Ezechiël 34:1-6
De profetie van dit hoofdstuk is niet gedateerd, en die van de volgende hoofdstukken evenmin tot aan hoofdstuk 40 Hoogst waarschijnlijk werd zij uitgesproken na de voltooiing van Jeruzalems verwoesting, wat een zeer gepaste tijd was om een onderzoek in te stellen naar de oorzaken ervan.
I. De profeet wordt bevolen te profeteren tegen de herders van Israël -de vorsten en overheden, de priesters en Levieten, het grote Sanhedrin of Staatsraad, en wie het verder waren, die de algemene zaken te besturen hadden in hoger of lager kring, de koningen vooral, want er waren er nu twee te Babel gevangen, wien, evenzeer als het volk, hun overtredingen getoond worden, opdat zij zich mochten bekeren, zoals Manasse in zijn gevangenschap. God heeft iets te zeggen tot de herders, want zij zijn slechts herders onder Hem, die de grote Herder Israëls is, Psalm 80:1. En wat Hij zegt, is: Wee de herders van Israël! Hoewel zij herders zijn, en wel herders van Israël, toch moet hij ze niet sparen noch vleien. Als de mensen door hun waardigheid en macht niet van de zonde teruggehouden worden, zoals behoort dan zullen zij daardoor ook niet gevrijwaard worden voor verwijten, ook zal het hun geen verontschuldiging zijn of hen beschermen tegen de oordelen Gods, als zij zich niet bekeren. Wij hadden een: Wee van de herders, Jesaja 23:1. God zal op bijzondere wijze met hen afrekenen, als zij niet getrouw zijn aan hun opdracht.
II. Hier wordt hem bevolen, waarvan hij de herders, in Gods naam, beschuldigen moet, als de grond van Gods twist met hen, want het is geen twist zonder reden. Van twee dingen worden zij beschuldigd:
1. Dat al hun zorg gericht was op hun eigen vooruitgang, om zichzelf rijk en groot te maken. Het was hun werk te zorgen voor degenen, die aan hun zorg waren toevertrouwd: Zullen niet de herders de schapen weiden? Zonder twijfel zullen zij dat, als zij het niet doen, zijn zij ontrouw aan hun plicht. Niet, dat zij ze moeten voeren, maar zij moeten voor het voedsel zorgen en ze er bij brengen. Maar deze herders zorgden daar in de laatste plaats voor, zij weidden zichzelf, zij legden er zich op toe hun eigen eetlust toe te geven en te voldoen, en zichzelf rijk en groot, vet en voldaan te maken. Zij verzekerden zich van de voordelen van hun ambt, zij aten het vette, de room (lezen sommigen), want "wie een kudde weidt, eet van de melk van de kudde," 1 Corinthiers. 9:7, en zij namen het beste van de melk. Zij verzekerden zich van de wol, en bekleedden zich daarmee, daar zij de hand legden op al wat zij krijgen konden van het vermogen hunner onderdanen, ja zij slachtten het gemeste, zoals Naboth gedood werdom zijn wijngaard. Er is een wee voor degenen, die een openbaar ambt bekleden maar alleen hun persoonlijk belang raadplegen en meer belang stellen in geschenken dan in hun werk, hoeveel geld zij kunnen krijgen dan wat voor goeds zij kunnen doen. Het is een oude klacht, dat ieder het zijne wil hebben, en velen nog meer dan dat.
2. Dat zij geen zorg droegen voor het welzijn en de bloei van die aan hun zorg waren toevertrouwd: Gij weidt de schapen niet. Zij wisten niet, hoe zij dat doen moesten, zo onwetend waren zij, en zij wilden er geen moeite voor doen, zo lui en traag waren zij, ja, zij verlangden en bedoelden het niet, zo verraderlijk en trouweloos waren zij.
a. Zij deden hun plicht niet jegens diegenen van hun kudde, die ziek waren, zij gaven hun geen versterkende middelen, ze genazen ze niet en verbonden ze niet, vers 4. Als een van de kudde ziek of gekwetst, gekweld of gewond werd, dan was het hun volmaakt hetzelfde of zij bleven leven of stierven, zij zagen niet naar hen om. De vorsten en rechters droegen er geen zorg voor, dat de verongelijkten recht gedaan werd, of de mishandelde onschuld beschermd. Zij zagen niet toe, dat de armen verzorgd werden, wat hun betreft, mochten zij verhongeren. De priesters zorgden niet, dat de onwetenden onderricht werden, dat die dwaalden hun fouten verbeterden, zij waarschuwden de onrustige niet, en troostten de arme van geest niet. De hoofden van de staat zorgden niet de verergerende krankheden van het koninkrijk te genezen, zodat zij de edele delen ervan bedreigden. Vooral gingen de zaken verkeerd, en uit de koers, en niets werd gedaan om ze te herstellen.
b. Zij deden hun plicht niet jegens die van de kudde, welke verstrooid waren die door de invallen van de vijanden verdreven en gedwongen waren naar een schuilplaats te zoeken, of die vrijwillig op alle bergen doolden, vers 6, waar ze in gevaar waren van de roofdieren en hun tot spijze te worden, vers 5. iedereen is gereed wat verdwaald is en zwerft, in bezit te nemen. Sommigen verlieten het land en bedelden, anderen verlieten het land en dreven handel, en zodoende werd het land leeg van inwoners, verzwakte en verarmde, en had gebrek aan handen beide op de korenvelden, en op de slagvelden, beide in de oogst en in de krijg. Mijn schapen zijn verstrooid over de hele aardbodem, vers 6. Nooit werd naar hen gevraagd, nooit werden zij aangemoedigd naar hun eigen land terug te keren: Er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. Ja, zij heersten over hen met strengheid en met hardigheid, hetgeen er nog meer verdreef, en die al verdreven waren, ontmoedigde om ook maar aan terugkeer te denken. Een slecht lot hebben zij, die reden hebben een betere behandeling te verwachten van vreemden dan in hun eigen land. Hiermee kunnen bedoeld zijn die van de kudde, welke van God en hun plicht afdwaalden, en de priesters, die de goede kennis van de Here moesten onderwijzen, gebruikten de middelen niet om hen te overtuigen en terug te brengen, zodat zij een gemakkelijke prooi werden van verleiders. Aldus werden zij verstrooid, omdat er geen herder is, vers 5. Er waren er, die zich herders noemden, maar in werkelijkheid waren zij het niet. Die het werk van herders niet doen, zijn die naam onwaardig. En als zij, die de taak van herder op zich nemen, dwaze herders zijn, Zacheria 11:15, als zij trots zijn en te hoog staan voor hun werk, ijdel, en zonder liefde voor hun werk, of trouweloos en onverschillig er voor, dan is het voor de kudde hetzelfde, als wanneer zij in `t geheel geen herder had. Beter geen herder dan zulke herders. "Christus klaagt, dat zijn kudde was gelijk schapen, die geen herder hebben, terwijl toch de schriftgeleerden en Farizeeën in Mozes' stoel zaten", Mattheus 9:36. Het staat er slecht met de zieke voor, als zijn geneesheer zijn ergste ziekte is, en met de kudde, als de herder de schapen verdrijft en verstrooit door met strengheid te heersen.