Ezechiël 1:4-14
De gezichten Gods, die Ezechiël hier zag, waren zeer heerlijk en gingen die van andere profeten te boven. De strekking van deze gezichten was,
1. De geest van de profeet met grote, schone, hoge gedachten aangaande God te vervullen, die hem had afgezonden en wie hij diende. Het is de gelijkenis van de heerlijkheid des Heeren, die hij aanschouwt, vers 28, en daaruit kunnen wij afleiden, dat het hem een eer is, God te dienen, want zelfs engelen doen dat. Hij kan Hem veilig dienen, want Hij is machtig genoeg om hem tot zijn werk in stad te steller. Gevaar steekt er in, zo hij van dit werk aflaat, gelijk Jona deed, want God kan hem gemakkelijk achterhalen. Zulk een groot God moet met eerbied en diep ontzag gediend worden, zonder enige twijfel kan Ezechiël voorspellen wat deze God voor hen doen zal, want Hij is machtig Zijn woord gestand te doen.
2. Vrees in te boezemen aan de zondaars, die in Zion gebleven waren, en ook dengenen, die reeds naar Babel waren gekomen, die zo zeker waren, en de profetie van Jeruzalems val met verachting aanhoorden. Gelijk wij reeds bij Jeremia gezien hebben en hier zien zullen, maakten velen zich daaraan schuldig. Laat hen, die zeiden: "Wij zullen vrede hebben, ook al gaan wij voort", bedenken, "dat onze God een verterend vuur" is, voor Wien ze niet kunnen bestaan. Dat dit gezicht op Jeruzalems verwoesting betrekking heeft, blijkt duidelijk uit Hoofdstuk 43:3, waar hij zegt, dat het was gelijk het gezicht, dat hij gezien had, toen hij kwam om de stad te verderven, dat is haar verderf te voorspellen.
3. Zij, die God vreesden, die beefden voor Zijn woord en zich onder Zijn machtige hand vernederden troost toe te spreken. Laat hen weten, al zijn zij gevangenen in Babel, dat God hun nabij is, al hebben zij de plaats des heiligdoms niet om hun heerlijken hogen troon te wezen, zij hebben de God des heiligdoms. Dr. Lightfoot merkt op: "Nu de kerk voor lange tijd in een ander land gaat geplant worden, toont de Heere Zijn heerlijkheid in haar midden, gelijk Hij had gedaan, toen ze eerst in de woestijn werd gesticht. Uit een wolk en een vuur verscheen Hij hun weer, en van tussen de dieren, als eenmaal van tussen de cherubim, gaf Hij Zijn godsspraken". Om nu aan het doel te beantwoorden, hebben wij hier het eerste gedeelte van het gezicht, dat God voorstelt als omringd en gediend door een ontelbare menigte engelen, die allen Zijn boodschappers, Zijn dienaars zijn, "doende Zijn geboden en horende naar de stem van Zijn woord" Dit getuigt van Zijn grootheid, gelijk het een aards vorst verheerlijkt, wanneer hij een luisterrijk gevolg en talrijke legers tot zijn dienst heeft, hetgeen zijn bondgenoten vertrouwen en zijn vijanden vrees inboezemt.
