Ezechiël 22:1-16
In opdracht van de Hemel zit de profeet in deze verzen op de rechterstoel, en Jeruzalem staat als beschuldigde voor de balie, en als er profeten gesteld werden over andere volken, hoeveel te meer dan over Gods volk, Jeremia 1:10. Deze profeet ontvangt macht om van de bloedstad recht te geven. Jeruzalem wordt zo genoemd niet alleen omdat zij schuldig was aan de bijzondere zonde van bloedvergieten, maar omdat haar misdaden in `t algemeen bloedige misdaden waren, Hoofdstuk 7:23, namelijk zodanig, dat zij haar bloed verontreinigden, en waarom zij verdiende, dat haar bloed te drinken werd gegeven. De taak van een rechter tegenover een boosdoener is hem van zijn misdaden te overtuigen, en dan het vonnis wegens die misdaden over hem uit te spreken. Die twee dingen moet Ezechiël hier doen.
I. Hij moet Jeruzalem schuldig bevinden aan vele snode misdaden, die hier opgesomd worden in een lange akte van beschuldiging, en deze beschuldiging wordt waar bevonden, door Hem, Wiens oordeel, daar zijn wij zeker van, in overeenstemming is met de waarheid. Hij moet haar alle haar gruwelen bekend maken, opdat God gerechtvaardigd worde in al de verwoestingen, die Hij over haar gebracht heeft. Laat ons al de bijzondere zonden, waarvan Jeruzalem hier beschuldigd wordt, bezien, zij zijn alle uitermate zondig.
1. Doodslag: "De stad vergiet bloed, niet alleen in de voorsteden, waar de vreemdelingen wonen, maar in haar midden, waar men denken zou, dat de overheden bovenal waakzaam zouden zijn Zelfs daar werden mensen vermoord, `t zij in tweegevechten, of door sluipmoord en vergif, of in de gerechtshoven, onder de bescherming van de wet, en er werden geen maatregelen getroffen om de moordenaars te ontdekken en te straffen, Genesis , 9:6, neen, zelfs werd niet eens de plechtigheid verricht, die gebruikt werd om verzoening te doen voor een doodslag, waarvan de dader onbekend was, Deuteronomium 21:1, en zo blijft de schuld en de verontreiniging op de stad rusten. Zo zijt gij schuldig geworden door uw bloed, dat gij vergoten hebt, vers 4. Op deze zonde wordt de meeste nadruk gelegd, want het was de zonde, die de maat van Jeruzalem vol maakte meer dan enige andere, er staat geschreven, dat dat de zonde was, die de Heere niet wilde vergeven, 2 Koningen 24:4..
a. De vorsten Israëls, die de beschermers hadden moeten zijn van de verdrukte onschuld, zijn geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten, vers 6. Zij dorstten er naar, en genoten er van, en ieder, die in hun macht kwam, was er zeker van, die te gevoelen, ieder, die aan hun genade overgeleverd was, konden er zeker van zijn die niet te vinden.
b. Er waren achterklappers om bloed te vergieten, vers 9. Zij vertelden leugens van de mensen aan de vorsten, wie dit, zoals zij wisten, aangenaam was, om ze tegen hen te vertoornen of zij verrieden wat door iemand in een particulier gesprek gezegd was, om buren tegen elkaar op te zetten, opdat zij elkaar in de haren zouden vliegen, en bijten, en verslinden, en elkaar alle kwaad doen tot de dood toe. Die hun buren een hatelijke naam bezorgen en boosaardige dingen van hen vertellen en daardoor tweedracht onder de broeders zaaien, zullen verantwoordelijk zijn voor al het kwaad, dat er uit voortvloeit! evenals hij, die een vuur aansteekt, verantwoordelijk is voor al de schade, die hij aanricht.
c. Er waren er, die geschenken namen om bloed te vergieten, vers 12, die met geld gehuurd werden, om een eed te doen tegen iemands leven, of als zij in de rechterstoel zaten, zich lieten omkopen, om een onschuldig man schuldig te verklaren. Als er zoveel wreed en bloedig werk verricht werd te Jeruzalem, moeten wij wel tot het besluit komen, A. Dat hun geweten schrikkelijk verdorven en verstompt was en dat hun harten verhard waren, want wie voor dit alles niet terugdeinsde, die behoefde voor geen enkele goddeloosheid terug te gaan.
