Galaten 6:11-18
De apostel, na in het brede de leer des Evangelies te hebben voorgesteld en na getracht te hebben deze Christenen te bewegen tot een daarmee overeenkomenden wandel, had, naar het schijnt, het voornemen thans den brief te eindigen Hij zegt hun dus, dat hij als bijzonder teken van zijn belangstelling in hen, dezen langen brief met eigen hand geschreven heeft, en niet gebruik gemaakt heeft van de diensten van een schrijver, om daarna alleen zijn naam te tekenen, zoals hij in andere brieven gewoon was te doen. Maar zo groot is zijn genegenheid voor hen, zo sterk zijne begeerte om hen terug te leiden van de verkeerde leringen hun door de valse leraren ingeprent, dat hij niet eindigen kan alvorens hun nog eenmaal het ware karakter van deze leraren voorgesteld en zijn eigen daarvan geheel verschillend gedrag herinnerd te hebben, opdat zij door die beide met elkaar te vergelijken des te meer reden zouden krijgen om te zien hoe dwaas het was af te wijken van de leer, die hij hun verkondigd had, en die van de valse leraars aan te nemen.
I. Hij tekent hun het ware karakter van deze leraren, die zo begerig waren om hen te verleiden, in verschillende bijzonderheden.
1. Zij waren mannen, die een schoon gelaat wilden tonen naar het vlees, vers 12. Zij waren zeer ijverig voor de uitwendigheden van den godsdienst, altijd bereid om waar te nemen de plechtigheden van de ceremoniële wet en anderen ook daartoe te noodzaken, maar onderwijl hadden zij weinig of geen gevoel voor ware godsvrucht, want zoals de apostel van hen in het volgende vers zegt, zij zelven houden de wet niet. Hoogmoedige, ijdele, zinnelijke harten begeren niets meer dan een schoon gelaat naar het vlees, en kunnen zich zeer gemakkelijk tevreden stellen met zoveel godsdienst als nodig is om zulk een gelaat te tonen, maar gewoonlijk hebben zij het minste van den waren inhoud van den godsdienst, die het meest zich beijveren om er de vertoning van te maken.
2. Zij waren mensen, die voor het lijden terugschrikten, want zij dwongen de Christenen uit de heidenen om besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. Het was niet zozeer met het oog op de wet als op zich zelven, zij waren begerig om de wereldse lading te redden, al zouden ze dan ook schipbreuk lijden aan het geloof en een goed geweten. Hetgeen zij voornamelijk bedoelden was zich bij de Joden aangenaam te maken, en hun goeden naam onder hen op te houden, en op die wijze te voorkomen, dat zij zo in moeite kwamen als Paulus en andere getrouwe belijders van de Christelijke leer. En:
3. Een andere karaktertrek van deze mannen was, dat zij behept waren met partijgeest, en verder geen ijver voor de wet hadden dan voor zoveel het hun vleselijke en zelfzuchtige oogmerken dienen kon, "dat zij in uw vlees zouden roemen", vers 13, dat zij konden zeggen dat zij u op hun zijde hadden overgehaald, u tot hun proselieten gemaakt, en dat gij daarvan het teken in uw vlees droeg. En dus, terwijl zij voorgaven den godsdienst te bevorderen, waren zij er de grootste vijanden van, want niets kan verwoestender zijn voor de belangen van den godsdienst dan het maken van partijen.
II. Hij wijst ons ter andere zijde op zijn eigen gemoedsgesteldheid en gedrag, of legt belijdenis af van zijn eigen geloof, hoop en blijdschap.
1. Zijn voornaamste roem is in het kruis van Christus. Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, vers 14. Met het kruis van Christus bedoelt hij hier Zijn lijden en sterven aan het kruis, of de leer van zaligheid door een gekruisigden Verlosser. Dat was den Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid, en de Judese leraren zelf, ofschoon zij het Christendom omhelsd hadden, waren ten gevalle van de Joden in zoverre voor deze leer beschaamd, dat zij, teneinde vervolgingen te ontkomen, het onderhouden van de wet vermengden met het geloof in Christus, als nodig ter zaligheid. Maar Paulus dacht daar heel anders over, hij was er ver van af om zich te stoten aan het kruis van Christus of er zich voor te schamen, of bevreesd te zijn het te aanvaarden opdat hij er in roemen mocht, ja, hij wilde in niets anders roemen, en verwierp de gedachte van iets hoegenaamd daarmee in vergelijking te zetten als voorwerp van hoogachting, met den meesten afschuw. Het zij verre, enz. Dat was de grond van al zijn hoop als Christen, dat was de leer, welke hij besloten had als apostel te prediken, en welke beproevingen zijn vaste aanhankelijkheid aan die leer ook over hem brengen mocht, hij was bereid die niet alleen te ondergaan, maar er zich ook in te verblijden. Het kruis van Christus is de voornaamste roem van den waren Christen, en er is de grootste reden, waarom wij er in zouden roemen, want wij danken het al onze blijdschap en hoop.
