Ezechiël 1:26-28
Alle andere trekken van het gezicht waren slechts een inleiding tot wat hier volgt. Daarin had God Zich bekend gemaakt als de Heere van de engelen en opperste Heerser van al wat op dit benedenrond geschiedt, waaruit gemakkelijk afgeleid wordt, dat Hij machtig is te volbrengen wat Hij ook door Zijn profeten berooft of dreigt. Engelen zijn slechts Zijn dienaren, mensen zijn Zijn werktuigen. Maar nu een goddelijke openbaring is gegeven aan een profeet en door hem aan de kerk, moeten wij hoger zien dan de dieren of de raderen en van het eeuwige Woord verwachten wat in deze verzen gemeld wordt. Ezechiël, de stem van boven het uitspansel horende, zag op, gelijk Johannes deed, "om te zien de stem, die met hem gesproken had, en Hij zag Iemand, als eens mensen zoon" Openbaring 1:12, 13. De tweede Persoon in het Goddelijk Wezen had soms "de gedaante van een mens aangenomen, voordat Hij er zich voor altijd mee bekleedde, en de Geest van de profetie wordt wel eens de Geest van Christus genoemd, 1 Petrus 1:2, en het getuigenis van Jezus," Openbaring 29:10.
1. De heerlijkheid van Christus, die de profeet zag, was boven het uitspansel, en dit was weer boven de hoofden van de dieren, vers 26. Zie, de hoofden van de engelen zelf zijn onder de voeten des Heeren Jezus, want het uitspansel dat boven hun hoofden is, bevindt zich onder Zijn voeten. "Engelen, machten en krachten zijn Hem onderdanig gemaakt," 1 Petrus 3:22. Deze waardigheid en heerschappij van de Verlosser voor Zijn vleeswording doet helder Zijn zelfvernedering uitkomen, toen Hij mens werd, en "een weinig minder dan de engelen." Hebreeën 2:9.
2. Het eerste, dat de profeet opmerkte, was "een troon," want goddelijke openbaring komt, gesteund door koninklijke autoriteit. Wij moeten met een geloofsoog God en Christus op een troon aanschouwen. Het eerste, dat Johannes in zijn visioenen zag, was "een troon, gezet in de hemel," Openbaring 2:9, hetwelk eerbied en onderwerping afdwingt. Het is een troon van de heerlijkheid, een troon van de heerschappij, een troon des oordeels. "De Heere heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd," Psalm 103:19, Hij heeft die bereid voor Zijn Zoon, en Hem "Koning gemaakt over Zijn heiligen berg Zion."
3. Op de troon zag hij "de gelijkenis als de gedaante van een mens". Dat is goed nieuws voor de kinderen des hemels, dat daar op de troon boven het uitspansel Een zit, die zich niet schaamt, zelfs daar niet, in de gedaante eens mensen te verschijnen. Daniël zag in zijn gezicht het koninkrijk en de heerschappij gegeven aan "een als eens mensen zoon, wie daarom macht gegeven is, ook gericht te houden, omdat hij des mensen zoon is," Johannes 5:27.
4. Hij zag Hem als een vorst en rechter op de troon. Ofschoon Hij in de gedaante van een mens verscheen, omstraalde Hem toch meer dan menselijke heerlijkheid, vers 27..
a. Is God niet een schijnend licht? Ja, toen de profeet Hem zag, aanschouwde hij Hem "als de kleur van Hasmal," dat is rondom in heerlijkheid gehuld. Want God woont in het licht, en "dekt Zich met het licht als met een kleed," Psalm 104:2. Hoe diep vernederde zich de Verlosser, toen Hij, om ons zalig te maken, Zijn heerlijkheid verborg onder de sluier van Zijn mensheid!
