Ezechiël 7:1-15
Hier wordt klaar en duidelijk gewaarschuwd voor de verwoesting van het land Israëls, die nu haastelijk nadert. Door de profeet laat God dat niet alleen aankondigen, maar bindt dat aan bepaalde uitdrukkingen, om aan te tonen, dat de zaak zeker is, dat ze snel nadert, dat de profeet er zelf in begrepen is, en begeert, dat het volk het zich eveneens zal aantrekken, maar bevindt, dat het doof en dom en onaandoenlijk is. Wanneer in de stad brand is uitgebroken, dan zoekt men niet naar fraaie woorden en gekuiste uitdrukkingen om het alom bekend te maken, maar roept luide: "Brand! Brand!" Zo roept de profeet hier: "Het einde! het einde! het is er! het is gekomen! zie, het is gekomen! Wie oren heeft om te horen, die hore."
I. Het einde is er, het einde is gekomen, vers 2, en wederom, vers 3, 6. Nu is het einde over u, het einde, waarheen al hun goddeloosheid hen had gedreven, en waarmee God hen dikwijls gedreigd had, dat het komen zou, toen Hij hen door Zijn profeten had laten vragen: Wat zult gij ten einde van die maken? het einde, waarheen al de voorafgaande oordelen op aanstuurden, als middelen om het tot stand te brengen (hun verderf zal nu voltooid worden), of het einde, dit is het besluit van hun weg, de eindelijke ondergang van hun natie, "gelijk de zondvloed het einde was van alle vlees" Genesis 6:13. Zij hadden zich gevleid met de hoop, dat zij spoedig een eind aan hun moeilijkheden zouden zien. Ja, zegt God, "het einde is gekomen, maar een ellendig einde, niet het verwachte einde (dat het vrome overblijfsel onder hen beloofd was", Jeremia 29:1 "het is het einde, dat einde, waarvoor gij zo dikwijls gewaarschuwd zijt, het laatste einde waarvan Mozes had gezegd, dat gij er op merken zoudt, Deuteronomium 32:29, en dat, omdat Jeruzalem er niet op gemerkt had, wonderbaarlijk omlaag gedaald is", Klaagliederen 1:9. Langzaam aan was dit einde gekomen, maar nu was het gekomen, al komt het verderf van de zondaars langzaam, het komt zekert Het is gekomen, het wacht op u, gereed u te ontvangen. Dit betekent wellicht wat later komen zou, de laatsten ondergang van de natie door de Romeinen, waarvan die door de Chaldeën een voorspel was, en nog verder de eindelijke ondergang van de wereld van de goddelozen. "Het einde aller dingen is gekomen, en Jeruzalems einde zou een type van het einde van de wereld", Mattheus 24:3. O, dat wij allen konden zien, dat het einde des tijds en van de dagen zeer nabij is, en het einde van onze eigen tijd en van onze eigen dagen veel nader, opdat wij ons een gelukkig lot mogen verzekeren "aan het einde van de dagen," Daniël 12:13. "Het einde is gekomen over de vier hoeken des lands." Daar de ondergang de eindelijke is, zal ze ook volkomen zijn, geen enkel deel des lands zal ontsnappen, zelfs het allerafgelegenste niet. Zo zal de ondergang van de wereld zijn, aan alle dingen zal een einde komen. Zo zal de ondergang des zondaars zijn: niemand kan die ontgaan. "O, dat de goddeloosheid van de goddelozen tot een einde mocht komen, voordat die hen tot een einde brengt."
II. Een kwaad, een enig kwaad, zie, is gekomen, vers 5. Zonde is een kwaad, een enig kwaad, een kwaad, waarin geen goed schuilt, het is het ergst van alle kwaden. Dit wordt gezegd van het kwaad van de beproevingen, het is een kwaad, een kwaad, en dat een zal voldoende zijn om het verderf van de natie teweeg te brengen en te voltooien, er behoeft voorts niets meer gedaan te worden, dit een zal "een voleinding maken, de benauwdheid behoeft niet tweemaal op te rijzen," Nahum 1:9. "Het is een kwaad zo van de voorbeeld of wedergade, een kwaad, dat alleen staat, er kan geen voorbeeld van aangehaald worden". Het is voor de onboetvaardigen een kwaad, een enig kwaad, het verhardt hun hart en verergert hun bederf. Daarentegen waren er ook, aan wie dat kwaad door Gods genade werd geheiligd en tot een middel van veel goeds gemaakt, die werden, hun ten goede, uit deze plaats naar het land van de Chaldeën weggezonden, Jeremia 24:5. De goddelozen moeten de droesem van die beker drinken, die voor de rechtvaardigen vol van mengeling van barmhartigheid is, Psalm 75:9. Dezelfde beproeving is voor ons een half kwaad of een enig kwaad, al naar wij er ons onder gedragen en er gebruik van maken. Maar wanneer het einde gekomen is over de goddeloze wereld, dan komt een kwaad, een enig kwaad over haar en niet eer. Het ergste tijdelijk oordeel heeft zijn lichtzijde, maar de pijniging van de verdoemden is een kwaad, een enig kwaad.
