Ezechiël 47:1-12
Dit gedeelte van Ezechiëls visioen moet zoo noodzakelijk eene mystieke en geestelijke beteekenis hebben, dat wij daarom besluiten: ook de andere gedeelten hebben geen andere beduidenis. Er kan hier geen sprake zich van werkelijke wateren, die door pijpen in den tempel gevoerd worden om de offeranden te wasschen, den tempel schoon te houden en dat water den weer af te leiden, want dat zou deze schoone rivier in een zinkput of riool veranderen. De profetie, Zacheria 14:8, kan dit verklaren, van levende wateren, die uit Jeruzalem vlieten zullen de helft van die naar de Oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan. Duidelijk wordt hierop gezinspeeld, Openbaring 22:1, waar Johannes in een gezicht zag eene zuivere rivier van het water des levens. Het schijnt den roem en de vreugde voor te stellen, die genade bewerkt en voltooit. Het schijnt genade en vreugde te beteekenen, wanneer de roem begint. De meeste uitleggers stemmen daarin overeen, dat deze wateren het Evangelie van Christus afbeelden, dat van Jeruzalem uitging en zich in de landen rondom verspreidde, en de gaven en krachten des Heiligen Geestes, die het vergezellen, en waardoor het zoo ver doordringt en wonderlijke, gezegende uitwerking voortbrengt. Ezechiël had herhaalde malen rondom het huis gewandeld en merkt nu eerst deze wateren op, want God maakt Zijn volk Zijn zin en wil niet ineens bekend, "maar trapsgewijze". Let nu op,
1. Den oorsprong dezer wateren. Hij moet niet den stroom nagaan tot zijn begin, maar de oorsprong wordt hem aangewezen, vers 1:Er vloten wateren uit, van onder den dorpel des Huizes naar het oosten, van onderen, uit de rechterzijde des Huizes, dat is de zuidzijde des altaars. En wederom, vers 2:De wateren sprongen uit de rechterzijde, beteekenende, dat van Zion de wet zou uitgaan en des Heeren woord van Jeruzalem, Jesaja 2:3. Daar werd de Geest op de apostelen uitgestort, en de gave der talen hun geschonken, opdat zij dit water naar alle volken mochten brengen. In den tempel moesten zij staan en alle de woorden dezes levens spreken, Handelingen 5:20. Zij moesten het Evangelie aan alle volken prediken, beginnende van Jeruzalem, Lukas 24:47. Maar dat is niet alles: Christus is de tempel, Hij is de deur, die levende wateren vloeien uit Hem, uit Zijne doorstoken zijde. Het is het water, dat Hij ons geeft, dat in ons wordt eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven, Johannes 4:14. En het is door het geloof in Hem, dat wij van Hem ontvangen stroomen des levenden waters, dit zeide Christus van den Geest, Johannes 7:38, 38. De oorsprong dezer wateren lag niet boven den grond, zij vloten voort van onder den dorpel, want de oorsprong van het leven der geloovigen is een mysterie, het is met Christus verborgen in God, Colossenzen 3:3. Sommigen merken op, dat zij uit de rechterzijde des huizes kwamen, en zien daarin eene aanwijzing, dat de zegeningen des Evangelies rechterhandsche of krachtdadige zegeningen zijn. Het is ook eene aanmoediging voor degenen, die aan de zijden der poorten der Wijsheid, aan den ingang der deuren staan, die gewillig zijn om aan den dorpel van het huis huns Gods te verkeeren, gelijk David, opdat zij vlak bij de bron van troost en genade zijn mogen, de opening van Gods woorden geeft licht, Psalm 119:130. David spreekt tot prijs van Zion: Alle Mijne fonteinen zullen binnen u zijn, Psalm 87:7. Zij kwamen van de zijde des altaars, dat is, in en door Jezus Christus, het groote Altaar (dat onze gaven aan God heiligt), dat ons gezegend heeft met geestelijke zegeningen in den heiligen hemel. Van God uit als de fontein, in Hem als het kanaal, stroomt de rivier, die de stad Gods verblijdt, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten, Psalm 146:5. Merk echter op, hoezeer de gelukzaligheid en vreugde der verheerlijkte heiligen in den hemel die der beste en gelukkigste heiligen op aarde te boven gaat, hier vlieten de wateren van troost van onder den dorpel, daar komen ze voort uit den troon, den troon van God en des Lams, Openbaring 22:1. 