I. De inleiding tot dit gezicht is zeer groots en indrukwekkend, vers 4. De profeet, de hemelen geopend ziende, zag, zag op om op te merken, wat God hem zou ontdekken. Zie, wanneer de hemelen geopend zijn, is het onze zaak onze ogen open te hebben, om al wat in de weg staat op te ruimen, zie, een stormwind kwam van het noorden af, die mist en nevel uit lagere streken moest wegvagen. "Mooi weer komt uit het noorden, van daar komt de wind, die de regen verdrijft". God kan de lucht door een stormwind opklaren en die helderheid des gemoeds geven, die nodig is om met de hemel gemeenschap te hebben. Toch wordt deze stormwind vergezeld door een grote wolk. Als wij denken, dat de wolken, die uit de aarde opstijgen, verstrooid zijn en wij een onbeperkt vergezicht hebben, is er toch nog een wolk, waarin hemelse dingen verborgen zijn, een wolk van boven, zodat wij sprakeloos staan temidden van de duisternis. Christus daalde hier neer, gelijk Hij later opgevaren is, in een wolk. Sommigen zien in deze stormwind en deze wolk het Chaldeeuwse leger, uit het noorden komende tegen het land van Juda, gelijk een storm alles voor zich neerwerpende. Zo zou het overeenstemmen met een van de eerste gezichten van Jeremia, Jeremia 1:14:" van het noorden zal zich dit kwaad opdoen." Het komt mij echter voor, dat het eer een inleiding tot het gezicht dan tot de redenen is. Deze stormwind kwam tot Ezechiël (als tot Elia 1 Koningen 19:1) om de weg des Heeren te bereiden en opmerkzaamheid te vragen. Wie ogen heeft om te zien, die zie, wie oren heeft om te horen, die hore.
II. Het gezicht zelf. Een grote wind was het voertuig voor dit gezicht, waarin het tot de profeet werd gebracht, want de troon, waarop God zetelt, de wagen, waarin Hij rijdt zijn donkerheid en dikke wolken, Psalm 18:12, 104:3. Zo verbergt Hij het aangezicht van Zijn troon, opdat deszelfs verblindend licht en luister ons niet overweldige, een wolk overdekt dien.
1. Nu gaat de wolk vergezeld van een vuur, als op de berg van Sinai, waar God in een zware wolk nederkwam, maar "het aanzien van de heerlijkheid des Heeren was als een verterend vuur," Exodus 24:16, 17. Zijn eerste verschijning aan Mozes was "in een brandende braambos want onze God is een verterend vuur." Dit was een vuur, daarin vervangen, een bol of kring of wiel van vuur. Wijl God Zijn eigen zaak uitvoert, Zijn eigen wet stelt en Zijn eigen doel bepaalt, wordt Hij met een vuur vergeleken, dat in die stormwind vervangen is, of, gelijk sommigen lezen: dat zich zelf aansteekt. Het vuur van Gods heerlijkheid schijnt uit, maar omhult zich weldra, Hij openbaart ons slechts een gedeelte van Zijn wegen. Het vuur van Gods toorn breekt uit, maar het omhult zich spoedig, want goddelijk geduld laat die toorn niet de vrije loop. Indien dat niet zo ware, "o Heere, wie zou bestaan?"
2. Het vuur is met heerlijkheid omgeven: "een glans was rondom die wolk," waardoor het vuur nog meer verborgen werd, maar toch was nog iets ervan zichtbaar. Ofschoon wij niet in dat vuur kunnen zien noch God volkomen kennen ondanks al ons onderzoek, toch aanschouwen wij de heerlijkheid, die Hem omringt, de weerschijn van het vuur door de dikke wolk. Mozes mocht Gods achterste delen zien, niet Zijn aangezicht. Wij hebben enig licht omtrent Gods wezen, van de heerlijkheid, die het omstraalt, ofschoon geen inzicht, door de omringende wolk. Niets is gemakkelijker dan te constateren, dat God is, niets moeilijker dan te beschrijven wat Hij is. Wanneer God Zijn toorn als vuur doet verschijnen, dan is er toch heerlijkheid rondom, want Zijn heerlijkheid en rechtvaardigheid verschijnen blinkende in de straf over zonde en zondaars. Zelfs het verterend vuur wordt omhuld door heerlijkheid, die verheerlijkte heiligen eeuwiglijk zullen bewonderen.
3. Uit dit vuur straalt de kleur van Hasmal (of amber, naar de Engelse vertaling). Wij weten niet wat die kleur gehad heeft, en daarom meen ik, dat de gehele vorm van het gezicht zo gekleurd is geweest, die uit het midden van vuur en heerlijkheid tot Ezechiël kwam. Het eerste, dat de profeet opviel, "was de kleur van amber, of het oog van amber," dat is het zag er uit als amber voor het oog, een donkere, vurige kleur, de kleur van brandende kool, naar sommiger mening. De gelijkenis van de vier dieren, die hij uit het midden des vuurs zag komen, waren Seraphim-branders, want Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaren een vlamme vuurs.
