Ezechiël 38:1-13
De critici en uitleggers hebben hier werk in overvloed in het onderzoek naar Gog en Magog. Wij kunnen aan hun opmerkingen niets toevoegen en hun geschillen niet uitmaken. Gog schijnt de koning en Magog het koninkrijk te zijn, zodat Gog en Magog als Farao en de Egyptenaars zijn. Sommigen zoeken ze veraf, in Scythië, Tartarije en Rusland. Anderen menen ze dichter bij het land Israël te vinden, in Syrië en Klein-Azië. Ezechiël wordt opgedragen tegen Gog te profeteren en hem te zeggen, dat God tegen hem is, vers 2 en 3 God ziet niet alleen degenen, die op `t ogenblik de vijanden van Zijn kerk zijn, die Hij tegenstaat, maar Hij voorziet ook wie het in de toekomst zullen zijn en laat hen weten door Zijn woord, dat Hij ook hen tegenstaat, en toch behaagt het Hem gebruik van hen te maken om Zijn eigen doel te bereiken, voor de ere van Zijn eigen naam, zeker "hun grimmigheid zal Hem loffelijk maken, en het overblijfsel daarvan zal Hij opbinden," Psalm 76:11. Hier moeten wij opmerken,
I. De nederlaag, die, naar Gods bestel de vijand zou toegebracht worden. Opmerkelijk is dat dit in de profetie voorop gaat, voordat voorspeld wordt, dat hij tegen Israël optrekken zal, wordt voorspeld, dat God haken in hun kaken leggen en hen omwenden zal, vers 4, opdat zij verzekerd zouden zijn van hun verlossing, voordat hun het gevaar in het vooruitzicht werd gesteld. Zo teder gevoelt God voor Zijn volk, en zo bezorgd is Hij, dat zij schrikken zullen nog voordat de ramp begint, zegt Hij hun, dat alles goed aflopen zal.
II. De onderneming, die zij, naar Zijn bestel, zouden aanvangen, en die op deze nederlaag en teleurstelling uitlopen zou.
1. De volken, die zullen helpen in deze onderneming tegen Israël, zijn vele, en groot en machtig vers 5, 6, Perzen, Moren enz. Antiochus had een leger, samengesteld uit al de volken, die hier genoemd worden, en nog veel meer. Deze volken waren met elkaar in twist geweest, en toch verenigd tegen Israël. Hoe worden zij vermenigvuldigd, die Gods volk verontrusten!
2. Zij zijn wel voorzien van wapens en ammunitie, en brengen een menigte gewapenden in het veld-paarden en ruiteren, vers 4, goed toegerust, volkomen wel gekleed, met rondas en schild voor verdediging, en zij hanteren allemaal zwaarden voor de aanval. Er worden bevelen gegeven voor alle mogelijke toebereidselen voor deze onderneming, vers 7 :Wees bereid en maak, u gereed. Zie, welke krijgsvoorraad gij reeds bezet, en maak nog meer gereed, gij en uw gehele vergadering, voor het geval, dat die niet voldoende is. Gog zelf moet een wacht zijn voor de andere verbondenen. Als opperbevelhebber moet hij de zorg voor hun veiligheid op zich nemen, hij moet voor hun veiligheid instaan, en hen onder zijn bijzondere bescherming nemen. In plaats van hun soldaten nodeloos en verwaten bloot te geven, en hun leven te verspillen aan wanhopige ondernemingen, moeten de leiders van een leger zich er op toeleggen, hun tot een wacht te zijn, en, wanneer zij hen in het gevaar zenden, voor ondersteuning en dekking de nodige maatregelen nemen. Deze aansporing om zich voor te bereiden schijnt ironisch bedoeld te zijn. "Doe zoveel kwaad, als gij kunt, maar Ik zal u omwenden, evenals in Jesaja 8:9 :Omgordt u doch wordt verbroken."
3. Hun doel is de bergen Israëls, vers 8, het land, dat weergebracht is van het zwaard. Het is nog niet lang geleden, dat het door het zwaard gekweld werd, en het is altijd min of meer woest geweest, door het een oordeel of door het andere, het is pas onlangs vergaderd uit vele volken, en uit de volken uitgevoerd, het heeft, vergelijkenderwijs, maar korte tijd gehad om op adem te komen, het heeft ter nauwer nood zijn kracht teruggekregen, sinds het door oorlog en gevangenschap ten onder gebracht was, en daarom behoeven zijn naburen niet te vrezen, dat het al te groot zal worden, en daarom is het zeer wreed er zo spoedig twist mee te zoeken. Het is een volk, dat zeker woont, allemaal zonder muur, zonder grendel noch deuren, vers 11. Het is een zeker bewijs, dat zij geen boze bedoelingen hebben tegen hun naburen, want zij vrezen geen kwaad van hen. Het is ondenkbaar, dat zij, die geen voorzorgen nemen om zich te kunnen verdedigen, anderen aanvallen, en dat verzwaart de zonde van deze aanvallers. "Het is laag en wreed kwaad te smeden tegen zijn naaste, zolang hij met vertrouwen bij hem woont, en hem niet wantrouwt", Spreuk. 3:29. Maar ziehier, hoe in deze wereld de wolken weerkomen na de regen, en hoe weinig reden wij hebben om zeker te zijn, voordat wij in de hemel komen. Het is nog niet leng geleden dat Israël weergebracht is van het zwaard van een van zijn vijanden, en ziedaar, reeds trekt een ander het zwaard. Vroegere rampen beschermen ons niet tegen verdere rampen, maar als wij menen ons, ten minste voor een tijd, losgemaakt te hebben, kunnen wij door een nieuw en plotseling alarm geroepen worden ons opnieuw aan te gorden, en daarom moeten wij nooit roemen noch de waakzaamheid laten verslappen.