2. Hij was der wereld gestorven. Door Christus, of door het kruis van Christus, was de wereld hem gekruisigd en hij der wereld. Hij had ondervonden de kracht en het vermogen van het kruis om hem van de wereld te spenen, en dat was een voorname reden waarom hij er in roemde. De valse leraren waren mannen met zinnelijk gemoed, hun voornaamste doel was hun eigen belang te behartigen en daaraan maakten zij hun godsdienst dienstbaar. Maar Paulus was een man van anderen geest, voor hem had de wereld geen vriendelijkheid meer, en dus had hij voor haar geen achting, hij was boven haar glimlachjes en boven haar voorhoofd-fronsen verheven, hij was er zo onverschillig voor geworden alsof hij gestorven ware. Naar deze gemoedsgesteldheid moeten alle Christenen streven, en de beste wijze om haar te verkrijgen is veel met het kruis van Christus te verkeren. Hoe hoger achting wij daarvoor hebben, des te lager gedachte zullen wij hebben van de wereld, en hoe meer wij ons verdiepen in het lijden, dat de wereld onzen dierbaren Verlosser aandeed, des te minder lust zullen wij hebben om haar te beminnen.
3. Dat voor hem de kern van den godsdienst niet aan de een of andere zijde van de betwiste belangen lag, maar in gezond Christendom, vers 15. Daar was toen een ongelukkige verdeeldheid onder de Christenen, besnijdenis en voorhuid waren de namen waardoor ze van elkaar onderscheiden werden, want, Hoofdstuk 2:9-12, de Joden werden genoemd de besnijdenis, of degenen die uit de besnijdenis zijn. De valse leraars waren zeer ijverig voor de besnijdenis, ja zozeer dat zij die voorstelden als nodig ter zaligheid, en daarom deden zij al wat ze konden om de Christenen uit de heidenen over te halen om er zich aan te onderwerpen. Daardoor dreven zij de zaak veel verder dan de anderen deden, want ofschoon de apostelen het gebruik ervan onder de Joodse bekeerlingen toelieten, wilden zij het in geen geval onder de heidenen invoeren. Maar hetgeen daar zij zoveel waarde aan hechtten, was voor Paulus van geringe betekenis. Het was inderdaad van groot belang voor de uitbreiding van het Christendom, dat de besnijdenis niet zou toegepast worden op de toegebrachten uit de Heidenen, en daarom had Paulus dat met de meeste kracht tegengestaan, maar wat besnijdenis of niet-besneden-zijn op zich zelve betreft, of zij die het Christendom aannamen Joden of heidenen waren, of ze voor of tegen het voortzetten van de besnijdenis waren, wanneer ze daarvan slechts niet hun godsdienst maakten, dat was voor hem een zaak van betrekkelijk gering belang. Want hij wist zeer goed dat in Christus Jezus, dat is door Hem, onder de bedeling van het Christendom, noch besnijdenis enige kracht heeft, noch voorhuid, om aangenaam te zijn bij God, maar een nieuw schepsel. Hier onderricht hij ons waarin wèl en waarin niet de ware godsdienst bestaat. Hij bestaat niet in besnijdenis of voorhuid, in het behoren tot een of andere afdeling van de Christelijke kerk, maar hij bestaat daarin, dat wij nieuwe schepselen zijn. Niet in het hebben van een nieuwen naam, in het tonen van een nieuw gelaat, maar in het vernieuwd zijn in den geest van ons gemoed en daarin dat Christus een gestalte in ons heeft. Dát heeft waarde voor God, en dat alleen waardeerde de apostel ook. Zo wij deze plaats met sommige andere vergelijken, kunnen we duidelijk zien wat het is, dat ons aangenaam maakt bij God, en waarop wij dus het meest moeten aanhouden. Hier wordt het ons gezegd: het is een nieuw schepsel, en in Hoofdstuk 5:6 :het is het geloof door de liefde werkende, en in 1 Corinthiërs 7:9 :het is het onderhouden van Gods geboden. Uit dit alles blijkt dat het is ene verandering van geest en hart, waardoor wij bereid en bekwaam worden om te geloven in den Heere Jezus en een leven van toewijding aan God te leiden, en dat, waar deze inwendige, levende, praktische godsdienst ontbreekt, geen uitwendige belijdenis of