4. Hetgeen uit het vuur komt, van die amberkleur, is, als het onderscheidenlijk kan opgemerkt worden, de gelijkenis van vier dieren, niet de vier dieren zelf (engelen zijn geesten en kunnen niet gezien worden), maar hun gelijkenis, een hiëroglief of voorstelling, naar God voor het onderricht des profeten nodig oordeelde, en tegelijk voor ons onderricht. Hij brengt ons in aanraking met engelen (een zuiver goddelijke openbaring), voorzover nodig is om ontzag in te boezemen voor Gods grootheid, die engelen tot Zijn dienaren heeft, en voor Gods goedheid die ze gebruikt tot dienst van Zijn volk. De gelijkenis van deze dieren kwam uit het midden des vuurs, want engelen hebben hun bestaan en macht van God, zij zijn voor zichzelf en voor ons wat het Gode behaagd heeft, ze te maken hun heerlijkheid is een straal van zijn heerlijkheid. De profeet zelf verklaart dit gezicht, Hoofdstuk 10:20 :ik bemerkte, dat het Cherubs waren een van de namen, waaronder engelen in de Schrift genoemd worden. Aan Daniël werd hun getal genoemd: tien duizend maal tien duizenden, Daniël 7:10. Maar, al zijn zij zo velen, toch zijn zij één, en dit wordt Ezechiël hier bekend gemaakt, zij zijn één in aard en werk. Een leger, uit tienduizenden bestaande, wordt toch één geheel genoemd. Wij vinden hier een mededeling van:
A. Hun daad. Zij zijn levende schepselen, schepselen Gods, het werk van Zijn handen. Hun bestaan is afgeleid, zij hebben geen leven in of van zichzelf, maar ontvangen het van "de Bron des levens." Gelijk de mensen van deze lagere wereld de dieren en planten, die sieraden van de aarde, verre overtreffen, zo gaan de engelen, de levende schepselen van de hogere wereld, zon, maan en sterren, de pracht van de hogere wereld, te boven. De zon, (zeggen sommigen) is een vlamme vuurs, die in de wolk vervat is, maar het is geen levend wezen, gelijk de engelen, die vuurvlammen zijn. Engelen zijn levende schepselen, levende wezens, in bijzonderen zin. De mensen op aarde zijn sterfelijke wezens (te midden van het leven zijn wij door de dood omgeven), maar de engelen in de hemel zijn inderdaad levende wezens, zij leven wezenlijk en voor een goed doel. Wanneer heiligen eenmaal als engelen zullen zijn, zullen zij niet meer sterven, Lukas 20:36.
B. Hun getal. Zij zijn vier, zo althans verschijnen zij hier, ofschoon zij ontelbaar zijn. Niet als waren deze vier boven de overigen, gelijk sommigen met voorliefde beweerd hebben, Michaël, Gabriël, Raphaël en Uriël. Maar om wille van de vier aangezichten, die zij elk hadden, en om hun zending naar de vier winden des hemels voor te stellen, Mattheus 24:31. Zacharia zag er als vier wagens, die naar het noorden, zuiden, oosten en westen joegen, Zacheria 6:1. God heeft boodschappers voor iedere richting, want Zijn koninkrijk omvat het totale heelal, en reikt tot aan het uiterste van de wereld.
C. Hun eigenschappen, waardoor zij bekwaam zijn om hun Maker en Meester te dienen. Die werden, gelijk altijd in gezichten, voorgesteld door een gelijkenis in figuurlijken zin. Hun beschrijving is zo, dat ik het voor onmogelijk houd, een juiste voorstelling ervan in onze verbeelding te vormen, of ook met het penseel, want dat zou een verzoeking zijn om ze te aanbidden. Maar toch geven de onderscheiden delen van de beschrijving hun verschillende eigenschappen weer. Deze dieren worden hier beschreven
a. naar hun voorkomen in `t algemeen: zij hadden de gelijkenis van een mens, zij verschenen in menselijke gedaante, eerstelijk om aan te duiden, dat de engelen redelijke, denkende wezens zijn, die de geest eens mensen hadden, hetwelk is de kaars des Heeren.