B. Dat een menigte rustige goede mensen, die niemand kwaad deden, uit de weg geruimd werden, waardoor de schuld van de stad toenam, en het getal van hen, die in de bres konden springen om de toorn van God af te wenden, verminderde.
2. Afgoderij: Zij maakt drekgoden tegen zichzelve om zich te verontreinigen, vers 3. En wederom, vers 4 : Gij hebt u verontreinigd met uw afgoden, die gij gemaakt hebt. Die afgoden voor zich maken, zullen bevinden, dat zij die tegen zich zelf gemaakt hebben, want de afgodendienaars bedriegen zich zelf en bereiden zich de ondergang, behalve, dat zij zich daardoor verontreinigen, maken zij zich gehaat in de ogen van de rechtvaardige en ijverige God, en ook hun verstand en consciëntie zijn bevlekt, zodat hun geen ding rein is. Die zelf geen afgoden maakten, werden toch schuldig bevonden aan het eten op de bergen, of hoogten, vers 9, ter ere van de afgoden, en in gemeenschap met de afgodendienaars
3. Ongehoorzaamheid aan de ouders, vers 7 :Vader en moeder hebben de kinderen in u licht geacht, bespot, gevloekt, en geweigerd te gehoorzamen, hetgeen een teken was van meer dan gewoon bederf van de natuur en van de goede manieren, en een neiging tot alle soorten van verkeerdheden, Jesaja 3:5. Die hun ouders licht achten, zijn ver op weg naar alle soorten van goddeloosheden. God had vele nuttige wetten gemaakt tot ondersteuning van het ouderlijk gezag, maar men dacht er niet aan, ze uit te voeren, ja, ten tijde van de Farizeën leerde men de kinderen, onder voorwendsel van eerbied voor de "Korban," hun ouders te minachten en in hun plicht jegens hen te kort te schieten.
4. Verdrukking en afpersing. Om zich te verrijken verongelijkten zij de armen, vers 7 :Met de vreemdeling hebben zij door verdrukking gehandeld, zij maakten gebruik van zijn moeilijke omstandigheden, en van zijn onbekendheid met de wetten en gebruiken van het land. Te Jeruzalem, dat een heiligdom had moeten zijn voor de verdekte, hebben zij de wees en de weduwe verdekt door onredelijke eisen en gerechtelijk onderzoek, of bemoeilijkt door processen, waarbij de macht sterker was dan het recht, Woeker en overwinst hebt gij genomen, vers 12, niet alleen dat er in u zijn, die dat doen, maar gij hebt het zelf gedaan. Het was een daad van de stad, van de gemeenschap, het geld van de gemeenschap, dat gebruikt had moeten worden voor algemene liefdadigheid, werd op woeker gezet, vergezeld van afpersing. Gij hebt geldgierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking. Het is wel, als buren aan elkaar verdienen met eerlijke handel, maar geldgierigheid is niet bestaanbaar met de regelen van de billijkheid.
5. Ontheiliging van de sabbat en andere heilige dingen. Die gaat gewoonlijk samen met de andere zonden, waarvan zij hier beschuldigd worden, vers 8 :Mijn heilige dingen hebt gij veracht, Mijn heilige orakels en Mijn heilige geboden. De plechtigheden, die God beval, vond men te gewoon, te alledaags, zij verachtten ze, en waren verzot op de gebruiken van de heidenen. Onzedelijkheid en oneerlijkheid worden gewoonlijk vergezeld door minachting van de godsdienst en van de aanbidding van God. Mijn sabbaten hebt gij ontheiligd. In Jeruzalem was niets te zien van de sabbatsheiliging, die men in de heilige stad verwachten zou. Sabbatschending is een ongerechtigheid, die de toegang geeft tot alle ongerechtigheden. Menigeen heeft erkend, dat die meer dan iets tot zijn ondergang heeft bijgedragen. 6. Onreinheid en alle zonden, die een overtreding zijn van het zevende gebod, vrucht van die begeerlijkheden tot onreinigheid, waaraan God de mensen overgeeft op de weg van een rechtvaardig oordeel, om hen te straffen voor hun afgoderij en ontheiliging van heilige dingen. Jeruzalem was beroemd geweest om haar reinheid, maar nu hebben zij schandelijkheid in het midden van haar gedaan, vers 9 de schandelijkste voorbeelden van onreinheid worden hier genoemd, als, dat iemand zijns vaders vrouw heeft, wat de ontdekking is van zijns vaders schaamte, vers 10, en wat een zonde is, die onder christenen niet anders dan met de uiterste walging genoemd moet worden, 1 Corinthiers. 5:1, en volgens de wet van Mozes een halsmisdaad was, Leviticus 20:11. "De tijd om te omhelzen is niet in acht genomen, Prediker 3:5, want zij hebben verkracht, die onrein was door afzondering". Zij hadden niet het minste bezwaar tegen het doen van gruwel met zijns naasten huisvrouw, of zijn zuster, vers 11. En zou God over die dingen geen bezoeking doen?
