwaad", Openbaring 19:8. Als profeet draagt hij een schrijvers-inktkoker. Het boek des levens is het boek des Lams. De grote dingen van Wet en Evangelie, die God voor ons geschreven heeft, zijn Zijn Schrift. Het is de Geest van Christus in de schrijvers des Bijbels, die tot ons getuigt, en "de Bijbel is de openbaring van Jezus Christus." Zie het is een grote troost voor alle goede Christenen, dat er, te midden van alle verdervers en verdervingen, een Middelaar, een grote Hogepriester is, die in de hemel regeert, en voor de heiligen op aarde tussenbeide treedt.
IV. Het wegnemen van de verschijning van de goddelijke heerlijkheid van boven de Cherubim. Enigen denken, dat het de gewone openbaring van de goddelijke heerlijkheid was, boven het verzoendeksel tussen de cherubim in het heilige van de heilige, en die nu weggenomen werd om nimmer terug te keren, want men veronderstelt, dat die openbaring in de tweede tempel ontbrak. Anderen menen, dat het de openbaring van goddelijke heerlijkheid was, die de profeet nu zag in zijn gezicht, boven de cherubim, en dit is waarschijnlijker, omdat ze genoemd wordt de heerlijkheid van de God Israëls, Hoofdstuk 8:4, en hierop had hij nu zijn oog gevestigd. Dit verhief zich van op de cherub tot de dorpel van het huis, om als het ware de opzieners te roepen, die buiten op wacht stonden, om ze uit te zenden en ieder zijn last op te dragen. Zowel dit wegnemen als het vorige, kan beduiden: Gods weggaan van hen om hun huis woest te laten. En wanneer God gaat, dan gaat alles, maar Hij gaat van niemand weg, die Hem niet eerst uitbant. Hij ging eerst niet verder dan de dorpel, om te kennen te geven, hoe traag Hlj is om heen te gaan, en om beide tijd en aansporing te geven, opdat men Hem bidden zou terug te keren en te blijven. Zie, God verlaat een volk niet op eenmaal, maar begenadigde zielen bemerken spoedig, als Hij de eersten stap doet om heen te gaan. Ezechiël merkte dadelijk op, dat de heerlijkheid des Gods van Israël zich van op de cherub had verheven, en wat is een gezicht van angsten, zo God weggegaan is?
V. De last, die de man, met linnen bekleed werd gegeven, om het vrome overblijfsel uit de algemene verwoesting te behouden. Wij lezen niet, dat deze Heiland opgeroepen werd of om Hem gezonden, gelijk met de andere het geval was. Hij is altijd bereid voor ons in de tegenwoordigheid Gods verschijnende. Hem, als de daarvoor aangewezene, is de zorg opgedragen voor degenen, die ter zaligheid zijn geroepen, vers 4. Let nu op,
1. De onderscheiden wandel dergenen, die gered zullen worden. Zij zijn lieden, die zuchten en uitroepen bij zichzelf zuchten als mensen in pijn en ellende, en tot God roepen in de gebede, met allen ernst om "alle de gruwelen, die in het midden van Jeruzalem gedaan worden." Niet alleen aan afgoderij waren zij schuldig maar aan allerlei euveldaden, die gruwelen voor God waren. Die weinige mannen hadden tegen deze gruwelen getuigd, en op hun plaatsen gedaan wat zij konden, om ze tegen te werken. Maar omdat zij ondervonden hadden, dat al hun pogingen tot reformatie nutteloos waren, zaten ze neer en zuchtten en riepen uit, weenden in stilte en klaagden tot God, om de oneer, die Zijn Naam door hun goddeloosheid werd aangedaan en om de ellende, die ze over kerk en natie bracht. Zie, het is niet genoeg, dat wij in anderer zonde geen behagen scheppen en dat wij daarmee geen gemeenschap hebben, maar wij moeten er ook over treuren en ze ter harte nemen. Het moet ons smarten, dat wij er niets aan kunnen doen, en dat de zondaars zelf ten verderve gaan. Gelijk David en Lot, "wier rechtvaardige ziel zich gekweld heeft door het zien en horen van hun ongerechtige werken," Psalm 119:136, 2 Petrus 2:7, 8, zo moeten wij levendig belang in hen stellen. De gruwelen, m Jeruzalem bedreven, waren in bijzonderen zin te betreuren, daar ze in bijzonderen zin God tergden.
2. De onderscheiden zorg, die God voor hen draagt. Bevel wordt gegeven om allen uit te vinden, die zo'n vrome zin hebben. "Ga door, door het midden van de stad, om dezulken te zoeken, al zijn zij nog zo verspreid en nog zo diep verscholen uit vreze voor hun vervolgers, tracht ze toch op te sporen en teken een teken op hun voorhoofden",
a. Om aan te tonen, dat God ze voor de Zijnen erkent. Een werk van de genade in de ziel is voor God een teken op het voorhoofd, dat Hij als Zijn merkteken beschouwt, en waaraan Hij degenen kent, die de zijnen zijn.
b. Om hun, die dus gemerkt zijn, de verzekering van Gods gunst te geven, opdat zij die vast verwachten zullen, want de troost dit te weten zal de krachtigste steun en verkwikking zijn in tijden van tegenspoed. Waarom zouden wij ons bezorgd maken omtrent dit tijdelijke leven, zo wij aan dit merkteken weten, dat wij des eeuwigen levens deelachtig zijn?
c. Om de verdervers, wanneer ze voorbijgaan, een aanwijzing te geven, gelijk het bloed op de deurposten van de Israëlieten toen de eerstgeborenen in Egypte zouden gedood worden. Zie, degenen, die zich in tijden van algemene goddeloosheid rein bewaren, die zal God bewaren in tijden van algemene ellende. Zij, die zich onderscheiden, zullen met onderscheiding behandeld worden, zij, die om anderer zonden treuren, zullen in hun eigen beproeving niet behoeven te schreien, want zij zullen of eruit verlost of er onder vertroost worden. God zal een teken zetten op degenen, die treuren, hun zuchten opschrijven en hun tranen in zijn flessen bergen. "De verzegeling van de dienstknechten Gods op hun voorhoofden" zie Openbaring 7), was hetzelfde teken van Gods zorg voor Zijn eigen volk, dat hier genoemd wordt. Alleen met dit verschil: hier dient het om hen tegen verwoesting, daar om hen tegen verleiding te vrijwaren.