Ten tweede, om de menselijke natuur te eren, die lager, maar slechts een weinig minder is dan die van de engelen, aan de hun als het ware grenzende. Wanneer de onzichtbare geesten van de bovenaardse wereld zich vertonen willen nemen zij de gelijkenis eens mensen aan.
Ten derde, om te beduiden, dat "hun vermakingen zijn met de mensenkinderen, gelijk die huns Meesters", Spreuken 8:31, dat zij de mensen diensten bewijzen, en dat mensen door geloof, hoop en heilige liefde gemeenschap met hen kunnen hebben. Ten vierde. De engelen verschijnen in de gelijkenis eens mensen, omdat in de volheid van de tijden Gods Zoon niet alleen in die gelijkenis zou verschijnen, maar zelfs vlees en bloed van de mensen aannemen.
b. Naar hun aangezicht: elkeen had vier aangezichten, naar vier verschillende zijden uitziende. In Johannes' gezicht, dat zeer veel op dit gezicht gelijkt, had ieder van de vier dieren een van de hier genoemde aangezichten, Openbaring 4:7. Hier heeft ieder dier ze alle vier, om aan te duiden, dat ze alle even bekwaam zijn tot de dienst. Toch vinden wij onder de engelen wellicht, evenals onder de engelen van de gemeenten, dat de een in gaven boven de ander uitsteekt, toch dient alles voor algemene dienst. Laat ons deze aangezichten beschouwen, tot wij in zekere mate naar hetzelfde beeld veranderd worden, opdat wij de wille Gods doen gelijk de engelen die volbrengen. Alleen hadden zij het aangezicht eens mensen (want in die gelijkenis verschenen zij, vers 5), maar bovendien hadden zij het aangezicht eens leeuws, dat van een rund en dat eens arends, elk een groep dieren vertegenwoordigende: de leeuw die van de wilde dieren, het rund die van de tamme, en de arend die van de vogelen, vers 10. Maakt God van die dieren gebruik om Zijn oordelen over Zijn vijanden uit te voeren? Zij zijn fier en sterk, als de leeuw en de arend, om hun prooi te verscheuren. Maakt hij gebruik van hen om Zijn volk wel te doen? Zij zijn, als de os, sterk om te arbeiden en gereed om te dienen. En in beide hebben zij het verstand eens mensen. De verspreide krachten van de dierenwereld en van de mensheid op aarde zijn verenigd in de engelen des hemels. Zij hebben de gelijkenis eens mensen, ja meer dan dat, en gelijken op hem in tederheid en menselijkheid. Maar, ten eerste, overtreft de leeuw de mens in kracht en stoutmoedigheid, hij is geduchter. Daarom hebben de engelen het aangezicht eens leeuws, als de mens in dit opzicht overtreffende.
Ten tweede gaat de os de mens te boven in vlijt, geduld, inspanning en onvermoeiden arbeid, daarom hebben de engelen, die de mens ook hierin te boven gaan, en aanhoudend God en mensen dienen, het aangezicht eens runde.
Ten derde, munt een arend boven een mens uit in snelheid en scherpen, verziende blik, in hoge vlucht, en daarom hebben de engelen, die de dingen zoeken, welke boven zijn en Gods geheimenissen beter doorgronden dan wij, het aangezicht eens arends.
c. Door hun vleugelen: elkeen van hen had vier vleugelen, vers 6. In het gezicht, dat Jesaja ontving, had elkeen er zes, hier maar vier, want geen verschenen boven de troon en moesten met twee ervan hun aangezichten bedekken. De engelen zijn toegerust met vleugelen om Gods bevelen snel te kunnen uitvoeren, waartoe God hen ook uitzendt, zij verliezen geen tijd. Geloof en hoop zijn de vleugelen van de ziel, waarop ze omhoog stijgt, vrome en godzalige genegenheden zijn de vleugelen, waarmee ze krachtig en gezwind voortvliegt. De profeet meldt hier, aangaande die vleugelen: ten eerste, dat ze samengevoegd waren, de een aan de ander, vers 9,11. Zij gebruikten hun vleugelen niet om er mee te strijden, zo als sommige vogelen doen, onder de engelen is geen strijd. God maakt vrede, volmaakten vrede, in de hoge. Maar hun vleugelen waren samengevoegd, ten teken van hun volmaakte eenheid en eenstemmigheid en harmonie.
Ten tweede dat hun vleugelen opwaarts uitgespreid waren gereed om gebruikt te worden, niet saamgevouwen of omlaaghangend. Laat een engel ook maar de geringste aanwijzing van Gods wil ontvangen, en hij behoeft op niets te wachten, hij vliegt onmiddellijk heen, terwijl onze trage zielen veel van de struisvogel hebben, die zich heel niet in de lucht kan verheffen. Ten derde, dat twee hunner vleugelen hun lichamen bedekten, de geestelijke lichamen, die ze hadden aangenomen. De klederen, die ons bedekken, hinderen ons in de arbeid, engelen behoeven geen andere bedekking dan hun vleugelen, die tegelijk hen voortbewegen. Zij bedekken hun lichamen voor ons, om nodeloze vragen te voorkomen. Vraag niet naar hen, want hun naam is wonderlijk, Richteren 13:18. Zij bedekken ze voor God, en leren ons daarmee, dat wij, God naderende, zorg moeten dragen, met Christus' gerechtigheid bekleed te zijn, opdat "de schande van onze naaktheid niet gezien worde."
d. Door hun voeten, benen en dijen daaronder begrepen: hun voeten waren rechte voeten, vers 7, zij stonden recht op, vast en stevig, geen last van hun dienst kon maken, dat zij hun knieën bogen. De bruid zegt tot prijs van haar beminde, dat zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud, Hooglied 5:15. Zo waren van de engelen voeten. Hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, dat de klauw verdeelt en dus rein was, als het ware de zool van een ronde voet (zo luiden de Chaldeeuwse woorden), gereed zich in iedere richting te bewegen. De Zeventigen vertalen: zij hadden gevleugelde voeten, zij liepen zo snel of zij vlogen. Die voeten glinsterden gelijk de kleur van glad koper, niet slechts het aangezicht, maar ook de voeten zijn schoon dergenen, die God uitzendt om zijn wil te doen, Jesaja 52:7, iedere stap van de engelen is heerlijk. Van het gezicht, dat Johannes te beurt viel, lezen wij: Zijn voeten waren blinkend koper gelijk en gloeiden als in een oven, Openbaring 1:15..
e. Door hun handen, vers 8 :Mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden een arm en een hand onder elke vleugel. Zij hadden niet enkel vleugelen om zich te bewegen, maar ook handen om te arbeiden. Velen zijn vlug, maar niet arbeidzaam, zij maken zich druk, maar voeren weinig uit, brengen weinig tot stand. Zij hebben vleugelen, maar geen handen. Gods dienaren, de engelen, daarentegen gaan niet alleen wanneer Hij hen zendt, en komen als Hij hen roept, maar doen ook wat Hij hun beveelt. Zij hebben mensenhanden, wondervol geschapen en geschikt om te werken, bestuurd door rede, verstand en oordeel. Zij hebben voeten als van een kalf, waardoor hun snelheid wordt aangewezen, de cederen van de Libanon huppelen als een kalf, Psalm 29:6, maar mensenhanden, dat wil zeggen: de juistheid en nauwkeurigheid daarvan, gelijk geschreven staat, dat de hemelen het werk zijn van Gods vingeren. Hun handen waren onder hun vleugelen, die ze bedekken evenals hun overige lichaam. Zie, de werkzaamheid van de engelen is iets geheims, en hun werk wordt onzichtbaar volbracht. Als wij voor God werken, zijn wij vaak als "de luiaard, die zijn hand in zijn boezem verbergt," maar moeten zijn als degene, "wiens linkerhand niet weet wat zijn rechter doet". Wij mogen opmerken, dat hun handen onder hun vleugelen waren, zodat, waar hun vleugelen hen droegen, zij hun handen meedroegen, om te doen wat met de behoefte van de maats overeenkwam.
