Ezechiël 18:1-9
Boze daden zijn de oorzaak van goede wetten, en op dezelfde manier zijn onbillijke berispingen soms de oorzaak van een billijke rechtvaardiging, boze spreekwoorden zijn de oorzaak van goede profetieën. Hier is,
I. Een boos spreekwoord, door de Joden in gevangenschap algemeen gebruikt. Tevoren hadden wij er ook een, Hoofdstuk 12:22, met een antwoord er op, hier hebben wij een ander. Dat eerste was een uitdaging van Gods rechtvaardigheid: "De dagen zullen verlengd worden en al het gezicht zal vergaan, al die bedreigingen zijn maar gekheid". En dit beschuldigt Hem van onrechtvaardigheid, alsof de oordelen, die volvoerd werden, onrechtvaardig waren: "Gij gebruikt dit spreekwoord van het land Israëls, nu het verwoest is door de oordelen Gods, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden, " wij worden gestraft voor de zonden van onze vaderen, wat even ongerijmd is in het goddelijk bestuur, als dat de tanden van de kinderen stomp zouden worden doordat de vaders onrijpe druiven aten, terwijl door het oorzakelijk verband in de natuur degene, die iets verkeerde eet of drinkt, er alleen zelf onder lijden zal.
1. Nu moet erkend worden, dat er voor dit spreekwoord reden gegeven was. God had dikwijls gezegd, dat "Hij de onrechtvaardigheid van de ouders bezoeken zou aan de kinderen," in `t bijzonder de zonde van de afgoderij, met de bedoeling daardoor de boosheid van de zonde uit te drukken, van die zonde, Zijn walging daarvan, en Zijn billijke verontwaardiging daartegen, en de zware straffen, die Hij over de afgodendienaars brengen zou, opdat de ouders van de zonde teruggehouden zouden worden door de liefde tot hun kinderen, en opdat de kinderen uit eerbied voor hun ouders zich niet tot zonde zouden laten verleiden. Eveneens had hij dikwijls verklaard, bij monde van Zijn profeten, dat Hij bij het verderf, dat Hij nu over Jeruzalem en Juda bracht, rekening hield met de zonden van Manasse en andere koningen, die voor hem geweest waren, want als Hij het volk als een politieke eenheid beschouwde en het met nationale oordelen strafte voor nationale zonden, en volgens het grondbeginsel van onze wet, dat een gemeente niet sterft, nu met hen afrekende wegens de ongerechtigheid van vroeger jaren, dan was dat hetzelfde als iemand "in zijn ouderdom de misdaden van zijn jonkheid te doen erven," Job 13:26. En er is geen onrechtvaardigheid bij God, als Hij dat doet. Maar,
2. Zij bedoelden God er een verwijt van te maken, en Zijn rechtvaardigheid in staat van beschuldiging te stellen om Zijn handelingen tegen hen. In zover is dit spreekwoord in overeenstemming met de waarheid, dat zij, die willens en wetens zondigen, onrijpe druiven eten, zij doen iets, waar ze vroeger of later de gevolgen van zullen ondervinden. De druiven mogen er alleszins verleidelijk uitzien, maar zij zullen een bittere nasmaak hebben. Zij zullen de tanden van de zondaars stomp maken. Als hun geweten ontwaakt en hun zonden voor hen stelt, zal het hun het genot van de smaak vergallen, alsof hun tanden stomp geworden waren. Maar zij vinden het onredelijk, dat de kinderen de gevolgen dragen van de dwaasheid van de vaders en de nadelen ondervinden van datgene, waarvan zij nooit de voordelen hebben gehad, en dat God onrechtvaardig was door aldus wraak te nemen en het niet kon rechtvaardigen. Zie, welk een goddeloze beschouwing, en welk een vermetele onbeschaamdheid, en zie ook hoe vernuftig het toch weer is, en hoe sluw de vergelijking is. Velen, die goddeloos zijn in hun spot, zijn vernuftig in hun grappen, en zo wordt de boosheid van de hel tegen God en de godsdienst algemeen verbreid. Hier hult zij zich in een spreekwoord, en dat spreekwoord wordt gebruikt, algemeen gebruikt, zij hadden het te allen tijde in de mond. En hoewel het klaarblijkelijk een lasterlijke bedoeling had, dekten zij zich achter deze beeldspraak tegen de aantijging van openlijke godslastering. Hieruit blijkt nu, dat zij zich niet vernederd hadden onder de roede, want in plaats van zichzelf te veroordelen en God te rechtvaardigen, veroordeelden zij Hem en rechtvaardigden zichzelf, maar wee hem, die met zijn Formeerder twist.
II. Een billijke berisping van en antwoord op dit spreekwoord: Wat is ulieden, dat gij het gebruikt? Dat is de berisping: "Wilt gij het tegen God opnemen? Of meent gij, dat gij iets anders doen zult, dan Hem tergen, om tegen u te toornen tot verterens toe? Is dat de manier om u met Hem te verzoenen en uw vrede met Hem te maken?" Het antwoord volgt waarin God hun te kennen geeft,
1. Dat dit spreekwoord niet meer gebruikt zal worden. Dit wordt gezegd en bezworen, vers 3 :Gij zult geen gelegenheid meer hebben dit spreekwoord te gebruiken, of (zoals men ook lezen kan): Gij zult dit spreekwoord niet meer gebruiken. In Jeremia 31:29 wordt dit gezegd als een belofte. Hier wordt het gezegd als een bedreiging. Daar betekent het, dat God op de weg van de genade tot hen terugkeren zal, hier betekent het, dat God hen zal tegenkomen op de weg des oordeels. Hij zal hen voor dit onbeschaamde gezegde zo straffen, dat zij het niet meer zullen durven gebruiken, evenals in een ander geval, Jeremia 23:34, 36. God zal afdoende middelen weten te vinden om die bedillers het zwijgen op te leggen. Of God zal hun en anderen zo duidelijk maken, dat zij zelf goddeloos genoeg zijn om al deze oordelen van de verwoesting over hen te brengen, dat zij zich zullen schamen, nog langer aan de zonden hunner vaders de schuld te geven, dat zij gestraft zijn: "Uw eigen geweten zal het u zeggen, en al uw naburen zullen het bevestigen, dat gij dezelfde onrijpe druiven gegeten hebt, die uw vaders voor u gegeten hebben, anders zouden uw tanden niet stomp geworden zijn."
2. Dat inderdaad het zeggen op zichzelf onrechtvaardig was en een onredelijk verwijt tegen God bestuur. Want,
A. God straft de kinderen niet voor de zonden van de vaders tenzij zij in de voetstappen van hun vaders treden en "de mate van hun ongerechtigheid vervullen, :Mattheus 23:32, en dan hebben zij geen reden zich te beklagen, want, wat zij te lijden hebben is minder dan zij voor hun eigen zonden verdienen. En als God spreekt van de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen te bezoeken dan is dat, wel verre van een harde behandeling van de kinderen, wie Hij slechts vergeldt naar hun werken, een bewijs van Gods geduld met de ouders, die Hij daarom niet onmiddellijk straft, omdat "Hij hun geweld weglegt voor hun kinderen," Job 21:19.
B. Alleen in tijdelijke rampen is het waar dat de kinderen (en soms onschuldig) lijden onder de goddeloosheid van hun ouders, en God kan deze rampen ten goede keren ten bate van hen, die er door bezocht worden maar ten opzichte van geestelijke en eeuwige ellende (en van die dood wordt hier gesproken) zullen de kinderen geenszins voor de zonden van de ouders boeten. Dit wordt hier uitvoerig aangetoond, en het is een wonderbaar voorbeeld van neerbuigende goedheid, dat het de grote God behaagde, de zaak met zulke goddeloze en onredelijke mensen te bespreken, en dat Hij ze niet onmiddellijk met stomheid sloeg of met de dood, maar Zich verwaardigde hun de zaak voor te stellen, om Zich te zuiveren van de beschuldiging. In Zijn antwoord,
a. betuigt en verdedigt Hij Zijn eigen volstrekte en onbetwistbare soevereiniteit: Zie alle zielen zijn van Mij, vers 4. God eist alle zielen van de kinderen van de mensen, de ene zowel als de andere, als Zijn eigendom op. Ten eerste. De zielen zijn van Hem. Hij, die alle dingen geformeerd heeft, is nog in bijzonderen zin de Vader van de Geesten, want de zielen van de mensen dragen Zijn stempel, dat was zo bij hun schepping, het is ook zo bij hun vernieuwing. Hij formeert des mensen geest in zijn binnenste, en wordt daarom genoemd de God van de geesten van alle vlees, of de God van de belichaamde geesten.
Ten tweede. Alle zielen zijn van Hem, zij zijn alle door Hem en voor Hem geschapen en zijn Hem rekenschap schuldig. Gelijk de ziel van de vaders, alzo ook de ziel van de zoon, zijn van Mijn. Onze aardse ouders zijn alleen de vaders van ons lichaam, onze zielen zijn niet van hun, God roept ze ter verantwoording op. Hieruit volgt nu, om deze zaak af te doen,
1. Dat God beide, met vaders en kinderen zeker doen mag, wat Hem behaagt, en niemand kan tot Hem zeggen: Wat doet Gij? Hij, die ons het aanzijn gaf, doet ons geen onrecht, als Hij het ons weer ontneemt, veel minder, als Hij slechts enige van onze steunselen en gemakken wegneemt, het is even ongerijmd met Hem te twisten, als dat het leem tot zijn formeerder zeggen zou: Wat maakt gij?