11. Den voortgang en de toeneming dezer wateren: zij vloeien oostwaarts, naar het voorste Galilea, vers 3, 8. De profeet en zijn leidsman volgden den stroom, als die van de heilige bergen afdaalde, en toen zij dien duizend ellen gevolgd hadden, liepen zij er dwars doorheen om de diepte te peilen en vonden, dat het water tot aan de enkels raakte, vers 3. Zij vervolgen hun wandeling aan de andere zijde der rivier, weer duizend ellen en dan, opnieuw de diepte onderzoekende, doorwaadden zij die weder, en zie, het water bereikte hun knieen, vers 4. Opnieuw gingen zij duizend ellen voort, maakten de proef ten derden male en vonden het water gestegen tot aan de lendenen, vers 4. Weer duizend ellen verder, beproefden zij door de rivier te waden, nu voor de vierde maal, maar vonden het onuitvoerbaar: de wateren waren hoog, door instrooming van beken boven den grond of van bronnen onder den grond, zoodat men er door zwemmen moest, eene beek waar men niet kon doorgaan, vers 5. Zie,
1. De wateren des heiligdoms zijn stroomende wateren, gelijk die eener rivier, geen stilstaande als die van een vijver. Het Evangelie heeft zich, van zijn eerste prediking af steeds verder uitgebreid. Genade in de ziel drijft immer verder, ze is een werkzaam beginsel, plus ultra, steeds voorwaarts, totdat de volmaaktheid is bereikt.
2. Het zijn toenemende wateren. Deze rivier stroomt voortdurend, hoe verder ze loopt, des te voller wordt ze. De kerk des Nieuwen Verbonds was aanvankelijk onbeduidend, als een beekske, maar allengskens werd ze dieper, het kwam tot aan de enkelen, tot aan de knieën, tot aan de lendenen. Dagelijks werden velen toegedaan. Het is als een mosterdzaad, dat opwast tot een grooten boom. De gaven des Geestes nemen toe naarmate ze geoefend worden, en ware genade neemt toe, als het licht in den morgen, die voortgaat schijnende tot in den vollen dag.
3. Het is goed voor ons, deze wateren te volgen en er langs te wandelen. Zie den vooruitgang des Evangelies in de wereld, zie de vorderingen van het werk der genade in het hart, let op het ruischen des Geestes, en wandel ze na, gelijk Ezechiël deed.
4. Het is goed, dikwijls de dingen Gods te onderzoeken en de diepte ervan te peilen, niet alleen de oppervlakte dier wateren te beschouwen, maar zoover mogelijk naar den grond door te dringen, veel te graven, vaak te duiken, in de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen, vol begeerte met deze zaken vertrouwd te geraken.
5. Indien wij de dingen Gods onderzoeken, zullen wij vinden, dat sommige eenvoudig en gemakkelijk te verstaan zijn, gelijk de wateren, die tot de enkelen reikten, anderen zijn wat moeilijker en vereischen meer onderzoek, als de wateren tot aan de knieen en de lendenen. En sommige zijn ondoorgrondelijk, wij kunnenden bodem niet bereiken, maar moeten, als Paulus deed, wanhopende ze ten volle te verstaan, aan den oever ons neerzetten en de diepte bewonderen, Romeinen 11:33. E: is dikwijls gezegd, dat de Schrift, gelijk deze wateren van het heiligdom, hier en daar zoo ondiep zijn, dat een lam er door kan waden, op andere plaatsen zoo diep, dat een olifant er in kan zwemmen. En wij doen wijs, als wij, gelijk de profeet hier, met het gemakkelijkste of eenvoudigste beginnen en daarvan genieten, alvorens wij ons tot dingen begeven, zwaar om te verstaan, het is dus goed, met overleg te werk te gaan.
III. Den omvang dezer rivier. Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea, maar daar verdeelen zij zich in verschillende stroompjes en worden dus omvangrijker, zoodat het water afdaalt in het vlakke veld en daarna in de zee komt, f in de Doode Zee, die ten zuidoosten, of in de Zee van Galilea, die ten noordoosten, of naar de Groote Zee, die ten westen ligt, vers 8. Dit werd vervuld, toen het Evangelie met vrucht werd gepredikt door alle deelen van judea en Samaria Handelingen 8:1, en later onder de volken rondom ja tot de verste stranden en de eilanden der zee gebracht, die daardoor verlicht en doorzuurd werden. Zijn geluid ging voort tot aan het einde der wereld, en de vijanden hebben zijn loop evenmin kunnen stuiten als den loop van een machtigen stroom.
IV. De geneeskracht dezer rivier. De wateren van het heiligdom, waar zij ook heen vlieten en den vrijen loop hebben, werden bevonden, eene wondervolle geneeskracht te bezitten. Gekomen in de zee, de zwavelachtige Doode Zee, die blijvende gedachtenis der goddelijke wraak over Sodom, worden zelfs die wateren gezond, vers 8 zoet, aangenaam, geneeskrachtig. Dit beduidt de wondervolle en gezegende verandering, die het Evangelie zou teweegbrengen, waar het ook met zijne macht komt, eene verandering zoo groot zoowel in den toestand als in den wandel, als de omkeering der Doode Zee in eene bron, die de tuinen bewatert. Wanneer kinderen des toorns kinderen der liefde worden, en die dood waren door de misdaden en de zonden weder levend gemaakt, dan wordt dit woord vervuld. Het Evangelie is gelijk het zout, dat Elisa in het water bij Jericho wierp, en waarmede het gezond gemaakt werd, 2 Koningen 2:20, 21. Christus, in de wereld komende als Heelmeester, heeft Zijn Evangelie als het groote geneesmiddel, het panpharmacon, in de wereld uitgezonden, een middel voor iedere ziekte. Ja waar deze rivier ook komt, het zal leven, alles waarhenen deze beek zal komen, vers 9, beide planten en dieren, want het is het water des levens, Openbaring 22:1, 17. Christus is gekomen opdat wij het leven zouden hebben, en tot dat einde zendt Hij Zijn Evangelie uit. De genade Gods maakt doode zondaars levend en levende heiligen levendig, alles wordt vruchtbaar en bloeiend. Maar zijne uitwerking hangt af van de wijze van ontvangst, of het gemoed bereid en geschikt is het te ontvangen. Want, vers 11, de moerassen en modderige plaatsen, die zijn vol van het vuil van eigen zonde en zullen niet genezen worden, of zij zijn bevochtigd met het water van eigengerechtigheid en meenen geen heeling van noode te hebben. Hun vonnis is: zij zullen niet gezond worden, hetzelfde Evangelie, dat anderen een reuke des levens ten leven is, is hun een reuke des doods ten doode. Zij zijn tot zout overgegeven, geen vrucht wordt meer uit hen in der eeuwigheid. Zij, die niet willen besproeid worden met Godsgenade en vruchtbaar gemaakt, worden aan het goeddunken van hun eigen hart overgegeven en blijven voor immer onvruchtbaar. Wie veil is, dat hij nog vuil worde. Zij worden tot zout overgegeven, dit is, gedenkteekenen der goddelijke gerechtigheid, zooals de vrouw van Lot, die, anderen ter waarschuwing, in een zoutpilaar verkeerd is.
V. De groote menigte visch, die in deze rivier gevonden wordt. Alle levende ziel dat wemelt, zal daar leven, vers 9, zal vooruitgaan en voorspoed hebben, zal het beste van zijn soort zijn, en grootelijks toenemen, zoodat daar zal zijn zeer veel visch, naar zijnen aard, als de visch van de Groote Zee, zeer menigvuldig. Er zullen een groot aantal Christenen in de kerk zijn, en die zullen zich als visschen vermenigvuldigen in de opkomende geslachten, als de dauw der jeugd. In de schepping brachten de wateren overvloediglijk een gewemel van levende zielen voort, Genesis 1:20, 21, en nog leven die in en bij de wateren, die ze voortgebracht hebben, zoo worden geloovigen gebaard door het woord der waarheid, Jakobus 1:10, er door wedergeboren, 1 Petrus 1:23. Bij die rivier Gods leven ze, daaruit hebben zij hun bestaan en onderhoud, in de wateren van het heiligdom zijn ze als in hun element, daarbuiten zijn ze als de visch op het droge. Zoo dorstte David naar God, naar den levenden God. Waar men weet, dat overvloedig visch te vinden is, daarheen gaan de visschers, en daar werpen zij hun netten, om dus aan te wijzen, dat deze wateren vol en dus tot alle goed ding nuttig zullen zijn, wordt voorspeld, dat de visschers op hun boorden zullen staan, van En-gedi, dat aan den oever der Doode Zee ligt, tot En-eglaim toe, eene andere stad, die niet ver van die zee ligt, en op dien afstand zullen ze hun netten uitspreiden. De Doode Zee, die tevoren als walgelijk en schadelijk gemeden werd, zal druk bezocht worden. Evangelische genade maakt menschen en plaatsen, die vroeger onvruchtbaar en nutteloos waren, profijtelijk voor God en menschen.
Vl. De boomen aan de oevers dezer rivier. Er was aan den oever der beek veel geboomte, van deze en van gene zijde, vers 7, waardoor het uitzicht aangenaam werd voor het oog, de schaduw dezer boomen zou den visschers niet dan aangenaam zijn. Maar dat is niet alles, vers 12. Het is allerlei spijsgeboomte en de vrucht daarvan zal niet vergaan, want het zal in zijne meander, dit is iedere maand nieuwe vruchten voortbrengen. Zijn blad zal zijn tot heeling en het zal niet afvallen. Dit deel van het gezicht vinden wij nauwkeurig weer in dat van Johannes, Openbaring 22:2, waar op de eene en de andere zijde der rivier de boom des levens was, van maand tot maand gevende zijne vrucht, en de bladeren der boomen waren tot genezing der heidenen. Christenen worden ondersteld, zulke boomen te zijn, predikanten in het bijzonder, boomen der gerechtigheid, eene plantinge des Heeren, Jesaja 61:3, geplant aan waterbeken, Psalm 1:3, wateren van het heiligdom, ingeënt op Christus, den Boom des levens, en krachtens hun vereeniging met Hem, ook zelf boomen des levens geworden, geworteld in Hem Colossenzen 2:7. Er is groote verscheidenheid in deze boomen, naar de verscheidenheid der gaven, waarmede zij begiftigd zijn, door den eenen Geest, die alles in allen werkt. Zij groeien op den oever der rivier, want zij houden zich zorgvuldig aan de goddelijke ordinantiën, en ontleenen aan Christus sappen en kracht. Het zijn vruchtboomen, bestemd, gelijk de vijgeboom en de olijfboom, om met hun vruchten God en menschen aangenaam te zijn, Richteren 9:9. Zijne vrucht zal zijn tot spijze, de lippen des rechtvaardigen voeden er vele. De vruchten hunner gerechtigheid zijn op de eene of andere wijze nuttig. Zelfs de bladeren dezer boomen zijn tot heeling, om wonden en kneuzingen te genezen. Goede Christenen verspreiden, met hun goede redenen, die hun bladeren zijn, evenzeer als met hun daden van barmhartigheid, die hun vruchten zijn, goed rondom zich: zij versterken de zwakken en verbinden de gebrokenen van harte. Hun blijmoedigheid is weldadig als medicijn, niet alleen voor hen zelf maar ook voor anderen. Door de genade Gods worden zij bekwaam gemaakt om in die goedheid en nuttigheid te volharden, hun blad valt niet af en verliest zijne geneeskracht niet, daar zij niet alleen leven in den wortel, maar ook sap in al de takken hebben, hun belijdenis zal niet verdorren, noch hun vrucht verdrogen, dat is: het beginsel hunner vruchtbaarheid zullen zij niet verliezen, maar in hun grijzen ouderdom nog vruchten dragen om te verkondigen, dat de Heere recht is, Psalm 92:15, 16. Het loon hunner vruchtbaarheid zal eeuwig blijven, wij brengen overvloediglijk vrucht voort, die hun in den grooten dag betoond zal worden, vruchten ten eeuwigen leven, want dat is vrucht, die inderdaad niet zal vergaan. Zij brengen nieuwe vruchten voort in hunne maanden, sommigen in deze, anderen in gene maand, zoodat er altijd eenigen zijn, die God verheerlijken, zooals Hij dat bedoelt. Of: ieder onder hen brengt maandelijks zijne vrucht voort, hetgeen spreekt van een overvloedigen aanleg om altijd wel te doen, en van een heerlijk klimaat, waar eeuwige lente en eeuwigdurende zomer heerschen. En de oorzaak van deze buitengewone vruchtbaarheid is, dat hunne wateren uit het Heiligdom vlieten, het wordt niet toegeschreven aan iets in hen zelf, maar aan de steeds voortgaande toevloeiing van goddelijke genade, waarmede zij alle oogenblik bevochtigd worden, Jesaja 27:3. Want, die hen geplant heeft, is dezelfde, die ook den wasdom geeft.