partijnamen ooit dien kunnen vervangen, of voldoende zijn om ons bij God aan te bevelen. Indien de Christenen het er ernstig op toelegden om dit in zich zelven tot stand te brengen en in anderen te bevorderen, dan zou dat-al bracht het hen er niet geheel toe om al hun partijnamen af te leggen- hen toch er toe brengen om daaraan niet zoveel gewicht te hechten als zij slechts al te dikwijls doen. De Christenen moeten zorg dragen dat zij het gewicht van den godsdienst leggen waar God het gelegd heeft, namelijk op die dingen, die waarde hebben om ons bij Hem aangenaam te maken. Wij zien hier dat de apostel zulks deed, en het is onze wijsheid en ons belang om daarin zijn voorbeeld te volgen. De apostel, na te hebben aangetoond wat het voornaamste in den godsdienst is en waarop hij den meesten nadruk legde, namelijk niet op een bloten naam of op een belijdenis, maar op een gezonde en zaligmakende verandering, noemt in vers 16 den zegen, welken allen verwerven, die naar dezen regel wandelen: Zo velen als er naar dezen regel zullen wandelen, over hen zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods. De regel, waarvan hij hier spreekt, kan het gehele Woord Gods zijn, dat de volkomen en onfeilbare regel voor ons geloof en wandel is, of die leer van het Evangelie, of weg tot rechtvaardigmaking en verlossing, welken hij in den brief voorgesteld had, namelijk, door het geloof in Christus zonder de werken der wet. Maar de uitdrukking kan ook meer bepaald slaan op het nieuwe schepsel, waarvan hij zo juist gesproken had. De zegeningen, welke hij begeert voor hen, die naar dezen regel wandelen of waarvan hij hun de hoop en het vooruitzicht geeft (want de woorden kunnen zowel als een gebed en als een belofte opgevat worden) zijn vrede en barmhartigheid. Vrede met God en met het geweten, en al de vertroosting van dit leven, die ze nodig zullen hebben, en barmhartigheid, of een aandeel in de vrije liefde en gunst van God in Christus, welke de fontein en springader van alle zegeningen is. En de grond daarvoor is gelegd in de genadige verandering, welke in hen gewrocht is, en omdat zij zich gedragen als nieuwe schepselen en hun leven besturen naar de voorschriften van het Evangelie, mogen zij er met volle vertrouwen op rekenen. Dat zal het deel zijn, zegt hij, van het Israël Gods, waarmee hij alle oprechte Christenen bedoelt, zowel Joden als heidenen, allen die waarlijk Israëlieten zijn, die, ofschoon zij misschien niet tot het natuurlijke zaad van Abraham behoren, het geestelijke zaad van Abraham worden. Dezen, zijnde erfgenamen van zijn geloof, zijn daardoor erfgenamen met hem van dezelfde belofte, en bijgevolg gerechtigd tot den vrede en de barmhartigheid, waarvan hier sprake is. De Joden en de Judese leraren beperkten die zegeningen tot degenen, die besneden waren en de Mozaïsche wet onderhielden, maar de apostel verklaart daartegenover, dat ze toekomen aan allen, die volgens den regel des Evangelies wandelen, of aan het nieuwe schepsel, dat is aan het Israël Gods, daarmee aanduidende, dat alleen zij het ware Israël Gods zijn, die wandelen volgens dezen regel, en niet volgens den regel der besnijdenis, waar zij zo aan hechtten, en dat dit dus de weg was om vrede en barmhartigheid te verkrijgen. Merk op: A. Ware Christenen zijn zij, die volgens dezen regel wandelen, en niet volgens een regel van eigen vinding, maar den regel, dien God zelf voorgeschreven heeft.
B. Zij, die naar dezen regel wandelen, hebben daarom toch behoefte aan de barmhartigheid Gods. Maar:
C. Allen, die oprecht trachten naar dezen regel te wandelen, kunnen er van verzekerd zijn dat over hen vrede en barmhartigheid zijn zal, het is de beste weg om vrede te hebben met God, met onszelf en met anderen, en daarom, gelijk wij verzekerd kunnen zijn van Gods gunst in dit leven, kunnen wij verzekerd zijn dat wij hiernamaals bij Hem barmhartigheid zullen vinden.
