Ezechiël 48:1-30
Hier wordt een zeer korte en eenvoudige weg gekozen tot verdeeling van het land onder de twaalf stammen, minder omslachtig en met niet zooveel omhaal, als die in Jozua's tijd gevolgd werd, want bij de verdeeling van geestelijke en hemelsche zegeningen bestaat niet hetzelfde gevaar voor morren en twisten als bij de verdeeling van aardsche zegeningen. Toen God den arbeiders ieder een penning gaf, werden zij, die daar geen genoegen mee namen, spoedig tot zwijgen gebracht door het antwoord: Is het Mij niet geoorloofd te doen met het Mijne, wat Ik wil En zoo is hier ook de gelijke verdeeling onder de stammen. Bij deze verdeeling van het land kunnen wij opmerken,
1. Dat zij veel verschilt van de verdeeling er van in Jozua's tijd, en niet overeenstem" met hun verschillenden ouderdom, en ook niet met den zegen van Jakob of Mozes. Simeon wordt hier niet verdeeld onder Jakob, en ook is Zebulon niet aan de haven der schepen, wat klaarblijkelijk beteekent, dat het niet zoozeer letterlijk als geestelijk moet opgevat worden, hoewel het voor ons een diep verborgen mysterie is. In den tijd van het Evangelie zijn de oude dingen voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. Het Israël Gods wordt in een nieuwen vorm gegoten.
2. Dat de stam van Dan, waar het laatst voor gezorgd werd bij de eerste verdeeling van Kanaän, Jozua 19:40, hier het eerst aan de beurt is, vers 1. Aldus zullen onder het Evangelie de laatsten de eersten zijn, Mattheus 19:30. Bij de uitdeeling van Zijne genade volgt God niet dezelfde manier als bij de beschikking van Zijne leidingen. Maar Dan ontvangt nu zijn deel daar, waar hij tevoren slechts eene stad had, noordwaarts, op de grenzen van Damaskus, en het verst van alle van het heiligdom, omdat die stam weerspannig was geweest tot afgoderij.
3. Dat al de tien stammen, die door den koning van Assyrië weggevoerd werden, zoowel als de twee stammen, die lang daarna naar Babel gevoerd werden, hun deel hebben in dit visionaire land, wat volgens sommigen vervuld werd in de bijzondere personen en families van de stammen, die met Juda en Benjamin terugkeerden, waarvan zij vele voorbeelden vinden in Ezra en Nehemia, en het is waarschijnlijk, dat er op verschillende tijden groepsgewijze velen terugkeerden, waarvan geen melding gemaakt wordt, en daar Galilea en andere deelen, die in `t bezit van de tien stammen waren geweest, den Joden geschonken werden, genoten zij daarvan gezamenlijk. Grotius zegt: Als de tien stammen berouw gehad en zich tot God bekeerd hadden, zooals de hooiden der vaderen van Juda en Benjamin. en de priesteren en de Levieten, Ezra 1:5, dan zou het hun gegaan zijn als dezen twee stammen, maar zij verbeurden de gunst van deze profetie door hunne zonde. Maar toch gelooven wij, dat zij hare bepaalde vervulling heeft in de vestiging en uitbreiding van de kerk van het Evangelie, en in de gelukkige bevestiging van allen, die waarlijk Israëlieten zijn, in het zekere en liefelijke genot van de voorrechten van het nieuwe verbond, waarin genoeg is voor allen en genoeg voor elk.