7. Verzaking van God was op de bodem van al deze goddeloosheid, vers 12 :"Gij hebt Mijn vergeten, anders zoudt gij dat alles niet gedaan hebben". Zondaren doen hetgeen God tot toorn verwekt, omdat zij Hem vergeten, zij vergeten hun schepping door Hem, hun afhankelijkheid van Hem, hun verplichtingen aan Hem, zij vergeten hoeveel waarde Zijn gunst heeft, waarvoor zij zichzelf onbekwaam maken, en hoe geducht Zijn toorn is, waaraan zij zich blootstellen. "Die hun weg verkeren, vergeten de Heere hun God," Jeremia 3:21.
II. Voor deze misdaden moet hij het vonnis over Jeruzalem vellen.
1. Zij moet weten, dat zij de maat van haar ongerechtigheid vervuld heeft, en dat haar zonden van die aard zijn, dat zij uitstel onmogelijk maken en om spoedige wraak roepen. Zij heeft gemaakt dat haar tijd komt, vers 3, zij heeft haar dagen doen naderen, en zij is tot de jaren gekomen, zodat zij rijp is voor de straf, zoals een erfgenaam, die meerderjarig is en tot zijn erfenis kan ingaan, vers 4. God wilde hen nog langer verdragen, maar zij hadden zulk een trap van onbeschaamdheid in de zonde bereikt, dat God hun geen dag meer geven kon, zonder aan Zijn eer tekort te doen. Misbruikt geduld zal tenslotte het verdragen moede worden. En wanneer zondaars, zoals Salomo zegt, "al te goddeloos worden sterven zij buiten hun tijd," Psalm 7:17, en verkorten het uitstel dat God hun geeft.
2. Zij moet weten, dat zij zich ook ontbloot heeft, en daarom heeft God haar rechtvaardig ontbloot, tot verachting en spot van al haar naburen, vers 4 :Ik heb u de heidenen overgegeven tot een smaad, beide, die nabij zijn, die ooggetuigen zijn van Jeruzalems afval en ontaarding, en die verre van u zijn, die, hoewel op een afstand, het de moeite waard vonden er op te letten, vers 5, Zij zullen u bespotten. Zolang zij door hun naburen gesmaad werden om hun vasthouden aan God, strekte hun dat tot eer, en zij konden zich verzekerd houden dat God hun smaad weg zou nemen. Maar nu zij bespot worden om hun afval van God, nu moeten zij met hun schande wel genoegen nemen, en zeggen: De Heere is rechtvaardig. Zij bespotten Jeruzalem, beide, omdat haar zonden zeer schandelijk geweest waren (zij was onrein van naam en vol van onrust), en omdat haar straf zeer zwaar is, zij wordt zeer geplaagd en pijnigt zichzelf over haar ellende. Die zich pijnigen over hun ellende, worden gewoonlijk omringd door mensen, die zich daar gaarne mee vermaken.
3. Zij moet weten, dat God misnoegd is, zeer misnoegd over haar goddeloosheid, en daartegen getuigen zal, vers 13 : Ik heb Mijn hand geslagen om uw geldgierigheid Beide, door Zijn profeten en door Zijn leidingen, openbaarde God Zijn toorn van de hemel om hun goddeloosheid en ongerechtigheid, de verdrukking, waaraan zij schuldig waren, en hun doodslagen: "Om uw geldgierigheid en om uw bloed, die in het midden van u zijn, en al uw andere zonden." God heeft voldoende getoond hoe vertoornd Hij is om de goddeloze wandel van Zijn volk, en opdat zij niet zullen zeggen, dat zij niet voldoende gewaarschuwd zijn, slaat Hij Zijn hand om de zonde, voordat Hij Zijn hand op de zondaar legt. "En dat is een goede reden voor ons om de geldgierigheid te verachten, en het gewin van de onderdrukkingen, en om onze handen uit te schudden, dat zij geen geschenken behouden, omdat dat zonden zijn, waartegen God Zijn hand schudt", Jesaja 33:15.