D. Hun bewegingen. De dieren bewegen zich. Engelen zijn bedrijvige wezens, hun geluk bestaat niet in stil zitten en niets doen, wij moeten ons zelf dan het nuttigst rekenen, als wij goed doen en dat doen gelijk de engelen, van wie hier opgemerkt wordt,
a. Dat tot welke diensten ze ook uitgingen, ze recht daarop afgingen, vers 9, 12, hetgeen te kennen geeft, eerstelijk, dat zij oprecht de eer Gods bedoelen, en in al hun doen daarop alleen letten. "Hun rechtuit voor hun aangezicht heengaan," veronderstelt, dat zij recht voor zich uitzagen en nooit enige kwade bedoeling hadden. En, indien ons oog zo eenvoudig is, zal ons gehele lichaam verlicht wezen. De eenvoud van het oog is de oprechtheid des harten. Ten tweede, dat zij al hun aandacht aan de dienst wijdden, waarin zij bezig waren en al hun opmerkzaamheid er aan gaven. Zij gingen voort met hun werk, wat hun hand vond om te doen, dat deden zij met al hun macht en dwaalden niet.
Ten derde waren zij daarin eenstemmig: "zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen", zij hinderden elkaar niet, stonden elkaar niet in het licht of in de weg.
Ten vierde verstonden zij hun werk uitnemend wel en waren daarmee goed op de hoogte, zodat zij nooit behoefden stil te staan, te wachten of te aarzelen, maar geregeld konden voortgaan als degenen die weten wat en hoe ze dat moeten uitvoeren
Ten vijfde waren zij standvastig en volhardend in hun taak. Zij wankelden niet, werden niet vermoeid, maar bleken als uit een stuk te zijn. Zij bewogen zich in een rechte lijn, kozen de kortste weg voor hun werk en verloren geen tijd. Wanneer wij rechtuit gaan, dan komen wij vooruit, als wij God met een volkomen hart dienen, dan winnen wij grond en krijgen werk gedaan.
b. Zij keerden zich niet om als zij gingen, vers 9, 12.
Ten eerste maakten zij geen fouten of feilen, wat aanleiding zou kunnen geven om terug te keren tot herstel, hun werk had geen verbetering nodig, het behoefde niet overgedaan te worden.
Ten tweede lieten zij zich niet afleiden: zoals zij niet omkeerden, zo dwaalden zij evenmin ter zijde af om zich met iets in te laten, vreemd aan hun arbeid.
c. Zij gingen waarhenen de Geest was om te gaan, vers 12. Of, ten eerste, waarhenen hun eigen geest hen leidde, daarheen gingen zij, wijl geen lichaam hen bezwaarde zoals ons. Het is ons dagelijks ongeluk en onze gedurige last, dat, terwijl de geest gewillig is, het vlees zwak is en met geen geen gelijke tred houdt, zodat wij het goede dat wij willen doen, niet doen. Engelen en verheerlijkte heiligen echter kennen zulk een onbekwaamheid niet: wat zij begeren of geneigd zijn te doen, doen zij ook en schieten nooit te kort. Of, ten tweede, waarhenen de Geest Gods was om te gaan, daarhenen gingen zij. Ofschoon zij zelf veel wijsheid bezaten, onderwierpen ze zich toch in al hun bewegingen en handelingen aan de leiding en het bestuur van de goddelijken wil. Waarhenen de goddelijke voorzienigheid was om te gaan, gingen zij, om dier doeleinden te dienen en bevelen uit te voeren. De Geest Gods (zegt Greenhill) is de grote beweegkracht, die de engelen aan het werk zet, en het is hun grote eer, geleid te worden, zij worden gemakkelijk geleid door de Geest. Zie, hoe handelbaar en gedienstig deze edele schepselen zijn. Waarhenen de Geest was om te gaan, daarheen gingen zij onmiddellijk met alle mogelijke snelheid. "Zie, degenen, die naar de Geest wandelen, doen de wille Gods gelijk de engelen die volbrengen."