2. Dat God even zeker goedgunstig is, beide jegens vader en zoon, en geen van beide hard behandelen zal. Wij zijn zeker, dat God niets van wat Hij gemaakt heeft, haat, en daarom (van de volwassenen gesproken, die in staat zijn voor zichzelf te handelen) heeft Hij zoveel liefde voor alle ziel, dat niemand sterft dan door zijn eigen schuld. Alle zielen zijn van Hem, en daarom is Hij niet partijdig in Zijn oordeel over hen. Laat ons erkennen, dat Hij belang bij en heerschappij over ons heeft. Hij zegt: "Alle zielen zijn van Mij, laat ons antwoorden: Heere, mijn ziel is van U, ik wijd ze U om in Uw dienst gebruikt en in U gelukkig gemaakt te worden." God heeft er goede redenen voor om te zeggen: "Mijn zoon, geef Mij uw hart, want het is van Mij", wat wij moeten inwilligen: "Vader, neem het, het is van U."
B. Hoewel God Zich kan rechtvaardigen met Zijn soevereiniteit, toch doet Hij dat niet, maar stelt de volgende billijke wet vast die geen uitzondering toelaat, en waarnaar Hij alle mensen oordelen zal
Ten eerste. De zondaar die in de zonde blijft zal zeker sterven, zijn ongerechtigheid zal zijn ondergang zijn: De ziel, die zondigt, die zal sterven, zal sterven, zoals een ziel sterven kan, zal uitgesloten worden van Gods gunst, die het leven en de zaligheid van de ziel is, en zal voor altijd onder Zijn toorn liggen die haar dood en rampzaligheid is. Zonde is de daad van de ziel, daar het lichaam alleen het wapen van de ongerechtigheid is, zij wordt genoemd de zonde van de ziel, Micha 6:7. En daarom is de straf van de zonde verdrukking en benauwdheid van de ziel, Romeinen 2:9.
Ten tweede. De rechtvaardige, die blijft in zijn rechtvaardigheid zal zeker leven. Wanneer iemand rechtvaardig is, een goed beginsel, een goeden geest en een goed hart bezit, en ten bewijze daarvan recht en gerechtigheid doet, vers 5, die zal gewis leven, spreekt de Heere Heere, vers 9. Hij, die zijn geweten in alle dingen aan Gods wil onderwerpt, die er zijn werk van maakt om God te dienen en zijn doel om God te verheerlijken, zal zonder feil hier en hiernamaals in de liefde en gunst van God gelukkig zijn, en, als hij in zijn plicht tekort schiet zal het hem vergeven worden door de Middelaar. Hier volgt een deel van de karaktereigenschappen van de rechtvaardige. 1. Hij houdt zich zorgvuldig rein van de besmetting van de zonde, en ver van allen schijn des kwaads.
a. Van zonde tegen het tweede gebod. Inzake de dienst van God is hij ijverig, want hij weet, dat God dat is. Hij offert niet alleen niet op de hoogten voor de beelden, die daar geplaatst zijn, maar zelfs eet hij niet op de bergen, dit is hij heeft geen gemeenschap met de afgodendienaars, door te eten van wat de afgoden geofferd is, 1 Corinthiers. 10:20. Niet alleen knielt hij niet met hen voor hun altaren, maar hij zit ook niet met hen aan tafel op de hoogten. Niet alleen verfoeit hij de afgoden van de heidenen, maar ook de drekgoden van het huis Israëls, die niet alleen toegelaten, maar ook algemeen toegejuicht en vereerd werden door hen, die beschouwd werden als het gelovig volk van God. Niet alleen vereert hij die afgoden niet, maar ook heft hij zijn ogen niet op tot hen, hij ziet hen niet welwillend aan, heeft geen oplettendheid voor hen, verlangt geen gunst van hen en vreest hun ontevredenheid niet. Hij heeft zo velen door hen betoverd gezien, dat hij er nog niet naar heeft durven zien, om niet in hun strik gevangen te worden. Er staat in Ezechiël 6:9, dat de ogen van de afgodendienaars hen nahoereren, zie ook Deuteronomium 4:19.
b. Van zonde tegen het zevende gebod. Hij zorgt nauwgezet zijn vat te bezitten in heiligmaking en ere, niet in alle begeerlijkheid en onreinigheid, daarom ook waagt hij het niet zijns naasten huisvrouw te verontreinigen, noch iets te zeggen of te doen, dat ook maar de geringste strekking heeft, haar lastig te vallen, verderven of te verleiden, ook zal hij niet op ongepaste wijze tot zijn eigen vrouw naderen, als zij afgezonderd is wegens onreinheid, want dat was door de wet verboden, Leviticus 18:19, 20:18. Het is een bewijs van wezenlijke wijsheid en rechtvaardigheid, zijn lichamelijke lusten steeds onderworpen te houden aan rede en deugd.