III. De tijd is gekomen, de bestemde tijd, voor het zenden van dit enig kwaad en het volle einde. Voor alle Gods plannen is een tijd, een eigen tijd, een tevoren bepaalde tijd, waarin het plan ten volle vervuld wordt, vooral de tijd van de afrekening met het goddeloze volk en hun vergelding naar hun verdienste, is bepaald, de dag van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Hij ziet,. of wij het zien of niet, dat Zijn dag komt. Hier wordt het volk daar telkens weer op gewezen, vers 10. Zie, de dag, die zo lang getoefd heeft, is ten laatste gekomen. De tijd is gekomen, de dag is nabij, de dag van de beroerte is nabij, vers 7, 12. Of schoon gedreigde oordelen lang mogen toeven, toch worden ze niet afgesteld, de tijd van de volvoering zal komen. Hoewel Gods geduld ze uitstelt, niets dan `s mensen oprecht berouw en bekering kan ze keren. De morgenstond is tot u gekomen, vers 7, en weer vers 10. De morgenstond is voortgekomen, de dag van de verwoesting naakt, de dag des verderfs is reeds gekomen. De morgenstond ontdekt wat verborgen was, zij meenden, dat hun geheime zonde nimmer aan het licht zou komen, maar nu komt ze aan het licht. Zij plachten misdadigers in de morgenstond te vonnissen en ter dood te brengen, zo'n morgen van veroordeling en voltrekking van een vonnis overkomt hen nu, "een dag van de beroerte voor zondaars, het jaar hunner bezoeking." Zie, hoe dwaas deze mensen waren, dat, ofschoon de dag van hun verderf reeds was aangebroken, dat telkens weer moest aangekondigd worden. De dag van de beroerte, van de wezenlijke beroerte, is nabij, en er is geen weerklank van de bergen, dit is niet eenvoudig een echo of tijding van beroerte, gelijk zij gaarne wilden aannemen, slechts een ongegrond vermoeden, als waren de mannen, die tegen hen kwamen, niets dan de schaduw van de bergen (zoals Zebul Gaal wilde doen geloven, Richteren 9:36). De ontvangen mededeling was slechts een holle klank, door de bergen weerkaatst. Neen, de beroerte is geen verbeelding, gelijk ze spoedig gewaar zullen worden.
IV. Dit alles komt voort uit Gods toorn, niet, zoals soms gebeurt, door barmhartigheid verzacht. Dat is de fontein, waaruit al deze beroerte voortvloeit, is "de alsem en gal van de ballingschap en ellende", Klaagliederen 3:19, die ze inderdaad bitter maken. Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, vers 3.
Merk op, God is heer van Zijn toorn, die breekt niet uit wanneer Hij wil noch treft iemand, tenzij God dat zo beschikt en bestuurt. De uitdrukking wordt sterker vers 8 :Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten in volle fiolen, en Mijn toorn tegen u volbrengen, in al zijn omvang. Deze toorn kiest niet hier en daar iemand uit om die ten voorbeeld te stellen, maar komt over de gehele menigte van het land, vers 12, 14, de gehele natie is een vat des toorns geworden, tot het verderf toebereid. In Zijn toorn gedenkt God soms Zijn barmhartigheid, maar nu zegt Hij: Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen, vers 4, 9. Degenen, die de hun aangeboden barmhartigheid veracht hebben zullen nu hun oordeel zonder barmhartigheid ontvangen.