4. Dat hij met blijdschap vervolging ondergaan heeft ter wille van Christus en het Christendom, vers 17. Gelijk het kruis van Christus, of de leer van verlossing door een gekruisigden Zaligmaker, datgene was waarin hij voor alles roemde, zo was hij bereid geweest om alle gevaren te lopen liever dan dat hij deze waarheid zou verraden of toestaan dat zij bedorven werd. De valse leraars waren bevreesd voor vervolging, en dat was de voorname reden waarom zij zo ijverig waren voor de besnijdenis, gelijk we in vers 12 zien. Maar dit was in het minst niet Paulus' bedoeling, hij werd niet bewogen door een van de droefenissen, die over hem kwamen. Hij achtte op geen ding, en hield zijn leven niet dierbaar voor zich zelven, opdat hij zijn loop met blijdschap mocht volbrengen, en den dienst, welken hij van den Heere Jezus ontvangen had, om te betuigen het Evangelie der genade Gods, Handelingen 20:24. Hij had reeds veel voor de zaak van Christus geleden, want hij droeg de littekenen van den Heere Jezus in zijn lichaam, de merktekenen van de wonden, die zijn vervolgende vijanden hem geslagen hadden ter wille van zijn standvastigheid voor Christus en de leer van het Evangelie, die hij van Hem ontvangen had. Hieruit blijkt dat hij volkomen overtuigd was van de waarheid en belangrijkheid dier leer, en dat hij er ver vanaf was een voorstander van de besnijdenis te zijn, zoals valselijk hem aangaande verhaald werd. En daarom dringt hij er op aan, met de betamelijke warmte en kracht, die volgden uit zijn gezag als apostel, en de diepe overtuiging zijns harten op dit punt, dat voortaan hem niemand meer moeite aandoe, door zijn gezag of leer tegen te staan, of door zulke beschuldigingen en lasteringen als hem naar het hoofd geworpen waren. Want beide, uit wat hij gezegd en geleden had, bleek dat die ten hoogste onrechtvaardig en ongewettigd waren, zo goed als zij ten zeerste onredelijk waren, die ze bedachten of geloofden.
A. Men mag met alle recht onderstellen, dat de mensen ten volle overtuigd zijn van de waarheden, ter verdediging waarvan zij genegen zijn veel te lijden.
B. Het is zeer onrechtvaardig anderen te beschuldigen van juist het tegenovergestelde van hetgeen zij belijden en waarvoor zij lijden.
III. De apostel is nu aan het einde gekomen van hetgeen hij zich voorgenomen had te schrijven ter overtuiging en herstelling van de gemeenten van Galatië. Thans besluit hij zijnen brief met de gewone apostolische zegenbede, vers 18. Hij noemt hen zijne broederen, waarin hij zijn grote nederigheid toont en de tedere liefde, die hij voor hen gevoelt, niettegenstaande de slechte behandeling, die hij van hen ondervonden had. Hij neemt afscheid van hen met deze zeer ernstige en toegenegen bede: De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest, broeders, Amen! Dat was de gewone afscheidsgroet van den apostel, gelijk wij zien in Romeinen 16:20, 24 en 1 Corinthiërs 16:23. En hierin bidt hij hun toe, dat zij de gunst van Christus mogen genieten, beide in haar bepaalde uitwerkingen als in haar voelbare aandoeningen, dat zij van Hem alle genade mogen ontvangen, die zij nodig hebben op hun weg, om hen te sterken in hun Christendom, aan te moedigen en te troosten onder alle moeiten en beproevingen des levens en zelfs in het vooruitzicht van den dood. Dat wordt genoemd: De genade van onzen Heere Jezus Christus, want Hij is de enige, die ze verworven heeft en tot uitdeler er van is aangewezen, en ofschoon deze gemeenten genoeg gedaan hadden om haar te verbeuren, door toe te laten dat ze afgetrokken werden tot een leer en wandel, die zo hoogst-onterend voor Christus waren zowel als gevaarlijk voor hun zelven, toch begeert hij, krachtens zijn grote liefde voor hen en wetende van hoeveel belang het voor hen was, die genade ernstig voor hen. Ja hij wenst dat die zij met hunnen geest, dat zij voortdurend haar invloed in hun zielen mogen gevoelen, die hen bereid en bekwaam maken zal om met oprechtheid en getrouwheid in hun godsdienst te blijven handelen. Wij behoeven niets anders te begeren om ons gelukkig te maken dan de genade van onzen Heere Jezus Christus. Deze bidt de apostel voor deze Christenen af, en daarin toont hij ons wat wij voor alles moeten trachten te verkrijgen. En voor hun en onze aanmoediging om daarop te hopen, besluit hij met Amen!