Ezechiël 10:1-7
Om ons heilig ontzag en eerbied voor God in te boezemen, en ons met Zijn vreze te vervullen, wordt ons in dit deel van het visioen, dat de profeet had, gegeven,
I. De gedaante van de heerlijkheid van Zijn majesteit. Iets van de onzichtbare wereld wordt hier zichtbaar gemaakt, door een zwakke voorstelling van haar licht en schoonheid, enkele schaduwen, maar zo, dat zij niet meer overeenstemming met de waarheid en de werkelijkheid hebben, dan een schilderij met het leven, toch is hier genoeg om ons de grootste eerbied in te boezemen, in onze denkbeelden over en onze toenadering tot God, als wij slechte ontvankelijk zijn voor de indrukken, die deze openbaring van Hem maken moet.
1. Hij is hier boven het uitspansel over het hoofd van de Cherubim, vers 1. Hij openbaart Zijn heerlijkheid in de hemel, waar reinheid en licht beide volmaakt zijn, en de grote uitgebreidheid van het uitspansel spreekt van de oneindigheid van God, die daar woont. Het is het uitspansel van Zijn sterkte, want vandaar aanschouwt Hij al de mensenkinderen. De goddelijke natuur staat oneindig ver boven de menselijke natuur, en God is over het hoofd van de Cherubim, ten opzichte van Zijn waardigheid boven hen, en van Zijn heerschappij over hen. De Cherubim hebben grote macht en wijsheid en invloed, maar zij zijn allen onderworpen aan God en Christus.
2. Hij is hier op de troon, of datgene wat de gedaante van de gelijkenis eens troons had (want Gods heerlijkheid en heerschappij gaan de schitterendste gedachten, die onze geest daarvan vormen of in zich opnemen kan, oneindig ver te boven), en het was als een saffiersteen zuiver en blinkend, zo'n troon heeft God Zich toebereid in de hemel, die de tronen van alle aardse potentaten ver overtreft.
3. Hij is hier omstuwd door een schitterend gevolg van heilige engelen. Toen God in Zijn tempel kwam, stonden de Cherubim ter rechterzijde van het huis, vers 3, als de lijfwacht van de Vorst, die de poort van Zijn paleis bewaakt. Christus heeft engelen tot Zijn dienst. De bevelen, aan alle engelen van God gegeven, zijn, Hem te aanbidden. Sommigen maken de opmerking, dat zij ter rechterzijde van het huis stonden, dat is, de zuidzijde, omdat aan de noordzijde het beeld van de ijvering stond, en andere afgodsbeelden, waarvan zij zich op zo groot mogelijken afstand wensten te houden.
4. De gedaante van Zijn heerlijkheid was omhuld door een wolk, en toch schijnt uit die wolk een verblindend licht, in het huis en het binnenste voorhof was een wolk en donkerheid, die ze vervulde, en toch was of het buitenste voorhof of hetzelfde voorhof, na enigen tijd vol van de glans van de heerlijkheid des Heeren vers 3, 4. Er was een uitstraling van glans en licht, maar, als eer al te nieuwsgierig oog er in zou willen doordringen, dan zou de wolk dat beletten. Zijn gerechtigheid is uitstekend als de bergen Gods, en de glans er van vervult het voorhof, maar Zijn oordelen zijn een grote afgrond, die wij niet kunnen peilen, een wolk waar wij niet doorheen kunnen zien. "De glans ontdekt genoeg om ons geweten ontzag in te boezemen en te leiden, maar de wolk belet ons te verwachten, dat wij onze nieuwsgierigheid kunnen voldoen, want wij zullen niets ordelijks voorstellen kunnen vanwege de duisternis. Habakuk 3:4, "Zo was er een glans als des lichts, en aldaar was Zijn sterkte verborgen. " Niets is klaarder, dan dat God is, niets is duisterder dan wat Hij is. God bedekt zich met het licht en toch, als voor ons, zet Hij duisternis tot Zijn verberging God nam bezit van de tabernakel en de tempel in een wolk, die altijd het teken van Zijn tegenwoordigheid was. In de tempel boven zal geen wolk zijn, maar wij zullen zien van aangezicht tot aangezicht.
5. De Cherubim maakten een ontzagwekkend geluid met hun vleugelen, vers 5. De trilling er van gaf een eigenaardiger klank als de snaren van muziekinstrumenten, bijen en andere gevleugelde insekten, maakten een onduidelijk geluid met hun vleugels. Waarschijnlijk betekende dit een voorbereiding voor het vertrek, door hun vleugels uit te breiden en op te heffen, maakten zij dit geluid als het ware om te waarschuwen. "Er staat, dat dit geluid was als de stem des almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt, als de donder, die de stem des Heeren wordt genoemd", Psalm. 29:3, of als de stem des Heeren, toen Hij tot Israël sprak op de Sinai, en daarom gaf Hij toen de wet met overvloediger schrik, om te kennen te geven, hoe verschrikkelijk Hij de overtreding er van straffen zou, wat Hij nu op `t punt stond te doen. Dit geluid werd gehoord tot het uiterste voorhof, het voorhof van het volk, want de stem des Heeren in Zijn oordelen, roept tot de stad, opdat zij gehoord worde door degenen, die niet, als Ezechiël, de visioenen er van zien.