4. Dat bij deze visionaire verdeeling aan iederen stam zijn bijzonder deel werd toegewezen op goddelijk bevel, want het was noodt de bedoeling van het Evangelie om de heg van den eigendom kaal te plukken en alles tot gemeenschappelijk bezit te maken, het was op den weg der liefdadigheid, en niet op dien van het wettelijk recht, dat de eerste christenen alle dingen gemeen hadden, Handelingen 2:44, en vele voorschriften van het Evangelie onderstellen, dat iedereen het zijne moet hebben. Wij moeten niet alleen erkennen, maar er ook in berusten, dat Gods hand ons ons deel beschikt, en er zeer tevreden mee zijn, in het geloof, dat het voor ons het beste is. Hij verkiest voor ons onze erfenisse, Psalm 47:4. 5. Dat de stammen aan elkander grensden, Aan de landpale van den eenen stam lag onmiddellijk het snoer van een volgenden, de een achter den ander, in nauwkeurige volgorde, zoodat zij, als de steenen in een boog, elkander vasthielden en sterkten en niet te verdrijven waren. Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders aldus samen wonen! Het was een beeld van de gemeenschap der kerken en heiligen onder het bestuur van het Evangelie, aldus zijn zij een, hoewel zij velen zijn en moeten samen blijven wonen in heilige liefde en wederkeerige hulp.
6. Dat het deel van Ruben, dat tevoren ver weg, aan den overkant van den Jordaan lag, nu naast dat van Juda ligt, en op _en na het dichtst bij het heiligdom, want de vloek over zijne schanddaad, dat hij de voortreffelijkste niet zou zijn begon om dezen tijd zijne uitwerking te verliezen. Wat de smaad is geworden van een enkel persoon of een volk, moet niet altijd gedacht, maar tenslotte liefderijk vergeten worden.
7. Dat het heiligdom in het midden van hen was. Zeven stammen waren ten noorden daarvan, en de Levieten, en het deel van den vorst en van de stad, met dat van de andere vijf stammen, ten zuiden er van, zoodat het, gelijk het behoorde, in het midden van het koninkrijk was, opdat het zijn weldadigen invloed kou verspreiden over het geheel, en het middelpunt van hun eenheid zou zijn. De stammen, die het verst van elkander verwijderd lagen, zouden elkander daar ontmoeten tot wederzijdsche kennismaking en vriendschap. Die van dezelfde gemeente zich, moeten, hoever ze ook uit elkaar wonen en hoewel zij geen andere gelegenheid hebben elkander te leeren kennen, toch geregeld tezamen komen om God te dienen en daardoor hun harten laten verbinden in heilige liefde.
8. Dat de priesters daar waren, waar het heiligdom was: Voor de priesteren zal het heilig hefoffer zijn, vers 10. Zooals dit aan den eenen kant een eer en eene gunst is voorde dienaren, dat wat voor hun voeding en onderhoud gegeven wordt, wordt beschouwd als een hefoffer den Heere, zoo beteekent het ook hun plicht namelijk in ditzelve gestadiglijk bezig te zijn, op de hun aangewezen plaats te blijven, daar zij bestemd zijn en onderhouden worden voor den dienst des heiligdoms. Die van het altaar leven, moeten het altaar bedienen, niet zelf de vergoeding aannemen en het werk aan anderen overlaten maar hoe kunnen zij het altaar bedienen, Zijn altaar, waarvan zij leven, als zij niet in de onmiddellijke nabijheid wonen?
9. De priesters, die in tijden van beproeving trouw aan God gebleven waren, ontvingen hun priesterlijk deel van deze landerijen, vers 11:Het zal zijn voor de kinderen Zadoks, die, naar het schijnt, op een kritiek oogenblik zich onderscheiden hadden, en niet gedwaald hebben, toen de kinderen Israëls en de andere Levieten dwaalden. God zal eeren, die in tijden van algemeenen afval zich rein houden en heeft voor hen bijzondere gunsten bewaard. Die tegen den stroom opzwemmen, zwemmen naar boven, en dat zullen zij ten laatste ondervinden.
10. Het land, dat eigendom was van de dienaren van het heiligdom, mocht in geen geval vervreemd worden. Het droeg hetzelfde karakter als de eerstelingen des lands, en was daarom den Heere heilig, en, hoewel priesters en Levieten beide het gebruik en het erfrecht er van hadden, zij en hun erfgenamen, toch mochten zij het niet verkoopen noch verwisselen, vers 14. Het is heiligschennis voor ander gebruik te bestemmen, wat aan God gewijd is.
