Ezechiël 21:1-7
De profeet heeft getrouw de hem opgedragen last volvoerd, aan het einde van het voorgaande hoofdstuk vermeld, en wel in bewoordingen, die Hij ontvangen had, en waaraan hij geen eigen uitlegging durfde toevoegen. Maar nu hij bemerkte, dat het volk aanmerking maakte op het gebruik van gelijkenissen, kwam het woord des Heeren opnieuw tot hem en gaf hem de sleutel tot Zijn beeldspraak, opdat hij het volk de betekenis aan het verstand mocht brengen en hun tegenwerping tot zwijgen brengen. Want, alle mensen zullen voor Gods rechtbank niet te verontschuldigen zijn, en iedere mond zal gestopt worden. "Zie, als iemand in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen," 1 Corinthiers. 14:13. Wanneer wij tot het volk omtrent hun ziel spreken, moeten wij trachten, eenvoudig te zijn, en ons zo uit te drukken, als wij het best verstaan worden. "Christus verklaarde Zijn gelijkenissen aan Zijn discipelen in het bijzonder," Markus 4:34.
1. Hier wordt de profeet duidelijk gezegd, op wie hij deze pijl van zijn profetie heeft te richten. Hij moet zijn woord druppelen tegen de heiligdommen, vers 2, tegen Kanaän, het heilige land, Jeruzalem, de heilige stad, de Tempel, het heilige huis. Die waren hoogverheven boven alle andere plaatsen, maar, toen zij ontheiligd werden, moest het woord, dat gewoon was in de heiligdommen te druppelen, nu tegen hen uitgaan. Profeteer tegen het land van Israël. Het was Israëls eer, profeten en profetie te bezitten, maar deze, nu ze veracht worden, keren zich tegen hen. En terecht wordt hier geschoten met haar eigen artillerie die tegen haar vijanden placht gericht te worden, aangezien zij ze niet wist te waarderen.
2. Hem wordt meegedeeld, en hij moet het volk meedelen de betekenis van het vuur, dat gedreigd werd, het woud van het veld in het zuiden te zullen verteren, het beduidde een getrokken zwaard, het zwaard des oorlogs dat het land woest zou maken, vers 3 :"Zie, Ik wil aan u, o land van Israël!" Er is niets meer nodig om een volk ellendig te maken dan God tegen zich te hebben. Daarentegen, als Hij voor ons is, dan behoeven wij niet te vrezen, wie ook tegen ons zijn moge. Als Hij tegen ons is, hebben wij geen hoop wie zich ook voor ons verklaart. En Gods belijdend volk, als het tegen Hem opstaat, dan keert het tegen zich diegene, die voor hen placht te zijn. Was het vuur daar door God aangestoken? Het zwaard hier is Zijn zwaard, dat Hij bereid heeft, en dat Hij heeft uitgezonden. Hij is het, die het uit Zijn schede heeft getrokken, waarin het rustig stak, zonder iemand kwaad te doen. Zie, wanneer het zwaard onder de volken uit de schede wordt getrokken, moet daarin Gods hand worden opgemerkt en erkend. "Verteerde het vuur alle groene bomen en alle dorre bomen?" "Het zwaard, op gelijke wijze, roeit uit de rechtvaardige en de goddeloze." Goed en slecht worden op dezelfde wijze in de rampen des volks begrepen, de rechtvaardigen werden van het land van Israël afgesneden, toen zij als gevangenen naar Babel werden gezonden, ofschoon misschien weinigen of geen van hen uit het land van de levenden afgesneden werd. Het was een dreigend teken voor het land Israëls, dat uitnemende mannen als Daniël en zijn vrienden, Ezechiël en anderen in het begin van de ellende uit hun land werden weggevoerd en naar Babel gebracht. Maar of schoon het zwaard beide "rechtvaardigen en goddelozen uitroeide het verteert zowel deze als genen," 2 Samuël 11:25), toch zij het verre van ons, te menen, dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, Genesis 18:25. Neen, Gods genade en troost maakt wel degelijk onderscheid, al schijnt Zijn voorzienigheid er geen te kennen. De goede vijgen werden, haar ten