b. "Is God een verterend vuur? Ja, de gedaante van Zijn lendenen en opwaarts was de gedaante van vuur rondom daarbinnen." Het vuur boven de lendenen was rondom in de Hasmal (amber), het was er in besloten. Dat beneden de lendenen lag meer open en was toch rondom heerlijk. Sommigen zien in het eerste Christus' goddelijke natuur, welker heerlijkheid en macht omhuld is door de kleur van Hasmal, dat is wat geen mens heeft gezien noch zien kan. Het laatste veronderstellen zij, dat de menselijke natuur beduidt, welker heerlijkheid door mensen gezien "is, een heerlijkheid als des Eniggeboren van de Vader, vol van genade en waarheid," Johannes 1:14.. "Hij had hoornen aan Zijn hand (Engelse vertaling: stralen komende uit Zijn hand), en aldaar was Zijn sterkte verborgen," Habakuk 3:4. Het vuur, waarin hier de Zoon des mensen verschijnt, kan betekenen de oordelen, die over Juda en Jeruzalem stonden uitgegoten te worden, voortkomende uit "de vurige verbolgenheid des Almachtigen, dat de tegenstanders verslindt." Niets is vreselijker voor de onbeschaamdste zondaars dan "de toorn van Hem die op de troon zit en van het Lam", Openbaring 6:16. "De dag komt, waarop de Heere Jezus zal geopenbaard worden met vlammend vuur," 2 Thessalonicenzen 1:7, 8."het betaamt ons dus de Zoon te kussen, opdat Hij niet toorne," Psalm 2:12.
5. De troon werd omgeven door een regenboog, vers 28. Zo was het ook in Johannes' visioen, Openbaring 4:3. Deszelfs heerlijkheid was van verschillende kleuren, als de boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, welke er als teken van majesteit zeer groots en als teken van de barmhartigheid zeer vriendelijk uitziet, want hij is de bevestiging van de genaderijke belofte Gods, dat Hij de wereld niet wederom met een zondvloed zal bezoeken, dat Hij heeft gezegd: "Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond," Genesis 9:16. Dit wil zeggen, dat Hij, "die op de troon zit, de Middelaar des verbonds is," dat Zijn heerschappij dient tot onze bescherming, niet tot ons verderf, dat Hij treedt tussen ons en het oordeel, dat onze zonden verdienen, en dat "alle beloften Gods in Hem ja en amen zijn". Nu het vuur van Gods toorn tegen Jeruzalem zal ontbranden, worden daaraan perken gesteld, het zal niet ten enenmale verderven, want Hij zal de regenboog aanzien en Zijns verbonds gedenken, gelijk Hij in een dergelijk geval beloofd heeft, Leviticus 21:42.
Eindelijk hebben wij het besluit van dit gericht.
Merk op,
1. Welk een voorstelling de profeet er zelf van had, "Dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heeren." Gelijk overal is de profeet ook hier op zijn hoede tegen de stoffelijke voorstelling van de Heere, waardoor van de zuiverheid van Zijn goddelijke natuur te kort gedaan mocht worden. Hij zegt niet: "Dit was de Heere (want Hij is onzichtbaar), maar: dit was de heerlijkheid des Heeren, waarin het Hem behaagde, zich als heerlijk Wezen te openbaren. Zelfs niet: de heerlijkheid des Heeren zonder meer, maar de gelijkenis van de heerlijkheid des Heeren, een flauw afschijnsel ervan". En nog sterker: "de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heeren, zelfs niet de gelijkenis zelf", Hebreeën 10:1.
2. Welke indruk het op hem maakte: "Als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht.
a. Hij werd er door overstelpt, de verblindende glans overmeesterde hem, wierp hem ter aarde, want "wie kan staan voor deze heilige Heere God?" Of liever
b. Hij wierp zichzelf in eerbiedige houding neer, bij het besef van zijn onwaardigheid om de hem toegekende eer te ontvangen, en van de oneindige afstand, die hij nu nog levendiger gevoelde, dat er tussen hem en God bestond. Hij viel op zijn aangezicht ten teken van dat heilig ontzag en die heiligen eerbied voor God, waarmee zijn geest nu vervuld was. Zie, hoe meer het de Heere behaagt, Zich aan ons te openbaren, te dieper moeten wij voor Hem buigen. "Hij viel op zijn aangezicht om de majesteit Gods te aanbidden, Zijn barmhartigheid in te roepen en de toom te verbidden, die hij gereed zag, tegen Zijn volk uit te breken".
3. Welk een les dit hem gaf. Alles wat hij zag was alleen om hem voor te bereiden op wat hij horen zou, want "het geloof is uit het gehoor". Hij hoorde toen een stem van Een, die sprak, wij worden onderwezen door woorden, niet alleen door tekenen. Toen hij op zijn aangezicht viel, gereed om het woord te horen, toen hoorde hij een stem van Een, die sprak, want het behaagt Gode, de ootmoedigen te onderrichten.