II. De verschrikkelijke bevelen van Zijn toorn. Dit visioen heeft een wijder strekking dan om alleen de goddelijke grootheid te laten zien, er moeten nog meer bevelen gegeven worden voor de verwoesting van Jeruzalem. De grootste verwoestingen worden aangericht door het vuur en het zwaard. Voor een algemene slachting van de inwoners van Jeruzalem werden bevelen gegeven in het voorgaande hoofdstuk, en hier hebben wij een bevel om de stad in de as te leggen, door kolen vuurs er over te strooien, die in het visioen van tussen de Cherubim genomen werden.
1. Als Hij Zijn bevelen gaf om dit te doen, hief zich de heerlijkheid des Heeren omhoog van boven de Cherub (zoals in het voorgaande hoofdstuk, vers 3 en stond op de dorpel van het huis, op de wijze van de gerechtshoven, die in de poort van de stad zitting hielden. Het volk wilde niet luisteren naar de woorden, die God uit Zijn heiligen tempel tot hen sprak, en daarom zullen zij vandaar hun vonnis moeten horen.
2. De man, bekleed met linnen, die getekend had degenen, die behouden moesten worden, zal ook nu dienst doen, want dezelfde Jezus die de Beschermer en Zaligmaker is van hen, die geloven, Wien alle macht gegeven is, die om te veroordelen zowel als die om te vergeven, zal komen, met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen. Die op de troon zit, zegt tot de man, bekleed met linnen, ga in tot tussen de wielen, en vul uw vuisten met vurige kolen en strooi ze over de stad. Dit betekent,
a. Dat het verbranden van stad en tempel door de Chaldeën vooraf besloten was, en dat zij daarmee Gods raad ten uitvoer brachten, dat zij deden, wat Hij te voren bepaald had, dat gebeuren zou.
b. Dat het vuur van de goddelijken toorn, hetwelk het oordeel over een volk brengt, rechtvaardig en heilig is, want het is vuur van tussen de Cherubim. Het vuur van het altaar Gods, waarop verzoening gedaan werd, was verwaarloosd, en om dat te wreken wordt hier vuur uit de hemel gezonden, gelijk aan dat waardoor Nadab en Abihu gedood werden, omdat zij met vreemd vuur geofferd hadden. Als een stad of dorp of huis verbrandt, met opzet of bij toeval, en wij sporen de oorzaak er van op, dan zullen wij bevinden, dat de kolen, die het vuur aansteken van tussen de wielen kwamen, want er is geen kwaad van die aard in de stad, dat de Heere niet doet. c. Dat Jezus Christus handelt in opdracht van de Vader, "want Hij heeft Hem macht gegeven gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is. Christus kwam om vuur op de aarde te werpen, Lukas 12:49, en op de groten dag zal Hij spreken, en deze wereld zal tot as worden". Door vuur van Zijn hand zal de aarde met al wat er op is, verbranden.
3. Deze man, bekleed met linnen, voert Zijn taak met vaardigheid uit, hoewel hij niet geschikt was om bij de vurige kolen te komen, daar hij met linnen bekleed was, toch zei hij: "Zie, ik kom, toen Hij geroepen werd, dit bevel had Hij van Zijn Vader ontvangen, en Hij schikte Zich daarnaar, de profeet zag Hem ingaan," vers 2. Hij ging in en stond bij een rad, in de verwachting kolen te zullen ontvangen om uit te strooien, want wat Christus geeft, heeft Hij eerst ontvangen, `t zij tot genade, `t zij tot oordeel. Hem werd bevolen vuur te nemen, maar Hij wachtte totdat het Hem gegeven werd, om te tonen, met hoeveel tegenzin Hij het oordeel uitvoert, en hoe groot van goedertierenheid Hij jegens ons is.
4. Een van de cherubim reikte Hem een handvol vuur uit het midden van de dieren. Toen de profeet dit visioen voor de eerste maal zag, merkte hij op, dat er brandende kolen vuurs waren, en fakkelen, die steeds tussen die dieren gingen, Hoofdstuk 1:13, vandaar werd dit vuur genomen, vers 7. De geest van de uitbranding, het vuur van de goudsmid, waardoor Christus Zijn kerk zuivert, is van goddelijken oorsprong. Het is door hemels vuur, vuur van tussen de Cherubim, dat wonderen gewrocht worden. De Cherub gaf het in Zijn vuisten, want de engelen zijn bereid om de Heere Jezus te dienen en al Zijn werk te doen.
5. Toen hij het vuur genomen had, ging Hij uit, zonder twijfel om het uit te strooien over de stad, zoals Hem bevolen was. En wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen? Wie kan voor Hem bestaan, als Hij uitgaat in Zijn toorn.