27. Ook was er ene poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden, en hij mat, hoe ver zij van de poort aan het buitenste voorhof verwijderd was van poort tot poort, den weg naar het zuiden, en hij kreeg dezelfde maat als in
Vers 19,
23, honderd ellen.
Wij kunnen de betekenis van dit gezicht alleen juist verstaan, wanneer wij het daarmee overeenkomende in Openbaring 1:1, 2, dat zeer kort is, doch een bepaald gezichtspunt aan de hand geeft vergelijken. Op de laatste plaats is, zo als wij daar nader zullen uitspreken, de uit de heidenen verzamelde kerk, inzonderheid die van het westen, welke hoofdzakelijk de verwezenlijking van Christus woord in Mattheus 21:43 moest zijn afgebeeld, gelijk dadelijk door de wijze van haar ontstaan (daar reeds in den beginne de volken bij menigte en zonder ene voorafgegane eigenlijke bekering des harten tot haar overgingen, en ook in vervolg van tijd de onmondige kinderen zonder eigene beslissing bij den doop haar werden ingelijfd, haar het karakter van een onderscheid tussen zichtbare en onzichtbare kerk, tussen kerk in ruimeren en in engeren zin, tussen de ware, op het inwendige lettende en de onreine, alleen uitwendig tot haar behorende en alleen den grond van het voorhof betredende Christenheid, is ingedrukt. Volgens des Heeren wil moest het aldus zijn: het voorhof buiten om den tempel heen zou den heidenen gegeven zijn, en de ruimte daarvan ongemeten. Er moesten, om zo te zeggen, daar zovelen rondwandelen als er wilden, gelijk ook de heilige stad Jeruzalem gedurende dezen gehelen tijd aan de vertreding was overgegeven. Het Donatisme, hetwelk van de kerk verlangt, dat zij alleen heilige en reine leden in haar midden duldt, en het Baptisme, dat het behoren tot de gemeente des Heeren van enen eerst in jaren der mondigheid ontvangen doop afhankelijk maakt, verdedigen wel ene op zichzelve Christelijke waarheid, maar miskennen Gods wegen, die Hij bij de ontwikkeling van Zijn rijk op aarde Zich voorgenomen heeft te bewandelen. Zij zetten de eisen van menselijken ijver in de plaats van de toelatingen der Goddelijke wijsheid. Dat het met de kerk zo gesteld zal zijn, heeft zijn tijd. Wanneer nu in deze onze dagen met ene zekere noodzakelijkheid zich toestanden ontwikkelen, tengevolge waarvan de kerk door haren ruimen toestand, die gehele volken zonder onderscheid van gesteldheid der bijzondere personen in zich sluit, juist de oplossing te gemoet gaat, zo is dat een teken, dat wij juist het einde van den door het profetisch woord vast bepaalden tijd, op welken dat raadsbesluit Gods betrekking heeft, zeer nabij zijn gekomen en alzo een nieuw moeten verwachten. Wat dit nieuwe zal ontwikkelen, is reeds daardoor aangewezen, dat op het gezicht van de westerse kerk in Openbaring 1, dat van de vrouw met de zon in het naaste, het twaalfde hoofdstuk volgt, waarin het beeld van Israël in zijn begin en volgens zijne oorspronkelijke bestemming tot aan het punt, dat het hersteld en in zijn land teruggevoerd zal zijn, wordt voorgesteld. in Openbaring 2:17 wordt van den toorn van den draak gezegd, dat hij, niets tegen de vrouw kunnende doen, heengaat om te strijden tegen de overigen van haar zaad, waardoor op de in Hoofdstuk 11 geschilderde heiden-Christelijke kerk in het westen wordt gezien. Dit vormt het tusschendek tussen de ontwikkeling van den Antichrist en zijnen profeet in Hoofdstuk 13, hetwelk ons in de geschiedenis van het rijk van God ene eeuw verder brengt. Gedurende deze eeuw bestaat