4. Hetgeen de vijand op het oog heeft met het maken van dit plan, is zich te verrijken en zich meester te maken, niet van het land, maar van zijn rijkdom, te roven en te plunderen, en het tot zijn prooi te maken. Te die dage, dat God van plan is dit teweeg te brengen, zullen er raadslagen in het hart van deze vijand opkomen, en hij zal een kwade gedachte denken, vers 10. Al het kwaad, dat de mensen doen aan de kerk van God, is het gevolg van slechte gedachten, die in hun hart opkomen, eerzuchtige gedachten, hebzuchtige gedachten, wrevelige gedachten tegen hen, die goed zijn, om van de wille van hun goedheid. In Antiochus' hart kwam de gedachte op, wat een zonderling volk deze godsdienstige Joden waren, en hoezeer hun eredienst getuigde tegen de afgoderij van hun naburen en die veroordeelde, en daarom kwelde hij ze, uit vijandschap tegen hun godsdienst. Hij bedacht, wat een rijk volk zij waren, dat vee en have verkregen heeft in het midden des lands, en tevens hoe zwak zij waren, hoe onmachtig om weerstand te bieden, hoe gemakkelijk het zou zijn, hun bezittingen weg te voeren, en hoeveel roem deze roof zijn overwinnend zwaard zou brengen, toen dit alles in zijn hart opkwam, en de ene boze gedachte de andere kweekte, kwam hij ten laatste tot dit besluit, vers 11,12:"Ik zal optrekken naar dat dorpenland, ja, dat zal ik, het zal mij niets kosten, mij dat alles toe te eigenen. Ik zal komen en verstoren, degenen, die in ruste zijn, zonder hen te waarschuwen, niet om hun toenemende grootheid te verpletteren, of hun onbeschaamdheid te kastijden, of wraak op hen te nemen, voor een of ander onrecht, dat zij ons aangedaan hebben (zij hadden geen enkel voorwendsel om hun de oorlog aan te doen), maar alleen om buit te buiten en loof te roven", vers 12, in flagrante strijd met alle wetten van recht en billijkheid, ongeveer zoals een straatrover de reiziger doodt om zijn geld te kunnen nemen. Dat waren de gedachten, die in het hart van deze goddeloze vorst opkwamen, en God kende ze, ja, Hij kende ze, voordat zij in zijn hart opkwamen, want "Hij verstaat onze gedachten van verre," Psalm 139:2.
5. In overeenstemming met het aldus gemaakte plan stort hij zijn troepen over het land van Israël uit, en vindt er, die gereed zijn hem te hulp te komen met deze vooruitzichten, vers 9:"Gij zult optrekken en aankomen als een onstuimige verwoesting, met alle mogelijke kracht, woede en hevigheid, en gij zult zijn als een wolk om het land te bedekken, het te verduisteren en te bedreigen, gij en niet alleen alle uw benden, de gehele macht, die gij in het veld kunt brengen, maar ook vele volken met u", die waarvan gesproken wordt in vers 13, "Scheba en Dedan, de Arabieren en de Edomieten, en de kooplieden van Tarsis, van Tyrus en Sidon en andere zeesteden, zij en hun jonge leeuwen, die begerig zijn naar buit en er van leven, zullen zeggen: Komt gij om buit te buiten van dit land?" Zo is het, en daarom wensen zij hem voorspoed. Of misschien benijden zij hem die, of gunnen hem die niet. "Komt gij om schatten, gij, die zelf reeds zo rijk zijt?" Of, wetende, dat God aan Israëls zijde staat, bespotten zij aldus zijn pogingen daar zij vooruitzien, dat zij mislukken zullen, en dat hij teleurgesteld zal worden in de prooi, die hij zichzelf beloofd heeft. Of, als hij komt om buit te buiten, zullen zij komen en zich met hem verenigen en hun troepen bij de zijne voegen. Toen Lysias, die de aanvoerder was van Antiochus' leger, tegen de Joden oprekte, sloten zich de naburige volken bij hem aan, I Macc. 3:41, om in de schuld te delen in de hoop deel te hebben aan de buit. Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem.