Ezechiël 33:1-9
Volgens Gods uitdrukkelijk bevel had de profeet de profetie tegen de Joden laten rusten, juist toen de tijding kwam, dat Jeruzalem was ingesloten en nauw belegerd werd, Hoofdstuk 24:27. Maar nu Jeruzalem, twee jaren later, genomen is, wordt hij weer gezonden om tot hen te spreken, zijn last wordt vernieuwd. Had God hen ganselijk begeven, dan zou Hij hun geen profeten meer hebben gezonden. Had hij geen barmhartigheid meer voor hen, dan zou Hij hun niet zulke dingen als deze getoond hebben. In deze verzen vinden wij,
I. De taak van een wachter aangetoond, het vertrouwen, dat hij geniet, de taak, hem gegeven, en de voorwaarden genoemd, die tussen hem en degenen, die hem geplaatst hebben, zijn vastgesteld, vers 2, 6.
1. Verondersteld wordt een openbaar gevaar, dat aanleiding geeft tot de aanstelling van een wachter, wanneer namelijk God het zwaard over enig land brengt, vers 2. Het krijgszwaard, wanneer het over een land komt, wordt door God gezonden, het is het zwaard des Heren, hoe onrechtvaardig ook zij zijn, die het trekken. Op zo'n tijd, wanneer een land in gevaar is van een vijandelijke inval, opdat het ingelicht wordt omtrent al de bewegingen des vijands, opdat geen aanval het onverwachts verschrikke, opdat het zijn wapens ter rechter tijd in gereedheid brenge om de indringer een warme ontvangst te bereiden, -neemt het een man uit hun einden, een geschikt iemand, die aan de grenzen woont, waar het gevaar dreigt of verwacht wordt, en die daarom met alle wegen wel bekend is, en stellen hem zich tot een wachter. Zo wijs zin de kinderen van deze wereld in hun geslacht. Zie, een man kan zijn gehele land een openbare dienst bewijzen. Vorsten en staatslieden zijn de wachters van een koninkrijk, zij zijn geduriglijk bezig en zien aanhoudend op de openbare veiligheid toe.
2. Algemeen vertrouwen wordt in de wachter gesteld, hij is het gehele volk verantwoordelijk voor de wijze, waarop hij zijn post waarneemt. Zijn taak is:
a. De nadering en de voortgang van de vijand te verkennen, en daarom moet hij noch blind noch slaperig zijn, want dan ken hij het zwaard niet zien komen.
b. Daarvan onmiddellijk kennis te geven door op de bazuin te blazen, wij zouden zeggen: door een schot te lossen, ten teken van gevaar. Bijzonder vertrouwen wordt dus in hem gesteld, doen degenen, die hem daar als wachter hebben geplaatst, dat hij twee dingen getrouwelijk doen zal, en zij wagen hun leven trouw. Nu,
c. Indien hij zijn plicht vervult, indien hij bijtijds let op al de gevaren, die binnen zijn bereik vallen, en daarvan kennis geeft, dan kwijt hij zich van zijn last, hij behoudt zijn ziel en ontvangt zijn loon. Als het volk zijn waarschuwing in de wind slaat, als het hem niet gelooft of er geen acht op geeft, niet aanneemt, dat het gevaar wezenlijk zo groot en zo nabij is, en de vijand komt en verrast die zekeren, dan is dat hun eigen schuld. De fout ligt niet bij de wachter, hun bloed is op hun hoofd. Zo iemand overmoedig het gevaar in de mond loopt, hoezeer hij het geluid van de bazuin gehoord heeft en hem gezegd is waar gevaar was, en het zwaard komt en neemt hem weg in zijn dwaasheid, dan is hij een (felo de se, een zelfmoordenaar) een zot, die zichzelf verderft. Maar
d. Indien de wachter zijn plicht niet doet, als hij het gevaar kon gezien hebben maar het niet zag, sliep of niet oplette of een anderen kant uitkeek, of zo hij, het gevaar ziende, (dit geval wordt hier gesteld), alleen op zijn eigen veiligheid bedacht is, en niet met de bazuin blaast om het volk te waarschuwen, zodat het volk niet is gewaarschuwd en sommigen worden verrast en weggenomen in hun ongerechtigheid, vers 6, plotseling, zonder dat hun tijd gegund werd te roepen: Here, wees mij genadig, tijd om zich te bekeren en vrede met God te maken (hetgeen de zaak veel erger maakt), en de arme zondaar wordt weggenomen in zijn ongerechtigheid zijn bloed zal van de hand des wachters geëist worden. Hij zal schuldig worden bevonden aan diens dood, omdat hij hem voor het gevaar niet heeft gewaarschuwd. Maar zo de wachter zijn plicht doet, en het volk de zijnen, dan is alles wel, beide hij, die waarschuwt, en hij, die zich laat waarschuwen, hebben hun ziel behouden.
