Ezechiël 35:1-9
Het gebergte Seïr wordt genoemd als deelgenoot met Moab in een van de vroegere bedreigingen, Hoofdstuk 25:8, maar het wordt hier afzonderlijk gericht en veroordeeld, tot eigen ellende. De profeet moet onverschrokken zijn aangezicht zetten tegen het gebergte Seïr en daartegen afzonderlijk profeteren, want de God Israëls heeft gezegd: "Ziet, Ik wil aan u, o gebergte Seïr." Zie, degenen, tegen wie God is, tegen die is ook Zijn woord, en het aangezicht van Zijn dienaren, de profetie kan hun geen goed, maar alleen kwaad voorspellen. De profeet moet de Edomieten aanzeggen, dat God een twist met hen heeft en hen laten weten,
1. Om welke oorzaak God een twist met hen heeft, vers 5. God strijdt voor de zaak Zijns volks, beschouwt wat Zijn volk aangedaan is als Hem zelf aangedaan en eist daarvan rekenschap, om hunnentwille twist God nu met de Edomieten,
1. Om de vijandschap tegen Gods volk, die in hun hart wortelde. "Gij hebt een eeuwige vijandschap tegen hen, zelfs tegen de naam Israël." De Edomieten koesterden een erfelijke haat tegen Israël, dezelfde, die Ezau tegen zijn broeder had, omdat deze het eerstgeboorterecht en de zegen had verkregen. Ezau had zich met zijn broeder verzoend, hem omhelsd en gekust, Genesis 33, en wij vinden geen spoor van een later hernieuwde vijandschap. Maar de nakomelingen van Ezau wilden zich niet verzoenen met Jacobs zaad, ze haatten het met een dodelijke haat. Zie, kinderen volgen gemakkelijker de ondeugden dan de deugden hunner ouders na, en treden eer in de sporen van hun zonde dan in die van hun berouw. Daarom te meer moeten ouders zich hoeden, dat ze hun kinderen geen slecht voorbeeld geven, want, al kunnen zij door Gods genade terugkeren, en zelf het gedane kwaad zoveel doenlijk herstellen en bij God vergeving vinden, de invloed van hun slecht voorbeeld kunnen zij niet meer uitwissen. Het is vreemd, hoe diep nationale afkeer soms ingeworteld is en hoe lang die voortduurt, maar het is geen wonder, dat de goddeloze Edomieten de vrome Israëlieten haatten, "omdat de oude vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang gezet," Genesis 3:15, tot het einde zal voortduren. Verwonder u niet, als u de wereld haat.
2. Om het kwaad, dat zij Gods volk gedaan hadden. Zij hadden de kinderen Israëls doen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs. Zij hadden hen niet als open vijanden aangevallen, maar hun hinderlagen gelegd, om af te snijden die van hen ontkomen waren, Obadja 14, of teruggedreven naar het zwaard van de vervolgers, waardoor zij gevallen waren. Het was laf en barbaars, van hun ellende partij te trekken, en voor naburen, met wie zij in vrede hadden geleefd, hen heimelijk te doden, nu vreemden een openlijken inval deden. Het was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid, toen de maat vol en de verwoesting gekomen was. Zie, zelfs degenen, die terecht lijden, om hunner zonden wil, moet men met medelijden bejegenen en niet onder de voet lopen. Als een vader een kind bestraft, verwacht hij, dat de overigen ontzag hebben en er zich niet over verblijden.
II. Wat de uitslag van deze twist zou zijn. Als God Zijn hand tegen Edom uitstrekt, zal Hij het tot een verwoesting en een schrik stellen, vers 3.
1. De inwoners zullen met het zwaard geslagen worden, vers 6. Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden. Edom zal allengs verzwakt, en dan te gemakkelijker overwonnen worden, en de vijand zal kracht verzamelen om het ten onder te brengen. De voorbereiding gaat dus geruimer tijd aan de volvoering vooraf. Gij hebt het bloed niet gehaat, dat wil zeggen, gij hebt u erin verlustigd en ernaar gedorst. Zij, die geen ingewortelde haat tegen de zonde koesteren, zijn in gevaar, bij sterke verzoeking, aan de zonde toe te geven. Sommigen lezen: "Tenzij gij bloed haat," dat is: tenzij gij berouw hebt en uw bloeddorst beteugelt, "zal het bloed u vervolgen." En dan is het een vermaning, dat het oordeel nog kan gekeerd worden door een tijdige bekering. "Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten, Psalm 7:13. Maar, als hij zich bekeert, blijft het in de schede". Het bloed zal u vervolgen, de schuld van het bloed of het oordeel des bloeds, dat gij vergoten hebt, de bloeddorstige vijanden zullen u vervolgen, door welke weg gij ook moogt trachten te ontsnappen. Ene grote, algemene slachting zal onder de Idumeeërs aangericht worden, zoals voorzegd was, Jesaja 34:6, 8. De bergen en de heuvels, de valleien en de rivieren zullen vervuld worden met de verslagenen. De vervolgers zullen de vluchtenden inhalen en geen kwartier geven, maar allen met het zwaard doden. Zie, als God komt om naar vergoten bloed te onderzoeken, naar bloed van Zijn volk Israël, dat vreemden hebben doen vloeien, dan zal deze ook bloed te drinken gegeven worden, want zij zijn het waardig. (Satia te sanguine quem sitisti, verzadig u met bloed, waarnaar gij gedorst hebt.)
2. Het land zal verwoest worden. De steden zullen tot eenzaamheid gesteld worden, vers 4 het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting vers 7, want God zal daaruit uitroeien degene, die er doorgaat, en degene, die wederkeert, en wanneer de inwoners uitgeroeid zijn, die de steden moesten onderhouden, dan zullen deze vervallen en in puinhopen verkeren, en het land met doornen en distelen bedekt, zodat het spoedig een wildernis wordt. Zie, wie de verwoesting van Israël helpen bevorderen, zullen zelf in verwoesting vallen. En wat het oordeel over Edom voltooit, is, dat het tot eeuwige verwoestingen zal gesteld worden, vers 9, de steden zullen nimmer tot haar vorige toestand terugkeren noch de inwoners wederkomen uit hun gevangenschap en verstrooiing. Zie, degenen, die een eeuwige vijandschap tegen God en Zijn volk koesteren, zoals de vleselijk gezinde, kan niet anders verwachten dan een eeuwige verwoesting. Onverzoenlijke boosheid wordt rechtvaardiglijk gestraft met onherstelbare ondergang.