6. En ik hoorde enen, die met mij sprak (
Hoofdstuk 1:28) uit het huis 1); en de man, in wien Zich voor mij de Spreukenker belichaamd had, was thans bij mij staande, als ik door het eerste meer algemene spreken zonder meer bepaalden openbaringsinhoud daarop was opmerkzaam geworden, dat ik nu ene openbaring zou ontvangen. 1) Hij ontvangt onmiddellijke onderrichting van Gods heerlijkheid, gelijk Mozes, toen God bezit nam van den Tabernakel. Dewijl Gods heerlijkheid in de Kerk schijnt, zo moeten wij van daar de Godspraken verwachten. De man stond bij mij; wij zouden zo min kunnen verdragen, de stem Gods te horen, als Zijn aangezicht te zien, indien Jezus Christus niet bij ons stond als Middelaar.
De Profeet hoort iemand, die met hem spreekt uit het huis, en door de stem opmerkzaam gemaakt en daarheen ziende, ziet hij enen man naast zich staan. Hij staat in het binnenste voorhof zo nabij de waar te nemen verschijning als hij naar zijne berekening mag gaan, dicht aan de deur van het heiligdom, en de man is om tot hem te spreken, in de deur getreden; wat hij met hem sprak, volgt dan in Vers 7. Tussen de mededeling, dat iemand gesproken heeft, en het bericht wat gesproken werd, staat het bericht omtrent den persoon, die spreekt, waarop de Profeet eerst door het woord opmerkzaam werd; tot het zien werd hij eerst door het spreken gebracht (vgl. Openbaring :10-13). Degene, die spreekt, wordt als een man voorgesteld, en toch spreekt hij in Vers 7 als God, en kent zich toe, wat alleen aan Jehova kan toebehoren. Wij hebben dus zonder twijfel den Engel Gods voor ons, den Enigen, in wien de tegenstelling van God en mens als weggenomen en opgeheven voorkomt. De man hier is geen ander den de man, wiens gedaante was als koper (Hoofdstuk 40:3), de Profeet stelt wel met opzet de identiteit met dezen niet uitdrukkelijk op den voorgrond, omdat de lezer die door eigen waarnemen moest vinden.