II. De toepassing van deze woorden op de profeet, vers 7, 9.
1. Hij is een wachter over het huis Israëls. Hij had nu en dan de volken buiten Israël gewaarschuwd, maar een wachter over het huis Israëls was zijn hoofdtaak, want zij waren kinderen van de profeten en des verbonds. Niet zij hadden hem ten wachter voor het volk, vers 2 (want zo wijs waren zij niet geweest om ter veiligheid van hun zielen iemand aan te stellen gelijk ze vol zorg waren om hun tijdelijke welvaart), maar God had hem tot een wachter gemaakt.
2. Zijn werk als wachter was, de zondaren te waarschuwen voor het gevaar, waarin hun zonde hen had gebracht. Dat is het woord, hetwelk hij moest horen uit des Heren mond en tot hen spreken.
a. God had gezegd, De goddeloze zal zeker sterven, hij zal ellendig sterven. Zo hij zich niet bekeert, zal hij ten God worden afgesneden en allen troost en alle hoop verliezen, van alle goed verstoken worden. Hij zal vallen en voor eeuwig onder Gods toorn liggen, die de dood is voor de ziel, gelijk Zijn gunst haar leven is. De rechtvaardige God heeft het gezegd en zal het nimmer intrekken, ook kan de gehele wereld het niet onwaar maken dat "de bezolding van de zonde de dood is. De zonde voleindigd zijnde, baart de dood". De toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel, niet alleen over goddeloze volken in het algemeen maar ook over goddeloze mensen hoofd voor hoofd.
b. Het is Gods wil, dat de goddelozen gewaarschuwd worden: "gij zult hen van Mijnentwege waarschuwen." Dit wil zeggen, dat er een mogelijkheid bestaat, het verderf te ontvlieden, anders zou de waarschuwing slechts misleiding zijn, ja God begeert, dat de zondaar zich bekere en leve. "Zondaren worden daarom gewaarschuwd voor de toekomenden toorn, dat zij die ontvlieden zullen," Mattheus 3:7.
c. Het is het werk van de predikanten, de goddeloze te waarschuwen en tot hem te zeggen, dat het hem kwalijk gaan zal, Jesaja 3:11. God zegt in het algemeen: "De ziel, die zondigt, zal sterven". Het is de taak van de predikant, dat tot bijzondere personen te herhalen en te zeggen: "O, gij goddeloze! gij zult zeker sterven, wie gij ook zijt, indien gij in uw overtredingen voortgaat, zal uw verderf onherroepelijk zijn. O, overspeler! o rover! o dronkaard! o vloeker! o sabbatschender! gij zult zeker sterven". En hij moet dit niet in boosheid zeggen, zodat hij de zondaar verbittert, maar met medelijden, om de goddeloze van zijn weg af te manen, hem te waarschuwen, die te verlaten, opdat hij leve. Dit moet geschieden door getrouwe prediking in het openbaar en door persoonlijk vermaan aan iederen openbaren zondaar in het bijzonder. 3. Indien zielen verloren gaan door zijn plichtverzuim, dan brengt hij schuld over zichzelf. Indien de profeet de goddeloze niet waarschuwt voor het verderf, dat hem aan het einde van zijn weg wacht, dan zal de ongerechtige in zijn ongerechtigheid sterven. Want, ofschoon de wachter hem niet heeft gewaarschuwd, de zondaar had acht kunnen geven op het geschreven Woord op de stem van zijn eigen consciëntie, en op Gods oordelen over anderen, waardoor zijn mond gestopt en God in zijn verderf gerechtvaardigd wordt. Zie, het zal onboetvaardige zondaars in de grote dag niet baten, of zij al aanvoeren, dat zij door de wachter niet gewaarschuwd zijn, dat die zorgeloos en ontrouw geweest is, want, al is dat zo geweest, het zal blij ken, dat God hen niet ongewaarschuwd heeft gelaten. Maar hij zal niet alleen vergaan in zijn goddeloosheid, ook de wachter zal ter verantwoording geroepen worden: des zondaars bloed zal God van zijn hand eisen. De blinde leidsman zal met de volgeling van de blinde in de gracht vallen. Zie, hoezeer God begeert, dat de zondaars gered worden, als Hij dengenen, die hen zouden waarschuwen maar die plicht slecht nakomen, dat zeer kwalijk neemt. En zie ook, hoeveel die predikanten hebben te verantwoorden, die de zonde verbloemen, de zondaars in hun boze weg vleien en, door hun eigen slecht leven, hen zelfs aanmoedigen en in hun zonde verharden, zodat die zondaars gaan geloven, dat zij in vrede kunnen voortgaan.
4. Doet de wachter zijn plicht, dan kan hij zich daarmee troosten, ofschoon hij er niet altijd vrucht van ziet, vers 9 :Maar als gij de goddeloze van zijn weg afmaant, als gij hem getrouw meedeelt wat daarvan het einde zal zijn, hem ernstig vermaant die te verlaten, maar deze erin volhardt, zo zal die onboetvaardige zondaar in zijn ongerechtigheid sterven, en de ernstige waarschuwing zal zijn oordeel verzwaren, maar gij hebt uw ziel behouden. Zie, het is troost voor predikanten, dat zij door genade zelf behouden worden, al kunnen zij er door hun dienst niet zoveel redden als zij gaarne gewild hadden.