Ezechiël 19:1-9
Hier wordt,
I. De profeet bevolen, de val van het koningshuis te bewenen, dat zo lang geschitterd had, krachtens het verbond, met David en zijn zaad gemaakt. Die ondergang en uitroeiing werden terecht betreurd door allen, die wisten welk een gewicht moet gehecht worden aan "het verbond onzes Gods." Zo vinden wij, na een lang betoog over dat verbond met David Psalm 89:4, 21 enz, een droef geklaag over zijn verstoten en verwerpen vers 39, 40. "Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen, Gij hebt het verbond uws knechts te niet gedaan, Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde". De koningen van Juda werden hier Israëls vorsten genoemd, want hun roem was getaand, hun zuiverheid bezoedeld, zij waren niet meer dan vorsten gebleven. Zij waren bedorven en afgodisch geworden als de koningen Israëls, wier wegen zij geleerd hadden. De profeet moest een weeklacht opheffen over hen, dat is, hij moet hun droeve val beschrijven als één, wie die ter harte gaat, en begeren, dat zijn hoorders die ook betreuren. En hoe kunnen wij verwachten, dat anderen ter harte nemen wat ons zelf niet ter harte gaat? Wanneer predikanten aan zondaars het verderf zonder terughouding voorhouden, moeten zij tegelijk die toekomst diep betreuren als die, die dag van wee betreuren. De profeet wordt niet gezonden tot de vorsten Israëls (dat was al lang en tevergeefs geschied) maar, nu het besluit is uitgevaardigd, heeft hij een rouwklacht daarover op te heffen.
II. Hem wordt gezegd wat hij spreken zal.
1. Hij moet het koninkrijk van Juda vergelijken met een leeuwin, zo ellendig ontaard van wat zij vroeger was geweest, namelijk een koningin onder de natiën, vers 2. Wat was uw moeder? de uwe, o koning? (Wij lezen van Salomo's kroon, waarmee zijn moeder hem kroonde, dat is, zijn volk, Hooglied 3:1, de uwe, o Juda! De koninklijke familie is als een moeder voor het koninkrijk, een voedstermoeder. Ze is een leeuwin, trots, wreed, roofzuchtig. Toen zij haar goddelijke roeping had verzaakt, verloor zij weldra ook haar menselijke, want toen zij God niet langer vreesde, ontzag zij ook de mensen niet. Zij lag neer onder de, dit is te midden der, leeuwen. God had gezegd: Dat volk zal alleen wonen, maar het vermengde zich met de volken en leerde hun werken. Zij bracht haar welpen groot in het midden van de jonge leeuwen, leerde de jongen leeuwen de manieren van de tirannen, die toen als willekeurige monarchen in het Oosten regeerden, vulde hun hoofd met gedachten aan volstrekte despotische macht en maakte hun wijs, dat zij hun onderdanen tot slaven mochten vernederen, en dat vrijheid en eigendom van hun goeddunken afhing. Zo bracht zij haar welpen groot in het midden van de jonge leeuwen.
2. Hij moet de koningen van Juda vergelijken met leeuwenwelpen, vers 3. Jacob had Juda, met name het huis van David, met een leeuwenwelp vergeleken, omdat hij zo sterk en geducht was voor zijn vijanden rondom, Genesis 49:9. Hij legt zich neer als een leeuw, en als een oude leeuw. Wie zal hem doen opstaan? Indien zij zich aan Gods wet en beloften gehouden hadden, zou God hun macht en majesteit en leeuwenheerschappij hebben gehandhaafd en dat toch doet Hij in Christus, "de Leeuw uit de stam van Juda." Maar deze leeuwenwelpen werden voor hun eigen onderdanen wrede verdrukkers, die hun vrijheid en goed zich toeëigenden. Zo maakten zij zich door hun tirannie tot een schrik voor degenen, die zij hadden moeten beschermen. En het was van Gods zijde rechtvaardig, dat Hij hun tot een schrik maakte degenen, die hun onderworpen moesten zijn. Hier wordt betreurd: a. De zonde en de val van Joahaz, een van de welpen van de leeuwin. Het werd een jonge leeuw, vers 3. Hij werd koning, en menende dat hem nu vrijstond wat hij wilde, gaf hij toe aan zijn eigen eerzucht, begerigheid en wrok, naar eigen zin en lust. Zo werd hij spoedig een meester in allerlei tirannie, hij leerde roof te roven, hij at mensen op. Toen hij macht verkreeg, deed hij allen, die hem tevoren mishaagd hadden, zijn ongenoegen gevoelen en offerde hen aan zijn wraak op. Maar waar liep dit op uit? Hij was in zijn tirannie niet lang voorspoedig: Dit hoorden de volkeren van hem, vers 4 hoorden, hoe hij na zijn troonsbestijging te keer ging, hoe hij al wat recht en heilig was met voeten trad, alle verbintenissen schond, zodat ze hem gingen beschouwen als een gevaarlijken buur en hem begonnen te vervolgen, "wanneer ook een volle menigte van de herders samengeroepen wordt tegen een leeuw die over zijn roof huilt," Jesaja 31:4. En hij werd gegrepen, als een verscheurend dier, in hun groeve. Zijn eigen onderdanen durfden hun vrijheid niet verdedigen, maar God verwekt een vreemde macht, die weldra aan zijn tirannie een einde maakte, en hem met haken naar Egypteland bracht. Daarheen werd Joahaz als gevangene weggevoerd, en nimmermeer hoorde men van hem.