in het heilige land de gemeente, welke uit geheel Israël, dat de Heere nu heeft zalig gemaakt, is opgebouwd, zo als wij haar in Hoofdstuk 14:1-5 zien. Met haar is verwezenlijkt, wat Ezechiel in Hoofdstuk 20:40-42 heeft voorzegd. Het is daar niet zozeer een uitwendige stenen tempel, waarvan het gezicht op de voor ons liggende plaats aan hem wordt geopenbaard. Het is in tegendeel de nieuwe theokratie zelf, welke hij in het gezicht van den tempel krijgt te aanschouwen, de gemeente der heiligen, zo als de Heere haar ganse wezen zo zal vormen, dat hij haar het onderscheid tussen zichtbare en onzichtbare kerk, tussen aanbidders van God in geest en waarheid en tussen enkel voorhofbetreders geheel ophoudt (Zacharia 14:21), en zij in al hare inrichtingen en in den toestand van al hare leden het teken in zich draagt: odi profanum vulgus et arceo (ik haat de lage menigte en weer haar van mij af). Had reeds de Apostel Petrus in 1 Petrus 2:5 den Christenen van zijnen tijd, die meestal uit heidenen waren verzameld, toegeroepen: "Zo wordt gij ook zelf als levende stenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus, " zo is dat met de uit Israël opgerichte kerk, zo ver zich dat volk tot zijnen Heiland heeft bekeerd en weer in het land der Vaderen is gebracht, nog in veel hogere mate het geval. Ieder in `t bijzonder, die tot deze uitverkorenen der genade behoort, is een levende steen, en wel in de mate van den volkomenen ouderdom van Christus. De symbolische uitdrukking daarvoor is de in Vers 5 vermelde heilige el. Volgens de opmerking bij Leviticus 19:37 heeft de gewone el 6 handbreedten, door de ene daarboven bevat dus de heilige el 7 handbreedten; daarmee komt overeen de roede = 7 gewone ellen. Alles is dus in den kring van het heilige, in het gebied van het verbondsgetal zamengebracht. Berekenen wij den gehelen inhoud van den bouw van den buitenmuur, voor welken uit de bij Hoofdstuk 41:12 gemaakte rekening een omvang van 4 ml. 500 ellen komt, dan verkrijgen wij 6 ml. 6 ml. 4 ml. 500 = 72. 000 ellen. dat is de helft van 144, 000. Dat is volgens Openbaring :4, 14:1 het gehele getal der gemeente, waarover wij spreken, en wij verkrijgen nu voor deze helft, welke den buitenmuur vormt, het begrip van ene heilige gemeente van leken, welke zich om het heiligdom heeft gelegerd, en ene omtuining vormt, welke den tempelomtrek begrenst. Hoe het vervolgens met de andere helft, welke de deur in Gods huis bewaakt (Psalm 84:11), en het levieten-ambt waarneemt, ten opzichte van het getal is, zullen wij eerst later kunnen aantonen, wanneer wij ook de maat van het overige hebben beschouwd. Vooreerst hebben wij te handelen over de roeping dier Levieten, die door de drie buitendeuren zijn gesymboliseerd. De profetische voorzegging had verkondigd, dat vele heidenen tot Israël zouden lopen om des Heeren, zijns Gods wil, en om den Heilige in Israël, die zijn volk alzo zal verheerlijken, dat zij gaarne in zijn gemeenschap zouden worden opgenomen (Jesaja 55:5). Van deze zijn er ten tijde van Christus en de Apostelen slechts aanvankelijk enige zwakke voorbeelden, de eigenlijke vervulling zal eerst dan geschieden, wanneer de twee getuigen in onze Europese Christenheid zullen gedood zijn, en hun lijken onbegraven liggen op de straat der grote stad, tot vreugde dergenen, die op aarde wonen (Openbaring 1:7), en tot onverdragelijken nood voor allen, die de kerk van Christus hebben lief gehad, maar bovenal, wanneer omtrent Babel de stem van den hemel