Ezechiël 12:1-16
Misschien dacht Ezechiël met zoveel genoegen aan het visioen van de heerlijkheid Gods, dat hem te beurt gevallen was, dat hij dikwijls, sinds het van hem opgetrokken werd, wenste, dat het opnieuw tot hem neergelaten zou worden en, daar hij het eens en tweemaal gezien had wilde hij hopen, dat hem die gunst een derde maal wedervaren mocht, maar wij vinden niet, dat hij het ooit weer gezien heeft, en toch "geschiedt het Woord des Heeren tot hem, want God heeft op velerlei wijze tot de vaderen gesproken," Hebreeën 1:1 en dikwijls hoorden zij de woorden van God, als zij de gezichten van de Almachtige niet zagen. Het geloof komt door het gehoor van dat woord van de profetie, dat meer zeker is dan het visioen. Wij kunnen de gemeenschap met God onderhouden zonder verrukking en geestvervoering.
I. In deze verzen wordt de profeet bevolen, met welke tekenen en handelingen hij de naderende gevangenschap van Zedekia, de koning van Juda, moet aanduiden, dat was het wat voorspeld moest worden, en het wordt voorspeld aan hen, die al in gevangenschap waren, omdat, zolang Zedekia op de troon zat, zij zich vleiden met de hoop, dat hij zich staande zou houden tegen de koning van Babel, wiens juk hij nu van plan was af te schudden waarvan deze arme gevangenen zich waarschijnlijk grote dingen beloofden, en misschien ook zond hij, terwijl hij deze plannen maakte, in het geheim, een boodschap van bemoediging tot hen, om hun hoop te geven, dat hij ze binnenkort bevrijden zou of hun de vrijheid geven door uitwisseling van de gevangenen. Zolang zij deze hoop koesterden, konden zij er niet toe komen, zich aan hun beproeving te onderwerpen of er enig nut van te trekken. Daarom was het noodzakelijk, maar zeer moeilijk, hen te overtuigen, dat Zedekia, in plaats van hun verlosser, binnenkort hun deelgenoot in het lijden zou zijn. Men zou denken, dat het voldoende was, als Ezechiël hun dit in Gods naam aanzeide, zoals hij ook deed, vers 10 maar om hen op de profetie voor te bereiden moet hij hun eerst een teken geven, moet hij eerst tot hun ogen spreken en dan tot hun oren, en hier hebben wij,
1. De reden waarom hij deze methode volgen moet, vers 2 :het is, omdat zij een dom, stompzinnig, gedachteloos volk zijn, dat niet wil luisteren, of spoedig vergeten is, wat het gehoord heeft, of er ten minste niet door getroffen wil zijn, het zal in `t geheel geen indruk op hen maken: Gij woont in het midden van een weerspannig huis, dat voor het goede bijna onontvankelijk is. Zij "hebben ogen en oren, zij hebben verstandelijke krachten en vermogens maar zij zien niet en horen niet," Psalm 115:5-6, 8. Weerspannig moeten heten, allen, die hun ogen voor het goddelijk licht sluiten, en hun oren voor de wet van God toestoppen. De onwetendheid van hen, die opzettelijk onwetend zijn, die vermogens en middelen hebben en ze niet willen gebruiken, wel verre van hun schuld te verminderen, doet nog tot hun zonde toe. Niemand is zo blind en doof, als die niet zien en niet horen wil. Zij zien niet, zij horen niet, want zij zijn een weerspannig huis. De oorzaak ligt geheel bij hen, de duisternis van hun verstand is aan de verdorvenheid van hun wil te wijten. En dat is de reden, waarom hij door tekenen tot hen spreken moet zoals men doven onderwijst, opdat zij geleerd of beschaamd mogen zijn. Predikanten moeten zich schikken, niet alleen naar de zwakheid, maar ook naar de eigenzinnigheid van hen, met wie zij te doen hebben, en hen daarnaar behandelen, als zij wonen onder degenen, die hardnekkig zijn, moeten zij zoveel nadrukkelijker en duidelijker spreken, en zó dat het waarschijnlijk de meesten indruk op hen maken zal, opdat hun geen verontschuldigingen overblijven.