d. Zij liepen en keerden weer als de gedaante van een weerlicht, vers 14. Dit geeft te kennen ten eerste, dat zij haast maakten, zij waren vlug in hun bewegingen, vlug als het weerlicht Waartoe zij ook uitgezonden werden, zij volbrachten het dadelijk, in een oogwenk, met bliksemsnelheid. Gelukkig zij, die geen lichamen hebben om hun beweging in heilige arbeid te belemmeren. En gelukkig zullen wij zijn, wanneer wij geestelijke lichamen zullen hebben, om geestelijk werk te doen. Satan valt gelijk een bliksem uit de hemel in zijn eigen verderf, Lukas 10:18. De engelen vliegen als de bliksem tot huns meesters arbeid. De engel Gabriël vloog snel. Ten tweede weren zij spoedig terug. Zij liepen en keerden weer, liepen tot hun werk, volbrachten hun orders en keerden weer om er verslag van te doen en een nieuwe opdracht te aanvaarden, opdat zij bestendig bezig mochten zijn. Zij liepen naar de benedenwereld om daar te verrichten wat daar moest verricht worden, maar na de volvoering keerden zij weer als de gedaante van een weerlicht naar de bovenwereld, naar de heerlijkheid van Gods aangezicht, die zij niet langer konden ontberen dan voor hun dienst nodig was. Zo behoorden wij in deze wereld te verkeren als buiten ons element Hoewel wij er in zijn, moeten wij er niet in rusten, maar moet onze ziel haastelijk, als een weerlicht, terugkeren naar God, ons middelen rustpunt.
5. Wij hebben een bericht aangaande het licht, waarbij de profeet deze dieren zag, of de spiegel, waarin hij ze aanschouwde, vers 13
a. Hij zag ze in hun eigen licht, want hun gedaante was als brandende kolen des vuurs, zij zijn serafijnen, branders, waardoor te kennen wordt gegeven het vuur hunner liefde tot God, hun brandende ijver in zijn dienst, hun heerlijkheid en glorie, en hun haat jegens Gods vijanden Als God hen gebruikt om zijn strijd te strijden, zijn ze als vurige kolen, Psalm 18:13, om de tegenstanders te verdoen, als bliksemen uitgezonden om hen te treffen.
b. Hij zag ze bij het licht van de fakkels, dat steeds ging tussen die dieren, welker licht een glans had. Satans werken zijn werken van de duisternis, hij is de vorst van de duisternis van deze wereld. Maar de engelen des lichts wandelen in het licht, zij laten hun werk zien, want het kan het licht verdragen Maar wij zien hen en hun werk slechts bij fakkellicht, bij het doffe licht, dat op en neer gaat tussen hen (Eng. vert.). Wanneer de dag aanbreekt en de schaduwen wegvlieden, zullen wij ze klaar en duidelijk zien. Sommigen menen, dat de gedaante van deze brandende kolen als vuurs en de bliksem, die uit het vuur voortkomt, Gods wraak en oordelen beduidt, die nu over Juda en Jeruzalem zouden uitgegoten worden om hun zonden, waartoe engelen zouden dienst doen. Daarom zou er verder staan van vurige kolen, die over de stad gestrooid worden om ze te verdelgen, die van tussen de cherubim gehaald werden, Hoofdstuk 10:2. Maar onder de gedaante van de fakkelen is eer te verstaan het troostrijke licht, dat het volk Gods verkwikt te midden van de tegenwoordige beproeving. Indien de bediening van de engelen als een verterend vuur is voor Gods vijanden, het is een verblijdend licht voor Zijn eigen kinderen. Voor de een is dit vuur heerlijk, verlevendigend en opbeurend, voor de ander komt uit dat vuur een weerlicht om hem te verdelgen. Zie, goede engelen zijn onze vrienden of vijanden, al naar God onze vriend of vijand is.