Ezechiël 8:13-18
I. Nog meer grote gruwelen worden door de profeet ontdekt. Hij dacht, dat wat hij gezien had, al erg genoeg was en toch, vers 13 :Gij zult nog wederom grote gruwelen zien, en grotere, vers 15, dan eerst, vers 6. Er zijn mensen, die teruggetrokken leven en niet weten, hoeveel goddeloosheid er in de wereld is, en hoe meer wij er mee omgaan, en hoe beter wij ze leren kennen, des te meer verdorvenheid zien wij. Als wij iets gezien hebben dat erg is, kan aan onze verbazing een eind gemaakt worden door de ontdekking van wat in een of ander opricht, nog veel erger is. Dat zullen wij ook bevinden, wanneer wij ons eigen hart onderzoeken en beproeven, er is een wereld van ongerechtigheid in, veel en velerlei gruwelen, en, als wij veel verkeerds gevonden hebben, vinden wij altijd nog meer, arglistig, ja dodelijk is het hart, wie zal het kennen? De gruwelen, die hier ontdekt worden, zijn,
1. Vrouwen bewenende de Thammuz vers 14. Inderdaad iets gruwelijks, dat iemand liever een afgod verkiest te dienen met tranen dan God met blijdschap en vrolijkheid des harten! Toch zijn aan deze ongerijmdheden schuldig die de valse ijdelheden onderhouden en hunlieder weldadigheid verlaten. Sommigen menen, dat het Adonis was, een afgod van de Grieken, anderen denken, dat zij weenden over Osiris, een afgod van de Egyptenaars. Men zegt, dat het beeld aan het wenen gebracht werd, en dan weenden de vereerders mee. Zij beweenden de dood van deze Thammuz, en verblijdden zich dan in zijn herleving. Deze wenende vrouwen zaten aan de deur van de poort van het huis des Heeren, en vergoten daar haar afgodische tranen, als het ware ten spijt van God en de heilige plechtigheden van Zijn dienst, en sommigen menen, dat zij, bij hun afgoderij zich ook overgaven aan lichamelijke hoererij, want deze beide gingen gewoonlijk samen, en die de goddelijke natuur onteerden door het ene, werden rechtvaardiglijk overgegeven tot onterende bewegingen, en een verkeerde zin om de menselijke natuur te onteren, die nooit zover beneden peil zonk als in deze afgodische plechtigheden.
2. Mensen, die zich nederbogen voor de zon, vers 16. En deze gruwel was te groter, omdat ze gedaan werd aan de deur van de tempel des Heeren, tussen het voorhuis en tussen het altaar. Daar, waar de heiligste plechtigheden van hun heilige godsdienst gewoonlijk plaats vonden, werd deze gruwelijke goddeloosheid bedreven. Terecht zou God in toorn tegen hen, die Hem hoonden voor Zijn eigen deur, kunnen zeggen, wat de koning tot Haman zei: "Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis?" Hier waren omtrent vijf en twintig mannen, die aan de zon de eer gaven, die God alleen toekomt. Sommigen menen, dat het de koning en de vorsten waren, maar het schijnt eer, dat het priesters waren, want dit was het hof van de priesters, en juist de plaats waar men hen vinden kon. Zij, aan wie de ware godsdienst toevertrouwd was, die er voor zorgen moesten en hem bewaken, zij waren de mannen, die hem verrieden.
a. Hun achterste leden waren naar de tempel des Heeren, als besloten die te vergeten en opzettelijk die veronachtzamende, en verachtende. Als de mensen Gods inzettingen de rug toekeren, dan is het geen wonder, dat zij hun eigen uitvindingen nawandelen. Goddeloosheid is het begin van afgoderij en alle ongerechtigheid.
b. "Hun aangezichten waren naar het Oosten, en zij bogen zich neer voor de zon." Dit soort afgoderij was al oud, het wordt vermeld in Job 31:26, en was algemeen in zwang onder de heidenen, sommigen aanbaden de zon onder deze en anderen onder een anderen naam. Deze priesters, overwegende, dat zij de traditie en de algemene opinie op haar zijde hadden (de twee argumenten, die de roomsen tot op deze dag bezigen ter verdediging van hun bijgelovige plechtigheden, en in `t bijzonder van die om zich bij het bidden naar het Oosten te richten), pleegden die in het voorhof van de tempel, daar zij het een verzuim vonden, dat die niet in hun ceremoniëel opgenomen was. Zie de dwaasheid van de afgodendienaars, die als god aanbaden en Baäl, dat is: Heer noemden, wat God tot een knecht van het heelal gemaakt had (want dat is de zon en dat is de betekenis van haar naam, "Shemech, Deuteronomium 4:19), en het ontleende licht aanbidden en de Vader van de lichten verachten".