2. De methode, die hij volgen moet om hen op te wekken en te treffen, hij moet zich voorzien van al het nodige voor het vertrek, vers 3 hij moet geld en klederen tot zich nemen, hij moet vertrekken van de ene plaats naar een andere, als iemand, die verjaagd en gedwongen wordt te vluchten, dit moet hij doen bij dag, voor de ogen van het volk, hij moet al zijn huisraad naar buiten brengen, om ingepakt en weggezonden te worden, vers 4, en, omdat alle deuren en poorten zo gesloten waren, dat zij er niet door konden, of zó bewaakt door de vijand, dat zij niet durfden, daarom moet hij de wand doorgraven, en heimelijk zijn reisgoed door dat gat in de wand uitbrengen vers 5. Hij moet het zelf op de schouder nemen, bij gebreke van een knecht, hij moet dit doen in de avond, om niet ontdekt te worden, en als hij alles wat hij kan, gedaan heeft, om het beste mee te nemen, dan moet hij zelf in de avond voor hun ogen uitgaan met vreze en beving vanwege de Chaldeen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken, vers 4, dat is: hij moet zijn aangezicht bedekken, vers 6, als zich schamende om gezien, en bevreesd om herkend te worden, of ten teken van grote smart, hij moet weggaan als een arm, geruïneerd koopman, die, als hij gedwongen is zijn winkel te sluiten, zijn gezicht bedekt en zijn land verlaat. Aldus moet Ezechiël hun zelf tot een teken zijn, en misschien, omdat hij wat onwillig was om al die moeite te doen, en zich bloot te stellen aan spot en belaching, en om hem er mee te verzoenen, zegt God, vers 3. "Misschien zullen zij het merken, en er door opgeschrikt worden uit hun ijdel vertrouwen, hoewel zij een weerspannig huis zijn." Wij moeten zelfs aan de slechtste mensen niet wanhopen, opdat zij er nog toe gebracht mogen worden zich te bedenken en berouw te hebben, en daarom moeten wij voortgaan gebruik te maken van gepaste middelen voor hun overtuiging en bekering, omdat, zolang er leven is, er ook hoop is". En predikanten moeten gewillig zijn, om de moeilijkste en lastigste bezigheden te verrichten (want dat was zijn vertrek voor Ezechiël), ook al hebben zij misschien geen succes. Als er ook maar een ziel wordt opgewekt om na te denken, dan is onze zorg en moeite goed besteed.
3. Ezechiëls vaardige en stipte gehoorzaamheid aan de bevelen hem door God gegeven vers 7. Ik deed, gelijk als mij bevolen was. Hiermee leert hij ons allen, in `t bijzonder predikanten,
a. Met blijmoedigheid ieder bevel van God te gehoorzamen, zelfs het moeilijkste. Christus leerde zelf gehoorzaamheid, en dat moeten wij allen.
b. Alles te doen, wat wij kunnen voor het welzijn van de zieren van anderen, geen moeite of inspanning te ontzien ter overtuiging van hen, die nog niet overtuigd zijn. Wij doen alles (dat is wij zijn bereid om alles te doen), geliefden, tot uw stichting.
c. Om zelf warm te zijn voor hetgeen, waarmee zij anderen willen treffen. Als Ezechiël zijn toehoorders een droef vooruitzicht wil voorstellen dan neemt hij zelf een droevig uitzicht aan.
d. Los te zijn van deze wereld, en ons voor te bereiden, om ze te verlaten, ons reisgoed uit te brengen voor vertrek, omdat wij hier geen blijvende stad hebben. Maakt u op en gaat henen, want dit land zal de ruste niet zijn, omdat het verontreinigd is. Gij woont in een weerspannig huis, bereidt u daarom om te vertrekken, want wie zou niet gewillig zijn, zo'n huis, zulk een goddeloze wereld als deze te verlaten.