V. Dit alles is de rechtvaardige straf voor hun zonden, die ze door hun eigen dwaasheid over zich hebben gebracht. Hier wordt op deze omstandigheid alle nadruk gelegd, opdat zij leren zouden, God te rechtvaardigen, die hun dat alles toezendt. God zendt Zijn toorn nooit dan in Zijn wijsheid en rechtvaardigheid, en daaruit volgt: Ik zal u richten naar uw wegen, vers 3. Ik zal onderzoeken wat uw wegen geweest zijn, ze aan Mijn wet toetsen, en dan met hen handelen naar Mijn bevinden, uw wegen op u brengen, vers 4. Zie, door de zwaarste oordelen, die God over zondaars brengt, doet Hij niets dan hun vergelden naar hun werken, zij worden geslagen met hun eigen roede. En, wanneer God met een zondig volk komt afrekenen, dan gedenkt Hij iedere zonde: Ik zal op u brengen al uw gruwelen, vers 3, "en uw ongerechtigheid vinden, die te haten is," Psalm 36:3, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, vers 4. Dat is, de verborgen goddeloosheid zullen nu aan de dag gebracht worden, en in het midden van u zal gezien worden wat zelfs niet vermoed werd, uw zonde zal nu u zelf een gruwel zijn. Zo zal de gruwel van de goddeloosheid, wanneer die komt, "een gruwel van de verwoesting wezen", Mattheus 24:15. Of: uw gruwelen (dit is de straf uwer gruwelen) "zullen in het midden van u zijn, zij raken tot aan uw hart," Jesaja 4:18. Of: daarom zal God niet sparen, noch verschonen, omdat zij, wanneer Hij hun wegen op hen brengt, in hun ellende van de overtreding nog meer maken, hun gruwelen zijn nog in het midden van hen, gekoesterd en gevoed in hun hart. Het wordt weer herhaald, vers 8, 9. Ik zal u richten, Ik zal op u brengen, vooral twee zonden worden bepaaldelijk genoemd, waardoor zij God tot deze oordelen verwekt hadden: hoogmoed en verdrukking.
1. God wil ze door Zijn oordeel vernederen, want zij hebben zich verheven. De roede van de ellende heeft gebloeid, maar de hovaardij is het, die gegroend heeft, vers 10. De knoppen van de zonde zullen bloesem dragen in een of ander oordeel. De hovaardij van Juda en Jeruzalem woekerde onder alle rangen en standen, als knoppen op een boom in de lente.
2. Hun vijanden zullen even hard met hen handelen, als zij met elkaar gehandeld hadden, vers 11. Het geweld is opgerezen tot een roede van de verbolgenheid, dat is: hun onderling oprecht werd door de macht van de overheid goedgekeurd en begunstigd. De roede van de overheid is geworden een roede van de verbolgenheid, tot zo'n hoogte van onbeschaamdheid was het geweld opgerezen. "Voorts heb ik gezien ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid," Psalm 3:16, Jesaja 5:7. Wat ook de vruchten van Gods oordelen zijn, gewis is onze zonde er de oorsprong van.
Vl. Er is geen ontkomen aan deze oordelen noch beschutting ertegen, want zij zijn algemeen en zullen op allen neerdalen, zonder enige redding.
1. De dood zal in allerlei gedaante zegevierend rondgaan, in de stad zowel als op het land, in en buiten de steden, vers 15. De mensen zullen nergens veilig zijn, want hij, , die op het veld is, zal door het zwaard sterven (ieder veld zal hun een slagveld zijn), en die in de stad is, die zal de honger en de pest verteren, al is de stad ook een heilige stad, dat zal niets baten. De zonde is in de stad en daarbuiten overvloedig geworden, (Iliacos infra muros peccator et extra, Trojanen en Grieken, overtreden evenzeer,) en daarom komt het oordeel over beide.
2. Niemand van de ten dode opgeschrevenen zal ontkomen, niemand van hen zal gespaard worden. Geen een van deze trotse verdrukkers die hun naburen geweld aandeden met hun goddeloosheid, zal overgelaten worden, maar allen zullen weggevoerd worden door de naderende verwoesting, vers 11. Niemand van hun menigte dat is: van de troep, die zij tot kwaaddoen aanzetten, en daarin stijfden, om te roepen: Kruis Hem, kruis Hem! Wanneer zij tot iemands ondergang besloten hadden, niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte. Hun gezinnen zullen verstrooid worden, zodat hun wortel noch tak blijven zal. De goddelijke wraak zal bijzonderlijk rusten op die menigte, die troep, want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land, vers 12, 14 en het gezicht aangaande de gehele menigte van het land, vers 13, de massa van het gewone volk. Als de oordelen komen, zullen zij die goddelozen bij hopen wegvoeren, en zij zullen noch zelf ontkomen noch hun voorgangers, wier creaturen en werktuigen zij waren. Wanneer Gods oordelen uitgezonden worden, kunnen geen menigten ze tegenhouden. "Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zin," Spreuken 11:21.