II. De gevolgtrekking, uit deze ontdekkingen gemaakt, vers 17. Hebt gij mensenkind, dat gezien! en hadt gij wel ooit gedacht, zo iets te zullen zien in het huis des Heeren?"
1. Hij wendt Zich tot de profeet over de snoodheid van de misdaad. Denkt hij, dat er iets lichter geacht is bij het huis van Juda, die toch beter weten en ook belijden en met zoveel voorrechten boven andere volken verwaardigd zijn? "Is het te verontschuldigen in hen, die Gods Woord en geboden hebben, de gruwelen te doen, die zij hier doen? Verdienen zij niet te lijden, die aldus zondigen? Zouden zulke gruwelen als deze niet verderven," Daniël 9:26.
2. Hij verzwaart ze met het bedrog en de onderdrukking, die in alle delen van het land te vinden waren. "Zij hebben het land met geweld vervuld". Het is niet vreemd, dat zij, die God aldus verongelijken, er geen gewetensbezwaar van maken elkaar te verongelijken en al wat recht is, vertrappen tegelijk met al wat heilig is. En de goddeloosheid van hun handel en wandel maakt zelfs de hulde, die zij God brengen, tot een gruwel, Jesaja 1:11 enz. "Als zij het land met geweld vervuld hebben, keren zij zich tot de tempel, om Mij daar te vertoornen, want zelfs hun offers, in stede van te verzoenen, maken hun schuld slechts groter. Zij keren zich om Mij te vertoornen! (zij doen het en doen het opnieuw) en zie, zij steken de wijnranken aan hun neus-een spreekwoordelijke uitdrukking, die misschien hoon en bespotting betekent, zij haalden hun neus op voor Zijn dienst, die hun te min was". Of het was een gewoonte bij de afgoderij, een hulde aan de afgoden. Wij lezen van kransen, die bij de dienst van de afgoden gebruikt werden, Handelingen 14:13, waaruit iedere ijveraar een takje nam, om er aan te ruiken als aan een ruiker, Dr Lightfoot (Hor. Heb. op Johannes 15:6) geeft aan deze plaats een andere betekenis: "Zij brengen de wijnranken bij hun toorn, of bij Zijn toorn, (zoals de Mazordische tekst luidt) dat wil zeggen, zij brengen steeds meer brandstof (zoals verdorde wijnranken) bij het vuur van de goddelijken toorn, dat zij reeds ontstoken hebben, alsof dat niet reeds brandstof genoeg had". Het steken van de ranken aan hun neus kan ook betekenen hoon en terging van God of mensen, zij zijn een geslacht van spotters.
3. Hij velt het vonnis over hen, dat zij ganselijk afgesneden zullen worden. Daarom, omdat zij zich met zoveel hartstocht aan de zonde overgeven, zal Ik handelen in grimmigheid, vers 18. Zij hebben het land met geweld vervuld, en God zal het land vervullen met het geweld van hun vijanden, en Hij wil niet langer Zijn oor goedgunstig neigen tot de ingevingen,
a. Van Zijn eigen medelijden. "Mijn oog zal niet verschonen en Ik zal niet sparen", het berouw zal voor Zijn oog verborgen zijn.
b. Van hun gebed: "Hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik ze niet horen", want hun zonden roepen altijd luider om wraak, dan hun gebed om genade. God zal nu even doof zijn voor hun gebeden als hun eigen afgoden waren, tot wie zij riepen, maar tevergeefs, 1 Koningen 18:26. Er was eens een tijd, toen God bereid was te horen, zelfs "voordat zij riepen, en te antwoorden, terwijl zij nog spraken, maar nu zullen zij Mij vroeg zoeken, maar niet vinden," Spreuk. 1:28. Het is niet een luide stem, maar een oprecht hart, waar God op letten zal.