Ezechiël 16:1-5
Ezechiël is nu onder de gevangenen te Babel, maar, zoals Jeremia te Jeruzalem schreef ten dienste van de gevangenen, hoewel zij Ezechiël op de plaats bij zich hadden, Hoofdstuk 29, zo schreef Ezechiël ten dienste van Jeruzalem, hoewel Jeremia zelf daar woonde, en toch kwam de gedachte niet bij hen op om dat als een belediging op te vatten, of als een zich bemoeien met de zaken van een ander: want dienaren hebben elkaars hulp nodig, beide bij het prediken en het schrijven. Jeremia schreef aan de gevangenen om hen te troosten, waar zij behoefte aan hadden, aan Ezechiël wordt hier bevolen te schrijven aan de inwoners van Jeruzalem voor hun overtuiging en vernedering, waaraan zij behoefte hadden.
I. Dit is zijn opdracht, vers 2 :Maak Jeruzalem haar gruwelen bekend (dat is haar zonden), stel ze voor haar aangezicht.
1. Zonden zijn niet alleen tergingen, die God vertoornen, maar gruwelen, die Hij haat, als strijdig met Zijn natuur, en die wij behoren te haten, Jeremia 44:4.
2. De zonden van Jeruzalem zijn dat op zeer bijzondere wijze. Ontheiligende handelingen zijn het meest hatelijk in hen, die belijden God te dienen.
3. Hoewel Jeruzalem een plaats is van veel kennis, toch is zij traag, om haar gruwelen te leren kennen, zo partijdig zijn de mensen in hun eigen voordeel, dat zij hun slechtheid niet willen zien noch erkennen, maar ontkennen die en bemantelen of verkleinen ze.
4. Het is noodzakelijk, dat wij onze zonden kennen, om ze te kunnen belijden en God te kunnen rechtvaardigen in hetgeen Hij over ons brengt.
5. Het is het werk van predikanten om zondaars, de zondaars in Jeruzalem, hun gruwelen bekend te maken, om hen in de spiegel van de wet te laten zien, en hun hun fouten klaarlijk aan te zeggen. Gij zijt die man!
II. Opdat Jeruzalem haar gruwelen kenne, en in `t bijzonder de gruwelijke ondankbaarheid, waaraan zij zich schuldig had gemaakt, was het noodzakelijk, dat zij herinnerd werd aan de grote dingen, die God voor haar gedaan had, als verzwaring van haar slecht gedrag tegenover Hem, en om die gunsten groot te maken, leert zij in deze verzen de geringheid en de laagheid kennen van haar afkomst, uit welk een armzalig begin God haar heeft opgewekt, en hoe onwaardig zij Zijn gunst was, en de eer, die Hij haar had aangedaan. Jeruzalem staat hier voor de Joodse kerk en natie, die hier vergeleken wordt met een te vondeling gelegd kind, laaggeboren en verlaten, waarvoor zelfs de moeder geen genegenheid of belangstelling heeft.
1. De afkomst van het Joodse volk was gering. "Uw geboorten zijn uit het land van de Kanaänieten, vers 3, van het begin af aan hadt gij de geest en de neigingen van een Kanaäniet." De patriarchen woonden in Kanaän, en zij waren daar slechts vreemdelingen en bijwoners, zij hadden geen bezitting, geen macht, geen meter grond van hen zelf, dan alleen een begraafplaats. Weliswaar waren Abraham en Sara hun vader en moeder, maar zij waren slechte huisgenoten van de Amorieten en Hethieten, die daar woonden, en zodoende de ouders schenen te zijn van Abrahams zaad, getuige de eerbied van Abraham voor de zonen Heths, Genesis 23:48, hun afhankelijkheid van hun naburen, de Kanaänieten, en de vrees, die zij voor hen koesterden, Genesis 13:7, 34:30. Als de patriarchen, bij hun eerste komst in Kanaän, het veroverd hadden, en er zich meester van gemaakt, dan zou dat hun familie tot eer gestrekt en zij zouden zich een naam gemaakt hebben in de geschiedenis, maar, in plaats daarvan, "wandelden zij van volk tot volk," Psalm 105:13, als pachters van de ene hoeve naar de andere bijna als bedelaars van deur tot deur, "als zij weinige mensen in getal waren, ja zeer weinigen. En dat was nog niet het ergste, hun vaders hadden andere goden gediend in Ur van de Chaldeën, Jozua 20:2, zelfs in Jakobs huis waren vreemde goden, Genesis 35:2. Zo vroeg hadden zij een genius, die hen tot afgoderij bracht, en in zoverre waren hun voorouders Amorieten en Hethieten.