3. Die vallen, zullen niet beklaagd worden, vers 11. Geen klacht zal over hen zijn, want er wordt niemand overgelaten om hen te beklagen, dan wie zich haasten om insgelijks om te komen. En de tijden zullen zo slecht zijn, dat men elkaar eer gelukwensen dan beklagen zal over de dood van vrienden, hen gelukkig achtende, die weggenomen zijn, zodat zij deze verwoesting niet zien noch erin begrepen worden, Jeremia 16:4, 5. Zij zullen tot geen tegenstand bekwaam zijn. Het bevel is uitgegaan, en het gericht aangaande hen zal niet terugkeren, vers 13. God zal het niet herroepen, en zij kunnen het niet vernietigen. Daarom: het zal niet terugkeren, re infecta, zonder wat gedaan te hebben, want God maakt het voorspoedig in hetgeen, waartoe Hij het zendt. Gods Woord zal dan plaats hebben en dan,
a. Bijzondere personen kunnen zich niet tegenover God handhaven. "Niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken, " het zal geen zondaars helpen, zo zij met God en Zijn oordelen spotten, gelijk ze gedaan hebben. "Niemand heeft ooit zijn hart tegen God verhard en voorspoed gehad." Zij, die zich in hun goddeloosheid sterken, zullen niet alleen blijken zwak te staan, maar ook hun verderf tegemoet te gaan, Psalm 52:7.
b. De menigte kan de stroom van deze oordelen niet weerstaan, noch die het hoofd bieden, vers 14. Zij hebben met de trompet getrompet, om de krijgslieden te verzamelen, en om de dus verzamelden te bezielen en aan te moediger, zo menen zij alles bereid te hebben. Maar het is alles vergeefs, niemand laat zich aanmonsteren, en wie reeds gewonnen zijn, hebben geen moed om de vijand te weerstaan. Zie, als God tegen ons is, dan kan niemand voor ons en ons van dienst zijn.
4. Zij zullen geen hoop voeden op het herstel hunner welvaart, om zich daarmee in hun tegenspoed te troosten, zij zullen alles moeten opgeven. En daarom: de koper zij niet blij, dat hij zijn goed uitbreidt en een koop heeft gesloten, en de verkoper bedrijve geen rouw, dat zijn goed afneemt en hij verarmt, vers 12. Zie de ijdelheid van de dingen van deze wereld, hoe waardeloos zij zijn, in tijden van ellende, wanneer wij ze het meest behoeven, kunnen wij er het minst staat op maken. Zij, die wat verkocht hebben, kunnen meer op hun gemak zijn, daar zij minder te verliezen hebben, en zij, die wat gekocht hebben, zien slechts hun zorg en vrees toenemen. "Omdat de gedaante van deze wereld voorbijgaat, laat hen, die kopen, zijn als niet bezittende, wijl zij niet weten, hoe spoedig ze het zullen verliezen", 1 Corinthiers. 7:29-31. Er wordt aan toegevoegd, vers 13, "De verkoper zal in het jubeljaar tot het verkochte niet weerkeren, naar de wet, als hij aan zwaard en pestilentie mocht ontkomen en dat jaar beleven, want geen erfenis zal hier bezeten worden totdat de zeventig jaren voleindigd zijn, dan zal men tot de bezitting terugkeren en ieder het zijne weer hebben." In dit vertrouwen kocht Jeremia omtrent deze tijd het veld van zijn oom, toch kon zich de koper niet verblijden, overeenkomstig deze woorden, maar beklaagde hij zich, Jeremia 32:25.
5. God zal in alles verheerlijkt worden. Gijlieden zult weten dat Ik de Heere ben, vers 4, dat Ik de Heere ben, die slaat. Gij ziet naar tweede oorzaken, en meent, dat Nebukadnezar degene is, die u slaat, "maar gij zult leren verstaan, dat hij slechts de roede is, het is de hand des Heeren, die slaat, en wie kent de zwaarte van Zijn hand?" Zij, die niet wisten, dat het de Heere was, die hun goeddeed, zullen weten, dat het de Heere is, die hen slaat, want op welke, wijze ook, de Heere wil erkend wezen.