c. Van zonde tegen het achtste gebod. Hij is rechtvaardig, die niemand verdrukt, door bedrog en onder de schijn van wet en recht, geen roof rooft met geweld van wapenen, niemand van zijn goederen en bezittingen berooft, veel minder van zijn vrijheid of leven, vers 7. Onderdrukking en geweld waren de zonden van de oude wereld, die oorzaak waren van de zondvloed en het zijn zonden, waarvan God nog altijd de wreker is, en altijd zijn zal. Ja, hij geeft niet op woeker, en neemt geen overwinst, vers 8, hoewel dat niet onrechtvaardig schijnt als het bij afspraak gaat-(Volenti non fit injuria, Het is geen onrecht, wat men iemand doet, met zijn goedvinden), toch zal hij het niet doen, zover het door de wet verboden is. Een matige rente mocht van vreemden genomen worden, maar niet van de broeders. De rechtvaardige maakt geen misbruik van de nood van zijn buurman om hem ten prooi te kiezen noch om zich over te geven aan gemak en luiheld, en van het zweet en de arbeid van anderen te leven, en daarom neemt hij geen overwinst van hen, die geen overwinst kunnen maken van wat hij leent, en houdt niet hardvochtig vast aan de overeenkomst jegens hen, die door Gods hand buiten staat gesteld zijn, te betalen, maar hij is bereid, evenzeer in het verlies als in de winst te delen. (Qui sentit commodum, sentire debet et onus-Die het gemak geniet, dient ook de last te dragen.)
2. Hij maakt er gewetenswerk van de plichten waar te nemen, die aan zijn plaats verbonden zijn. Hij geeft de schuldenaar zijn pand weer, naar de wet, Exodus 22:26. Indien gij uws naasten kleed als pand neemt, een kleed waar hij niet buiten kan, zo zult gij het hem weergeven, opdat hij onder zijn kleed slapen kan. Ja, hij geeft de arme niet alleen wat hem toekomt, maar hij geeft de hongerige brood Zijn brood wordt het genoemd, omdat hij er eerlijk aan gekomen is, wat men de één geeft moet de ander niet op onrechtvaardige wijze afgenomen worden, want God heeft gezegd: Ik haat de roof in het brandoffer. Wereldse mensen beweren, dat het hun eigen brood is zoals Nabal, die daarom niets aan David geven wilde, 1 Samuël 25:11 :maar zij moeten weten dat het niet in die zin het hun is dat zij niet verplicht zijn er anderen mee wei te doen. Kleren zijn even nodig als voedsel en daarom is deze rechtvaardige zo liefderijk, dat hij ook de naakte met kleding bedekt, vers 7. De klederen, die Dorcas voor de armen gemaakt had, worden als getuigen van haar liefdadigheid bijgebracht, Handelingen 9:39. Deze rechtvaardige keert zijn hand van onrecht af, vers 8. Wanneer hij te eniger tijd verwikkeld is in iets, wat hem later onrecht bleek, volhardt hij er niet in, omdat hij er eenmaal mee begonnen is, maar keert zijn hand af van wat hij nu als onrecht herkent, want hij oefent waarachtig recht tussen de ene en de anderen, naar dat hij gelegenheid heeft het te doen (als rechter, als getuige, of als scheidsman), en zorgt bij allen handel, dat recht gedaan en niemand verongelijkt wordt, dat wie verongelijkt is, schadeloos gesteld wordt, en dat ieder het zijne krijgt, en is altijd bereid tussenbeide te komen en er moeite voor te doen. Dit wat betreft zijn handel tegenover zijn buren, maar eerlijk en rechtvaardig jegens zijn broeder te zijn, is niet voldoende, opdat zijn karakter volmaakt zij, moet hij het eveneens jegens God zijn, vers 9 :Hij wandelt in Mijn inzettingen, namelijk die rechtstreeks betrekking hebben op de dienst van God: hij onderhoudt deze en alle andere rechten, hij heeft er ontzag voor, het is zijn voortdurende zorg en pogen zich daarnaar te voegen en ze na te komen, om trouwelijk te handelen, om zich getrouw te tonen aan zijn verbond met God, en als hij God gevolgd is, keert hij zich niet trouwelooslijk van Hem af, en veinst niet met Hem. Die dat doet is rechtvaardig, hij zal zeker leven. Hij zal het leven hebben, hij zal het overvloediger hebben, hij zal waarlijk, met gerustheid en eeuwig leven. "Onderhoud de geboden, en gij zult het eeuwige leven hebben," Mattheus 19:16, 17.