II. Hem wordt bevolen met welke woorden hij deze tekenen en handelingen moet verklaren, zoals Agabus, toen hij zijn eigen handen en voeten bond, zei, wiens binden daardoor betekend werd. Maar het was niet voor de morgen, dat God hem uitleg gaf van het teken niet voor de volgende morgen, om hem in voortdurende afhankelijkheid van God te houden voor Zijn onderricht. Wat God doet en wat Hij ons beveelt te doen, weten wij misschien nu niet, maar wij zullen het hiernamaals weten. 1. Verondersteld werd, dat het volk de bedoeling van dit teken vragen zou, of tenminste behoorden zij dat te doen, vers 9 : "Heeft niet het huis Israëls tot u gezegd: Wat doet gij? Ja, Ik weet, dat zij het gedaan hebben. Hoewel zij een weerspannig huis zijn, toch zijn zij nieuwsgierig naar de wil van God, als degenen, die "Mij dagelijks zoeken," Jesaja 58:2. " Daarom moet de profeet iets doen, dat zo vreemd en zonderling is, opdat zij mogen vragen, wat dat betekent, en dan is het te hopen, dat ze kennis zullen nemen van wat hun gezegd wordt, en er hun voordeel mee doen, wanneer hun vragen beantwoord worden. Maar sommigen vatten het op in die zin, dat niemand die vraag gedaan had: "Heeft het weerspannige huis niet eens tot u gezegd: Wat doet gij? Neen, zij nemen er geen kennis van, maar zeg hun wat de bedoeling is, al vragen zij er ook niet zelf naar." Als God dan Zijn dienaren tot ons zendt, let Hij op `t onthaal, dat de boodschap, die Hij zendt, te beurt valt, Hij hoort en luistert naar `t geen wij er op zeggen, en welke vragen wij doen naar aanleiding daarvan, en is zeer misnoegd, als wij onze weg vervolgen zonder er acht op te slaan. Als wij het Woord gehoord hebben, moeten wij ons tot onze predikant wenden, om verder onderricht, en dan zullen wij weten of wij het uit gehoorzaamheid doen.
2. De profeet moet hun de bedoeling van dat alles zeggen. In `t algemeen vers 10 :Is deze last tegen de vorst te Jeruzalem, zij wisten wie dat was, en nu zij in gevangenschap waren, roemden zij er in, dat zij een eigen vorst te Jeruzalem hadden, en dat het huis Israëls nog in zijn geheel daar was, en daarom twijfelden zij niet, of het zou nog goed met hen aflopen, mettertijd. "Maar zeg hun", zegt God, "dat zij, in wat gij gedaan hebt, het vonnis kunnen lezen van hun vrienden te Jeruzalem. Zeg: Ik ben ulieder wonderteken, vers 11. " Evenals de redenen van de predikanten het volk moeten leren, wat zij behoren te doen, zo is het soms de bedoeling van de leidingen Gods met hen, om hun te zeggen, wat zij kunnen verwachten. De onvastheid van woonplaats en de voortdurende verplaatsing van predikanten, is een waarschuwing voor de mensen, wat hun te wachten staat in deze wereld, geen blijvende toestand, maar voortdurende veranderingen. Als er tijden van beroering komen, zegt Christus tot Zijn discipelen, "zullen zij voor alles hun handen aan ulieden slaan," Lukas 21:12..
a. Het volk zal worden weggevoerd in gevangenschap, vers 11. Gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden, zij zullen uit hun eigen huis verdreven worden, om er niet weer terug te keren, en ook kent hun plaats hen niet meer. Wij kunnen niet zeggen, dat onze woonplaats onze rustplaats is, want wil weten van tevoren niet, hoever daarvandaan wij nog terecht zullen komen, eer dat wij sterven.
b. De vorst zal tevergeefs pogen te ontkomen, want ook hij zal in gevangenschap gaan. Jeremia had Zedekia in zijn gezicht hetzelfde gezegd, Jeremia 34:3 :"gij zult niet ontkomen, maar zeker gegrepen worden." Hier voorspelt Ezechiël hetzelfde aan hen, die hem hun vertrouwen schonken, en van hem hulp verwachtten.
c. Dat hij zelf zijn goed zal wegdragen. Hij zal op de schouder dragen, waaraan hij de meeste waarde hecht. De oordelen Gods kunnen een vorst in een lastdrager veranderen. Hij, die gewoon was, dat de tekenen van de koninklijke waardigheid voor hem uitgedragen werden, en op klaarlichte dag door de stad te gaan, zal nu zijn reisgoed op zijn rug dragen en in de schemering uit de stad sluipen. Zie, welk een verandering de zonde onder de mensen teweegbrengt! Daar al de toegangen tot het paleis zorgvuldig bewaakt werden door de vijand, zullen zij door de wand graven om hen daardoor uit te brengen. Men zal zijn eigen huis doorgeven en zijn eigen goed bestelen, zo gaat het, als het krijgszwaard alle rechtsen eigendomstitels vernietigt. d. Dat hij zal trachten te ontsnappen in vermomming, met een masker voor, dat zijn aangezicht zal bedekken dat hij alleen voor zich zien kan, en opdat hij met het oog de aarde niet zie. Toen hij door praal omringd was, stelde hij zich aan, om gezien te worden, maar nu hij voortvluchtig is, vreest hij gezien te worden, laat niemand daarom trots zijn, of een hoge borst zetten, of met welgevallen om zich heen zien, als hij een koning ziet met bedekt aangezicht, zodat hij de grond niet zien kan.