zal worden vernomen: "ga uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan hare zonden gene gemeenschap hebt" (Openbaring 8:4). Nu staat op den berg Zion het Lam, en met Hem de 144 duizend, die den Naam Zijns Vaders hebben geschreven aan hun voorhoofd (Openbaring 4:1); daarin zullen zich dan vele zielen getrokken gevoelen. Maar even als de Heere bij Israëls terugvoering in het heilige land de afvalligen van dit volk en allen, die tegen Hem overtreden, niet mede in het land laat komen, maar ze uit Israël zal weten weg te doen (Hoofdstuk 20:38) zo zal Hij ook in Zijnen heiligen tempel, dien Hij in het midden van Zijn volk op Zion bouwt niemand uit de heidenen laten ingaan, wien ook de begeerte daarnaar vervult, maar om dezen tempel vormt Israël, in zijne ene helft vertegenwoordigd, ene heilige omtuining. Het geeft door zijn eigen wezen (Openbaring 4:4, 5) antwoord op de vraag in Psalm 15:1, en vormt ene afwijzing van diegenen, die tot de klasse van mensen behoren, welke in Openbaring 2:15 zijn opgeteld. De weg voert vervolgens met drie trappen opwaarts naar den ingang der deur. Men moet in elk geval weten in verbondsbetrekking met God te staan, anders kan men over die omtuining niet heen. En wanneer men het nu heeft ondernomen, op dezen weg te willen wandelen zo heeft men een vrij smallen gang, welke op den Drieëenigen God Want (Vers 7, 12), voor zich; men vindt daarop aan beide zijden wachters, die aan een drievoudig onderzoek onderwerpen. Met bedriegerij en snel voorbijsluipen, kan men er niet doorkomen, want van boven af is de weg der poort voor het grootste gedeelte onbedekt, en ook aan de beide zijden valt licht genoeg door de vensters. Uit hun wachtplaatsen zijn de deurwachters uit hun barrière beschermd, om niet verdrongen en in hun gezicht te worden beperkt. Daar kan ene nauwkeurige beproeving plaats hebben (Mattheus 22:11), en Israël kan zich tegen dezulken verweren, die er trachtten in te komen, zonder er in te behoren (Lukas 13:24). Wie echter de beproeving doorstaat en door de andere poort tot het voorhof mag uittreden, dien verkondigt spoedig het lofwerk van palmen aan de beide pilaren. aan wien hij zich op de heilige plaats heeft toegewijd (Psalm 92:13 vv.) Zo houdt zich de Zionsgemeente rein van alle valse broeders en onoprechte vrienden, van gasten en vreemdelingen, die hun huisorde en hun huiselijk leven zouden kunnen verderven. Zij is ene kerk, wier leden elk in `t bijzonder niet alleen zijn geheiligd, maar ook de gave der beproeving hebben ontvangen, en van welke men kan zeggen: "het is des Heeren huis; wie de zonde lief heeft, behoort daar niet in. " .
28.
II. Vers 28-47. Nu de Meter gereed is met het buitenste voorhof begint hij met het binnenste, waartoe het laatste vers der vorige afdeling reeds een overgang had gevormd. Nu komen straks drie poortgebouwen in aanmerking, welke met die van het buitenste voorhof overeenkomen (Vers 28-37). Een werkelijk verschil is hier, dat acht trappen naar boven leiden. Daar echter deze binnendeuren, om ze door ene eenvoudige uitdrukking kortelijk te onderscheiden van de poortgebouwen van het buitenste voorhof of de buitendeuren, tot het binnenste voorhof, de plaats waar de offers gebracht worden, heenleiden, zo worden ook de gereedschappen genoemd, welke daarbij aanwezig zijn, opdat de offers op de rechte wijze zouden kunnen gebracht worden (Vers 38-46). Eindelijk volgt nog ene opgaaf omtrent de ruimte en den inhoud van het binnenste voorhof (Vers 47).