11. Het land, bestemd voor de stad en haar voorsteden, wordt onheilig genoemd, vers 15, of gemeen, niet, dat de stad geen heilige stad was boven andere steden, want de Heere was daar, maar, vergeleken met het heiligdom, was zij onheilig. Toch is het dikwijls maar al te waar, in de ergste beteekenis, dat groote steden zelfs die welke, als deze, in de onmiddellijke nabijheid van het heiligdom liggen, onheilig zijn, en dat is diep te betreuren. Het was van ouds de klacht: Van Jeruzalem is de onheiligheid uitgegaan in het gansche land, Jeremia 23:15.
12. De stad is volkomen vierkant aangelegd, en de voorsteden strekken zich gelijkelijk naar alle zijden uit, zooals de steden der Levieten bij de eerste verdeeling van het land, vers 16, 17, maar daar dit nooit in eenige stad letterlijk vervuld is, is de bedoeling hiervan de geestelijke schoonheid en standvastigheid aan te geven van de kerk van het Evangelie, die stad des levenden Gods, die gevormd is naar de wijsheid en den raad Gods, en vast en onbeweeglijk wordt gesteld door Zijne belofte.
13. Terwijl de inwoners van Jeruzalem, tevoren, hoofdzakelijk uit Juda en Benjamin waren, in wier gebied het lag, ligt nu de hoofdstad niet in het bijzondere erfdeel van een der stammen, maar, die de stad dienen, en hun ambt daar hebben, zullen haar dienen uit alle stammen Israëls, vers 19. De uitstekendste mannen moeten uit al de stammen Israëls uitgezocht worden voor den dienst der stad, omdat daar vele oogen op gevestigd waren en er groote toeloop was uit alle deelen van het land en van andere volken. Het heet, dat die in de stad wonen, haar dienen, want, waar wij zijn, moeten wij er ons op toeleggen, om de plaats op de eene of andere wijze te dienen, naar ons vermogen. Zij moeten niet uit de stammen Israëls naar de stad komen om hun gemak te nemen, en het vermaak na te jagen, maar om de stad te dienen, om daar al het goede, dat zij kunnen doen, te doen, en als zij dat deden, zouden zij tevens een goeden invloed hebben op het land.
14. Er werd zorg gedragen, dat die zich aan de openbare belangen van de stad wijdden, zoowel als van het heiligdom een eervol en ruim bestaan hadden, landerijen worden aangewezen, waarvan de inkomst zal wezen tot onderhoud voor degenen, die de stad dienen vers 18. Wie gaat ten oorlog op zijn eigen kosten? Overheden, die den dienst van den staat waarnemen, zoowel als predikanten, die den dienst van de kerk waarnemen, moeten in hun werk alle behoorlijke aanmoediging en ondersteuning hebben, en daarom betalen wij ook schattingen.
15. De vorst had een deel voor zich, in overeenstemming met de waardigheid van zijn hoogen rang, vers 21, wij namen er reeds eerder kennis van, Hoofdstuk 45. Het was gelegen bij het heiligdom, waar het getuigenis van Israël was, en bij de stad, waar de stoelen des gerichts waren, om heide te beschermen en toe te zien, dat de plichten van beide nauwgezet en getrouwelijk nagekomen werden, en hierin was hij een dienaar van God tot welzijn van de gansche gemeenschap. Christus is de Vorst der kerk, die haar aan alle kanten verdedigt, en aan de verdediging het aanzijn geeft, ja, Hij zelf is de verdediging van al haar heerlijkheid en omringt die met Zijne gunst.
16. Evenals Juda zijn deel had naast het heiligdom aan de eene zijde, zoo had Benjamin zijn deel van alle stammen het dichtst er bij aan de andere zijde, welke eer bewaard bleef voor hen, die het huis van David en den tempel aankleefden, toen de andere tien stammen van beide afdwaalden. Het is genoeg, als verraad en afval, na het berouw, vergeven worden, maar standvastigheid en trouw zullen beloond en verhoogd worden.