goede, naar Babel gezonden, Jeremia 24:5.6. Alleen naar de uiterlijke schijn wedervaart enerlei de rechtvaardige en de goddeloze, Psalm 9:2. Maar het getuigt van Gods groot misnoegen jegens het land van Israël. Wel mocht gezegd worden: "Zijn oog zal niet verschonen, ja zelfs de rechtvaardige niet." Omdat er geen rechtvaardigen genoeg zijn om het land te redden, zullen de weinigen mee lijden, om Gods gerechtigheid te meer te doen uitkomen, maar Gods barmhartigheid zal hun op de een of andere manier daarvoor vergoeding schenken. Heeft het vuur alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe verbrand, nu zal het zwaard uit zijn schede gaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden, zal uitgaan als Gods zwaard, met een zending, die niet kan gekeerd worden, met een onweerstaanbare kracht. Moet alle vlees weten, dat God het vuur heeft aangestoken? Zo zullen ook allen weten, dat Hij het zwaard uit de schede heeft getrokken, vers 5. eindelijk, zal het vuur, dat aangestoken is, niet uitgeblust worden? Zo zal dit zwaard des Heeren, dat tegen Juda en Jeruzalem uitgetrokken is, terwijl de schede wordt weggeworpen, niet meer wederkeren, totdat het zijn last ten volle heeft volbracht.
3. De profeet wordt bevolen, door zijn eigen smart en deelneming over deze naderende rampen uit te spreken, te trachten indruk op het volk te maken. Wanneer hij zijn boodschap heeft overgebracht, moet hij zuchten, met verbreking van de lendenen, als zou zijn hart breken, zuchten met bitterheid, met andere uitdrukkingen van diepe droefheid, en dit in het openbaar voor hun ogen, voor de ogen dergenen, wie hij de voorgaande boodschap had overgebracht, opdat die toespraak voor hun ogen zou zijn, wat ze voor hun oren was geweest, opdat die dubbele mededeling hun mocht bewegen. De profeet moest zuchten, of schoon het hem pijnlijk was en zijn gemoed zeer deed, en ofschoon de heiligen onder het volk waarschijnlijk de gek met hem steken zouden en hem een huilebalk een jankerig, gemaakte prediker noemen. Maar, als wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode, en ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo. Zie, predikanten, die indruk wensen te maken met hetgeen zij spreken, moeten tonen, dat het hun de diepste ernst is, en geheel meeleven met wat zij zeggen, dan zal hun woord beter vrucht dragen. Als het volk de profeet zo zag zuchten en daarvoor geen gerede aanleiding vond, zou het vragen: "Waarom zucht gij " Dit zuchten heeft een verborgen oorzaak, vertel ons die. Dan moest hij hun antwoorden: "om het gerucht, het droeve gerucht," dat wij weldra vernemen zullen, het gerucht komt (namelijk de oordelen, welker tijding ons bereikt), het komt allengs, en dan zult gij allen zuchten, alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, uw moed zal u bewegen, en geen bemoedigende overweging zal u meer ondersteunen. En wanneer moed en hand u begeven, wanneer alle handen slap hangen en alle knieën knikken, dan kunt gij onmogelijk meer vluchten." Zij, die God tot hun deel hebben, wanneer vlees en hart bezwijken, vinden in Hem sterkte en kracht, maar zij, die God tegen zich hebben, vinden geen hulp tegen een bezwijkenden geest, zoals Belsazar, worden zij door hun gedachten verschrikt, Daniël 5:6. Maar sommigen worden meer verschrikt dan werkelijk geschaad, kan dat niet het geval zijn met degenen, die hier, al zijn zij rechtvaardig, getroffen worden, zodat het oordeel hen niet wezenlijk treft? Dat geldt evenwel de goddelozen niet: "Zie, het komt en het zal geschieden, spreekt de Heere Heere." Het is geen vogelverschrikker, die hen ontstelt, uw verbolgenheid, naar dat Gij te vrezen zijt, erger zelfs dan gevreesd werd.