2. Toen zij zich voor `t eerst begonnen te vermenigvuldigen, was hun toestand inderdaad zeer betreurenswaardig, zoals die van een pas geboren kind, dat noodzakelijk van de baarmoeder af sterven moet, als de knieën niet voorkomen, Job 3:11, 12. Toen de kinderen Israëls begonnen toe te nemen tot een volk en aanzienlijk werden, werden zij uit het land geworpen, dat voor hen bestemd was, een hongersnood dreef hen daar vandaan. Egypte was het vlakke veld, waarheen zij geworpen werden, daar hadden zij geen bescherming of steun van de regering, waar zij onder leefden integendeel werden zij met strengheid geregeerd en werd hun het leven verbitterd, zij werden niet aangemoedigd hun huisgezin op te bouwen, niet geholpen om hun zaken tot bloei te brengen, zij hadden geen vrienden of bondgenoten om hun invloed te versterken. Jozef, "die een herder, een steen Israëls" was geweest, was dood, de koning van Egypte, die om Jozefs wille, vriendelijk jegens hen had moeten zijn, maakte zich op, "opdat hij het kind zou verslinden, wanneer het geboren zou zijn," Openbaring 12:4, beval al wat mannelijk was, te doden, wat waarschijnlijk velen blootstelde op dezelfde wijze als Mozes, op wie deze gelijkenis misschien betrekking heeft. De stichters van volken en steden hadden alle kunsten en wapens, waarop zij meester waren, nodig, zij stelden hun hoofd te werk met list en beleid om de staat in zijn kindsheid te behouden en groot te brengen. "Tantae molis erat Romanam condere gentem-Zoveel moeite heeft het gekost de Romeinen tot een volk te maken. Virgilius". Maar aan het volk van Israël werd die zorg niet besteed, daar werd niet zoveel moeite voor gedaan, als voor Athene, Sparta, Rome en andere republieken, toen de eerste grondslagen er voor gelegd werden, integendeel, het was ten ondergang gedoemd, als een pasgeboren kind, blootgesteld aan weer en wind, de navel was niet afgesneden, het arme kind was niet met water gewassen, niet gekleed, niet in doeken gewonden, omdat niemand er medelijden mee had, vers 4, 5. Wij danken het behoud van ons jonge leven aan het natuurlijk medelijden en de natuurlijke liefde, die de God van de natuur in de harten van de ouders en verpleegsters jegens pasgeboren kinderen gelegd heeft. Dit kind is weggeworpen om de walgelijkheid van zijn ziel, het was een teken, dat die de oorzaak van zijn bestaan waren. er van walgden, en het scheen walgelijk aan allen, die er naar zagen. De Israëlieten waren "de Egyptenaars een gruwel," zoals wij vinden in Genesis 43:32, 46:34. Sommigen zijn van mening, dat hiermee de bedorven en onreine neigingen van dat volk, van het eerste begin af, bedoeld worden, zij waren niet alleen "het minst talrijke van alle volken," Deuteronomium 7:7, maar ook het ergste en slechtstgezinde van alle volken. "God geeft u dit goede land niet om uw gerechtigheid, want gij zijt een hardnekkig volk, Deuteronomium 9:6. En Mozes zegt hun hier, vers 24 : Weerspannig zijt gij geweest tegen de Heere, van de dag af, dat ik u gekend heb. Zij waren gewassen noch met zout gewreven, noch in doeken gewonden, zij waren niet handelbaar, niet te regeren, en in geen bepaalde vorm gegoten. God nam ze als Zijn volk aan, niet, omdat Hij iets in hen zag, dat Hem uitnodigde of dat iets beloofde, maar omdat het Hem goeddacht. En het is een zeer gepast beeld van de ellendige toestand van al de kinderen van de mensen van nature. "Aangaande onze geboorte, ten dage, als wij geboren waren, werden wij gebaard in ongerechtigheid en in zonde ontvangen, ons verstand was verduisterd, ons hart vervreemd van het leven met God, door zonde bevlekt, wat ans walgelijk maakte in de ogen van God. Dus verwondert u niet, dat u gezegd wordt: Gij moet wederom geboren worden."