Ezechiël 45:1-8
Hier worden aanwijzingen gegeven voor de verdeeling des lands na den terugkeer, en nu God die had gewaarborgd, zou het eene daad des geloofs en niet eene dwaasheid geweest zijn, te verdeelen wat men nog niet had. En het zou welkom nieuws voor de ballingen zijn, te vernemen, dat zij niet slechts naar hun eigen land zouden terugkeeren, maar ook, hoewel ze nu weinig in getal zijn, dat ze zullen toenemen en vermenigvuldigen en zoo het land verruilen. Maar dit heeft nimmer zijne verwezenlijking gehad in den Joodschen staat na hun terugkeer uit de ballingschap, maar zou vervuld worden in de Christelijke kerk, die geheel nieuw was (gelijk de verdeeling van het land geheel verschillend was van die onder Jozua) en zeer uitgebreid door de toetreding der heidenen. Volmaakt zal ze zijn in het hemelsch koninkrijk, waarvan Kanaän steeds een type is geweest.
1. Nu is hier het deel des lands, voor het heiligdom bestemd, in welks midden de temper zou gebouwd worden met al zijne voorhoven en bijgebouwen, het overige rondom was voor de priesters. Dit wordt genoemd, vers 1, een hefoffer den Heere, want wat gegeven wordt voor werken van barmhartigheid, voor het onderhoud en de instandhouding van den openbaren eeredienst en de uitbreiding van den godsdienst, neemt God aan als Hem gegeven, als het met een eenvoudig oog gedaan wordt. Het is eene heilige plaats, die eerst bepaald wordt, gelijk de eerstelingen het deeg heiligen. De afzondering van land voor godsdienstige doeleinden en de bediening des Woords is eene daad van vroomheid, die haar loon niet ontgaat tot in verre geslachten, ja voorde eeuwigheid. Deze heilige plaats moest gemeten worden en de grenzen ervan bepaald, opdat het heiligdom juist zijn deel kreeg en later het geheele land innemen zou. Zoover zullen de landen der kerk zich uitbreiden en niet verder, zooals in het Britsche koninkrijk schenkingen aan de kerk van ouds beperkt worden door de wet op goederen in de doode hand. De grond, hiervoor het heiligdom aangewezen, was vijf en twintig duizend ellen lang en tien duizend ellen breed. De priesters en Levieten, die moesten naderen om den dienst te verrichten, zouden hun woningen hebben in een gedeelte land rondom het heiligdom, opdat zij niet ver van hun werk zouden zijn, terwijl in Jozua's tijd, bij de verdeeling des lands, de steden der priesters en Levieten over het gansche land verspreid waren. Dit wil zeggen, dat de predikanten op hun standplaats moeten wonen, waar zij hun dienst hebben te verrichten, daar moet hun woonplaats zijn.
2. Grenzende aan het terrein voor het heiligdom werd plaats aangewezen voor de bezitting van de stad, de plaats voor de inwoners en den grond, dien zij tot hun onderhoud behoefden, vers 6. Voor het gansche huis Israëls zal het zijn, niet afzonderlijk voor elken stam, zooals vroeger, maar van alle stammen zullen er in de stad wonen, zooals ook geschied is, Nehemia 11:1, 2. De grond voor de stad was even lang, maar half zoo breed als die voor het heiligdom, want de stad leefde van de nijverheid en had dus minder grond noodig.
3. De volgende toewijzing naar kerkegrond en stadsgrond is voor de kroonlanden, vers 7, 8. Hier wordt geen maat genomen, maar eenvoudig gezegd, dat zij liggen aan deze en aan gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, om af te beelden, dat de vorst met zijn rijkdom en macht beide moet beschermen. Sommigen meenen, dat het aandeel van den vorst zoo groot was als dat van heiligdom en stad samen, anderen nemen aan, dat het een dertiende deel van het overige land was, terwijl dan de overblijvende twaalf dertienden voor de twaalf stammen waren. De vorst, die voortdurend de openbare belangen bestuurt, moet iets hebben om zijne waardigheid op te houden, overvloed zelfs, om niet in verzoeking te komen zijne onderdanen te verdrukken, hetgeen bij velen daardoor nog niet werd voorkomen. Maar de genade Gods zal dit verhinderen, want het wordt hier beloofd: Mijne vorsten zullen Mijn volk niet meer verdekken, want God zal de opzieners vreedzaam en de drijvers rechtvaardig maken. Desondanks vinden wij, dat na den terugkeer der Joden naar hun eigen land, over vele vorsten geklaagd wordt, dat ze wel afpersten. Maar Nehemia was er een, die niet handelde als de vorige landvoogden, en toch zijn hof in waarde hield, Nehemia 5:15, 18. Maar dit wordt van den vorst in dezen mystieken heiligen staat gezegd, om te toonen, dat de ambtsdragers in de kerk des Nieuwen Verbonds voedstervaders zouden zijn, en Christenvorsten haar beschermers en begunstigers. De heilige godsdienst, dien zij belijden, voor zoover zij daardoor geleid worden, zal ze ervoor bewaren. Gods volk te verdrukken, omdat dat Gode meer toebehoort dan hun.
4. Het overige land werd onder het volk verdeeld naar hunne stammen, die reden hadden, zich over hun vestiging te verblijden, wanneer zij de getuigenis Israëls en den troon des gerichte zoo dicht bij hadden.