b. Dezelfde zonde en dezelfde val van zijn opvolger. Het koninkrijk van Juda verwachtte een poos de terugkeer van Joahaz uit Egypte, maar begon er ten laatste aan te wanhopen. Toen nam de leeuwin een ander van haar welpen en stelde hem tot een jongen leeuw vers 5. Maar deze, in plaats van zich aan het voorbeeld van zijn broer te spiegelen, zijn macht met matigheid en rechtvaardigheid te gebruiken, en het goede voor zijn volk te zoeken, wandelde in zijns broeders sporen: Hij wandelde steeds onder de leeuwen, vers 6. Hij verkeerde met en raadpleegde degenen, die even woest en wreed waren als hij zelf en leerde hun manieren, gelijk Rehabeam de raad opvolgde van heethoofdige, onbezonnen jonge mannen. Spoedig leerde hij roof te roven en mensen op te eten, vers 6. Hij eigende zich het land van zijn onderdanen toe, beboette hen en zette hen gevangen, vulde zijn schat met roof en onrecht, boete en verbeurdverklaring en verzwolg wat hem in de weg stond. Hij wist op listige wijze te ontdekken, welke schatten iemand verborgen had en waar hij zijn goed had opgestapeld, hij kende hun eenzame plaatsen, (aldus de Engelse vertaling vers 7a), waar zij hun geld en soms zichzelf verscholen hadden, hij wist beide uit te vissen. Door zijn verdrukking verwoestte hij hun steden, ontvolkte ze door de inwoners te dwingen, hun gezinnen naar veiliger plaatsen over te brengen. Het land werd verlaten (aldus wederom de Engelse vertaling, waar de onze heeft: het land werd ontzet) en de dorpen stierven uit, en ofschoon daar overvloed en een volheid van goede dingen was toch verliet het volk ze om de geluid van zijn brullen. Hij verhief er zich op dat al zijn onderdanen bang voor hem waren gelijk de leeuw al de dieren des wouds doet sidderen, Amos 3:8, en door zijn verschrikkelijk gebrul ontzette hij ze, zodat ze van schrik voor hem neervielen, en, geen moed meer bezittende om te ontvluchten, zijn gemakkelijke prooi werden. Hij overblufte, dreigde en sprak grote woorden, zodat ieder hem uit bange vrees wat hij had afstond. Zo dacht hij zijn macht te bevestigen, maar de uitwerking was tegenovergesteld, het verhaastte zijn val, vers 8. Toen begaven zich de volkeren tegen hem rondom uit de landschappen, om zijn overmacht te beperken en te fnuiken, zij verbonden zich tegen hem voor hun gemeenschappelijke veiligheid zij spreidden hun net over hem uit, en volbrachten zo hun plannen. God bracht tegen Jehojakim benden van de Syriërs, Moabieten en Ammonieten, met de Chaldeën, 2 Koningen 24:2, en in hun groeve werd hij gegrepen. Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babylon, 2 Kronieken 36:6. Zij brachten de leeuw achter tralies, in gesloten bewaring vers 9. Wat van hem geworden is weten wij niet, maar zijn stem werd niet meer gehoord op de bergen Israëls. Zijn tirannie was paal en perk gesteld, hij was begraven met een ezels begrafenis, Jeremia 22:9, ofschoon hij een leeuw was geweest, de schrik van de machtigen in het land van de levenden. Zie, de gerechtigheid Gods wordt bekend, wanneer zij, die anderen verschrikt en tot slaven gemaakt hebben, zelf verschrikt en tot slaven gemaakt worden, wanneer zij, die hun macht misbruikt hebben om te verwoesten wat ze hadden moeten opbouwen, en dus wilde dieren, brullende leeuwen en heen en weerlopende beren geworden zijn (want zo beschrijft Salomo de goddeloze heersers over een arm volk, Spreuk. 28:15), als zodanig behandeld worden. Zij, wier hand als die van Ismaël tegen allen is, ervaren eindelijk, dat aller hand tegen hen is. Al lang had men opgemerkt, dat bloedige tirannen zelden in vrede sterven, maar dat hun op hun beurt bloed te drinken gegeven wordt, want zij zijn het waardig.
Ad generum Cereris sine caede et sanguine pauci Descendunt reges et sicca morse tyranni-Hoe weinigen, die `t recht van de volken sleuren door het slijk En dalen vreedzaam en met rust naar Pluto's duister rijk. Juvenal.