e. Dat hij gegrepen en gevankelijk naar Babel gevoerd zal worden, vers 13. Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde. Het scheen het net en het jachtgaren van de Chaldeën te zijn, maar God verklaart, dat het Zijn werk is. Die het woord des Heeren denken te ontsnappen, zullen zich in Zijn net gevangen zien. Jeremia had gezegd, dat Zedekia de koning van Babel zien en, dat hij te Babel komen zou, Ezechiël zegt: Ik zal hem brengen in Babylonië, ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. De vitters zouden hier misschien tegen inbrengen, dat deze twee profeten elkaar tegenspreken, want de ene zei: Hij zal de koning van Babel zien, de andere zei: hij zal dat niet zien, en toch bleken beide waar, hij zag de koning van Babel te Ribla, waar hij het vonnis voor zijn rebellie over hem velde, maar daar werden zijn ogen uitgestoken zodat hij Babylonië niet zag, toen hij daar gebracht werd. Deze gevangenen verwachtten dat hun koning als overwinnaar te Babel zou komen, om hen uit hun ellende te verlossen, maar hij zal als gevangene daar komen en zijn vernedering zal hun ellende aanmerkelijk vergroten. Het deed hun weinig genoegen hen te zien, als hij hen niet zien kon.
f. Dat zijn hele lijfwacht verstrooid en buiten staat gesteld zou worden hun enigen dienst te bewijzen, vers 14. Allen, die rondom hem zijn tot zijn hulpe, zal Ik verstrooien, zodat hij zonder hulp gelaten zal worden. Ik zal hen onder de heidenen verspreiden, en in de landen verstrooien, vers 15, en overal waar zij heengaan, tot gedenktekenen van de goddelijke wraak te zijn. Maar er is geen hoop, dat zij weer bijeen zullen komen? (wie vandaag vlucht, staat morgen misschien weer pal), neen, Ik zal het zwaard achter hen uittrekken, dat zal hen afsnijden, waar het hen vindt, want Gods zwaard zal niet weer keren, voordat de straf voltrokken is. Toch zullen van Zedekia's verstrooide troepen sommigen ontsnappen, vers 16 : Ik zal weinige lieden doen overblijven. Al zullen zij allen verstrooid worden, toch zullen zij niet allen afgesneden worden, sommigen zullen hun leven tot een buit hebben. En de bedoeling, waarmee zij zo, als door een wonder, gespaard worden, is zeer opmerkelijk: Opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, wearhenen zij komen zullen, de ellende, waarin zij gebracht worden, zal hen tot zichzelf brengen, en tot betere gevoelens, en dan zullen zij de rechtvaardigheid van God erkennen, in alles, wat over hen gebracht is en oprechte belijdenis van hun zonden doen, die God tergden om aldus met hen te twisten, en, wijl hieruit blijken zal, dat zij in genade gespaard zijn, zullen zij zich daardoor met gepaste dankbaarheid tot God bekeren om Zijn gunst, waarin Hij hen gespaard heeft. Als God ons wonderbaar gered heeft uit de gevaren, waardoor wij omringd werden, moeten wij bedenken, dat wij met dit doel gespaard zijn, dat wij God mogen verheerlijken, en anderen stichten door een boetvaardige erkenning van onze zonden. Die door hun beproevingen hiertoe gebracht zijn, zullen dan weten, dat de Heere God is en kunnen helpen om anderen tot kennis van Hem te brengen. Zie hoe God het goede uit het kwade doet voortkomen. De verstrooiing van zondaars, die God veel schande en ondienst hadden aangedaan in hun eigen land, blijkt de verstrooiing van de boetvaardiger te zijn, die Hem veel eer en dienst zullen doen in andere landen. De Levieten zijn door een vloek verdeeld onder Jakob en verstrooid onder Israël, toch wordt deze vloek in een zegen verkeerd, want daardoor hebben zij de schoonste gelegenheid gekregen om Jakob Gods wet te onderwijzen.