Ezechiël 39:1-7
Deze profetie begint als tevoren, Hoofdstuk 38:3, 4:Ik wil aan u en Ik zal u omwenden, want er is behoefte aan regel op regel om Israëls vijanden te overtuigen en Israëls vrienden te vertroosten. Hier, gelijk daar, wordt voorzegd, dat God Zijn vijand uit de zijden van het noorden zal optrekken, gelijk vroeger de Chaldeën van het noorden had doen opkomen, Jeremia 1:14. (Omne malum ab aquilone, alle kwaad komt uit het noorden) en lange tijd daarna het Romeinse rijk van uit het noorden werd overstelpt, door natiën, die Hij zal brengen op de bergen Israëls vers 2, eerst als een plaats van de verzoeking, waar de maat van zijn ongerechtigheid zal vervuld, en dan als de plaats des gerichts, waar de verwoesting zal voltrokken worden. Daarover wordt hier uitgeweid.
1. Zijn krijgslieden worden ontwapend en zo ongeschikt gemaakt om hun onderneming voort te zetten. Ofschoon de mannen van het geweld hun hand mogen vinden, toch dient dat nergens toe, wanneer zij bemerken, dat zij geen macht meer hebben om kwaad te doen, wanneer God de boog uit hun linkerhand zal slaan en hun pijlen uit hun rechterhand doen vallen, vers 3. Zie, de wapenen, tegen Zion gesmeed, zullen niet voorspoedig zijn.
2. Hij en het grootste gedeelte van zijn leger zal op het oorlogsveld sneuvelen: "Op de bergen Israëls zult gij vallen, daar hadden zij gezondigd, en daar zullen zij omkomen, zelfs op de heilige bergen Israëls, want aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog," Psalm 76:4. De bergen Israëls zullen bevochtigd en vet en vruchtbaar gemaakt worden van het bloed van de vijanden. "Op het open veld zult gij vallen, en zelfs van daar zult gij niet vermogen te ontkomen". Zelfs op de hoge bergen zal hij geen plaats vinden om zich te handhaven, en op het open veld zal hij geen weg vinden om te ontsnappen. Hij en zijn benden, zijn geregelde troepen en het volk, dat met hen is, dat is zijn legermacht om in de roof te delen, allen zullen met hem vallen. "Zie, degenen, die hun lot onder goddelozen werpen, Spreuk. l: 14, die een buidel met hen hebben, moeten verwachten, hun lot te delen, te varen gelijk zij varen, alles met hen mee te maken". Er zal zo'n algemene slachting zijn, dat slechts een zesde deel zal ontkomen (Engelse vertaling, in de onze staat: Ik zal een zeshaak in u slaan) vers 2, de andere vijf zesden zullen afgesneden worden. Nooit werd een leger zo totaal op de vlucht gejaagd als dit. En, om de schande en schaamte nog groter te maken, zullen hun dode lichamen ter spijze blijven liggen voor het gevogelte van allen vleugel, en voor het gedierte des velde, vers 4, verg. vers 17. Gij zult vallen, want Ik heb het gesproken. Zie eer zullen de doorluchtigste vorsten (Antiochus werd Epifanes, de doorluchtige, genoemd) en de talrijkste legerscharen vallen, dan enig woord van onze God, want: "Hij heeft het gesproken en zal het doen."
3. Ook zijn land zal verwoest worden. Ik zal een vuur zenden in Magog, vers 6, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen, dat is vol gerustheid, te midden van de volken, van de heidenen. Hij meende, het land Israëls te verwoesten, maar niet alleen zal dat plan verijdeld, ook zijn eigen land zal door vuur verteerd worden, wat een of ander oordeel aanduidt. Zie, degenen, die in eens anders land vallen, verliezen rechtvaardiglijk hun eigen land.
4. God zal door dit alles de eer Zijns naams bevorderen.
a. Onder Zijn volk Israël: zij zullen hierdoor Zijn naam beter leren kennen, ook Zijn macht en goedheid, Zijn zorg voor en trouw jegens hen. Zijn voorzienigheid hen aangaande zal hen tot een betere kennis van Hem opleiden, iedere bemoeienis zowel als ieder gelood moest dat doen. "Ik zal Mijn heilige naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken". God is bekend in Juda, maar wie veel van Hem weten, moeten meer van Hem weten, wij moeten onze kennis van Zijn naam, vooral als een heilige naam, vermeerderen. Zij zullen Hem kennen als een God van volmaakte reinheid en rechtvaardigheid. die alle zonde haat, en dan volgt er: "Ik zal Mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen." Zie, degenen, die Gods heilige naam wel kennen, zullen die niet durven ontheiligen, want het is door onbekendheid met die naam, dat men hem niet eert of zelfs minacht. En dit is Gods wijze met de mensen, dat Hij eerst hun verstand verlicht en daardoor op de gehele mens invloed uitoefent, Hij leert ons eerst Zijn heilige naam kennen en bewaart ons zo, die niet te ontheiligen, maar integendeel te eren. En dit is hier de gezegende uitwerking van Gods glorierijke verschijningen ten bate van Zijn volk. Zo volmaakt Hij Zijn gunsten, heiligt ze, zo maakt Hij ze inderdaad tot zegeningen, daardoor onderricht Hij Zijn volk en hervormt het. "Als de Almachtige de koningen daarin verwoestte, werd zij sneeuwwit als op de Salmon," Psalm 68:15.
b. Onder de heidenen, zij, die nooit van Hem hoorden, of niet wilden erkennen, zullen weten, dat "Ik de Here ben, de heilige Israëls." Ze zullen Mij leren kennen door duurgekochte ervaring, dat Hij een God van macht is en de God en Zaligmaker van Zijn volk, het is tevergeefs, zo de grote potentaten met Hem twisten, niemand heeft zijn hart tegen Hem verhard en vrede gehad.