Ezechiël 41:1-11
Wij luisteren nog steeds naar een profeet, die onder leiding van een engel staat, en dus met eerbied moet aangehoord worden, ofschoon wij dikwijls niet weten, wat dit of dat beduidt. Merk hier op,
1. Nadat de profeet de voorhuizen had opgenomen, werd hij naar den tempel gebracht, vers 1. Wanneer wij vlijtig acht geven op het onderricht in de eenvoudigste waarheden van den godsdienst en daarvan profeteren, dan worden wij verder in kennis gesteld met de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen zelf. Zij, die gewillig in Gods voorhoven vertoeven, worden ten laatste Zijn tempel binnengeleid. Ezechiël was zelf priester, maar door de goddeloosheid en ellende der tijden van zijn geboorterecht, om in den tempel te dienen, beroofd. God vergoedt hem dat verlies door hem in dezen profetischen evangelischen, hemelsen tempel binnen te leiden, en hem op te dragen, daarvan ene beschrijving te geven voor de kerk, in welk opzicht hij een voorrecht genoot boven al zijne medepriesters.
2. Toen de Heere Jezus van de afbreking van dezen tempel sprak, waarbij zijne hoorders aan den tweeden tempel te Jeruzalem dachten, sprak Hij van den tempel Zijns lichaams, Johannes 2. 19, 21. En met goede reden kan Ezechiël zo dubbelzinnig spreken, wijl zijn gezicht zowel betrekking had op zijn mystieke lichaam, de kerk, die het huis Gods genoemd wordt, 1 Timotheus 3:15 als op ieder lid van dat lichaam, die levende tempelen geheten worden, waarin de Geest woont.
3. Zelfs de posten van dezen tempel, de deurposten, stonden op onderling gelijken afstand en dus was de deur even breed, als de gehele breedte van den tabernakel van Mozes, vers 1, namelijk tien ellen, Exodus 26:16, 22, 25. In vergelijking met wat onder de wet geweest was, mogen wij zeggen: Breed is de poort, die in de kerk leidt, de ceremoniële wet, die middelmuur des afscheidsels, die de poort zo eng gemaakt had, werd nu afgebroken.
4. Het allerheiligste, hier het heiligdom genoemd, was een zuiver vierkant, twintig ellen lang en breed, vers 4. Want het nieuwe Jeruzalem is insgelijks zuiver vierkant, Openbaring 21:16, wat zijne vastheid aanwijst, want wij zien hier ene onbewegelijke stad.
5. De hogere verdiepingen waren breder dan de lagere, vers 7. De muren des tempels waren onderaan zes ellen dik, hoger op vijf ellen, en bovenaan vier, waardoor ruimte ontstaat voor ruimer kamers naarmate men hoger kwam, maar er werd zorg gedragen, dat alles vastgehouden werd, vers 6 (als God hoog bouwt bouwt Hij toch soliede), toch weer niet zo, dat het ene sterk werd ten koste van het andere, de delen werden vastgehouden, maar niet in den wand des huizes. Door deze trapsgewijze verbreding waren de zijkamers op de hoogte des huizes (de bovenste verdieping) zes ellen, terwijl de benedenste vier breed waren, het verschilde een el op iedere verdieping. Hoe hoger wij ons in ons allerheiligst geloof opbouwen, des te ruimer worden onze harten, die levende tempelen des Geestes.