4. Zij moet weten, dat, trots en zeker als zij is, zij voor Gods oordelen niet bestaan kan, vers 14..
a. Haar wordt verzekerd, dat de verwoesting, die zij verdiend heeft, komen zal: "Ik de Heere heb het gesproken en zal het doen." Hij, die getrouw is aan Zijn beloften, zal ook getrouw zijn aan Zijn bedreigingen, want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.
b. De veronderstelling is, dat zij in staat meent te zijn om met God te twisten, en de aanval van Zijn oordelen te doorstaan. Zij daagden de dag des Heeren uit, Jesaja 5:19. Maar,
c. Zij wordt overtuigd van haar volslagen machteloosheid om het tegen Hem op te nemen: "zal uw hart bestaan, zullen uw handen sterk zijn, in de dagen als Ik met u handelen zal?" Gij denkt dat gij alleen te doen hebt met mensen als gij zelf, maar gij zult weten, dat gij valt in de handen des levenden Gods.
d. Er komt een dag, dat God met de zondaars handelen zal, een dag van de bezoeking. Hij handelt met sommigen om hen tot bekering te brengen, en er is geen weerstand te bieden, als hij de overtuiging met kracht aandringt, met anderer handelt Hij om ze ten verderve te brengen. Hij handelt met zondaars in dit leven, wanneer Hij Zijn vreselijke oordelen over hen brengt, maar de dagen van de eeuwigheid zijn in `t bijzonder de dagen, dat God met hen handelen zal, als de volle fiolen van Gods toorn onvermengd over hen uitgestort zullen worden.
e. Als God met de zondaars gaat handelen, zal Zijn toorn tegen hen onverdraaglijk en onweerstaanbaar bevonden worden. Geen hart is sterk genoeg om die te verdragen, het is geen ziekte, die de geest van een man ondersteunen zal. Verdoemde zondaars kunnen hun pijniging niet vergeten noch verachten, ook hebben zij niets om hen onder de pijniging te ondersteunen. Geen hand is sterk genoeg om de slagen van Gods toorn af te wenden of de ketenen te verbreken, waarmee de zondaars aan de dag des toorns geklonken zijn. "Wie kent de sterkte van Gods toorn?"
5. Zij moet weten, dat, sinds zij op de weg van de heidenen gewandeld heeft, en hun werken geleerd, zij zelf onder de heidenen zal gaan, vers 15 :Ik zal u niet alleen onder de heidenen zenden, uit uw eigen land, maar Ik zal u onder hen verstrooien en u verspreiden in de landen om mishandeld en gehoond te worden door vreemden." En, sinds de onreinigheid in haar midden bleef, ondanks alles, wat God gedaan had om haar te zuiveren (zij wilde niet rein worden) Jeremia 13:27), zal Hij door Zijn oordelen haar onreinigheid uit haar verteren, Hij zal hen, die ongeneeslijk slecht zijn, vernietigen, en die tot het goede neigen, verbeteren.
6. Zij moet weten, dat God haar verloochend en haar verworpen heeft. Hij was haar erfenis en haar deel geweest, maar nu, vers 16 :"Zult gij uw eigen erfenis zijn, zorg voor u zelf, neem de beste maatregelen, die gij nemen kunt, want God zal niets meer voor u doen". Die zich overgeven aan de heerschappij van hun lusten, zullen rechtvaardiglijk overgegeven worden om hun deel te zijn. Die hun eigen meester willen blijven, kunnen geen anderen troost en geluk verwachten dan dat hun eigen handen hun kunnen verschaffen, en het zal blijken een ellendig deel te zijn. " Voorwaar zeg Ik u, zij hebben hun loon weg, Gij hebt uw goed ontvangen in uw leven." Dat is hetzelfde als: "Gij zult uw eigen erfenis zijn, en dan, als het te laat is zult gij voor de ogen van de heidenen erkennen dat Ik de Heere ben, die alleen een voldoend deel ben voor Mijn volk". Die hun invloed bij God verloren hebben, zullen die weten te waarderen.