27. En Ik zag, als ik de verschijning nader beschouwde, als de verf van Hasmal, als een vurige lichtglans (
Vers 4) daarover uitgestort, en binnen den troon als de gedaante van vuur rondom daarbinnen; van de gedaante Zijner lenden desgenen, die op den troon zat en opwaarts, en van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts, zowel het bovenlichaam als het onderlichaam, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom 1), van welk vuur een licht rondom uitging.
1) De openbaring Gods, welke de Profeet hier te beurt valt, toont Hem den Heere in Zijn Rechtvaardigheid, Heiligheid en Genade, welke God, de Heere ten toon spreidt in de regering en onderhouding van zijn Rijk. Het vuur en de glans des bliksems zijn tekenen Zijner rechtvaardigheid en heiligheid, de regenboog is het teken Zijner genade.
De Profeet ziet den Heere zelf niet, maar Zijn Goddelijke openbaring. Daniël ziet een mensenzoon. Ezechiël de gelijkenis van een mens, dat is zoals Calvijn terecht aanmerkt, de Profeet heeft God gezien in den persoon van Christus, dewijl het niet kan overgebracht worden op den Persoon des Vaders, noch des Geestes, omdat er gesproken wordt van een menselijke gelijkenis, want noch God, de Vader, heeft Zich in het vlees geopenbaard, noch ook de H. Geest, maar God heeft zich geopenbaard in het vlees, toen ons Christus verscheen, in welken de volheid Gods resideerde. " 28. Gelijk de gedaante van den regenboog, die in de wolk is ten dage des plasregens, en wanneer de stralen der weer doorbrekende zon op den wegtrekkenden wolkenmacht in kleurenglans breken, alzo was de gedaante van den glans rondom dengenen, die op den troon zat, dit, wat in Vers 27, 28 gezegd is 1), was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN 2), zoals dit in het gezicht zich aan mij voordeed.
1) Opmerkelijk is het, hoe de Profeet in de drie laatste verzen, waarin over den Heere gesproken wordt, het overeenkomende zo sterk als beeld voorstelt. De verschijning der heerlijkheid Gods is boven al de heerlijkheid in Zijne schepping, en boven al wat Hem op aarde nog verheerlijken zal, oneindig ver verheven.
Ezechiël laat niet na juist bij het hoogste in de verschijning zeer dikwijls er op te wijzen, dat de beelden, welke hij ziet, niet geheel overeenkomen met het voorwerp, maar dat slechts zoveel mogelijk tot het menselijk begrip moeten brengen. Deed hij dat niet, zo zou hij in strijd komen met het gebod: "gij zelf u geen beeld noch enige gelijkenis maken", hetwelk tegen voorstellingen van het Goddelijke is gericht, welke met de werkelijkheid zouden willen overeenkomen, de volheid van het voorwerp geheel voor te stellen, waarvan dan de aanbidding het onmiddellijk gevolg is.
Van het noorden komt het gezicht tot den Profeet, en in den regenboog verdwijnt het voor zijn oog; want gericht en ondergang moest hij in de eerste plaats en in de tweede genade en eeuwige redding voorzeggen.
De Goddelijke gerichten, hoe streng zij ook zullen zijn, zullen toch de herinnering van het verbond, gesloten met Abraham, Izak en Jakob, niet uitdelgen.
De vuurkolom wordt door den glans der zon rondom Hem, die op den troon zit, veranderd in ene draagster van den boog des vredes en des verbonds, van het teken der genade na en uit het gericht. Hiermede breekt het Evangelie van Christus door, hoe verschillend ook de uitleggers de letter mogen verklaren.
Het gericht stelt nu vooral den Profeet het karakter van de eerstvolgende toekomst van Gods volk voor ogen; het wijst er op, dat dit volk, hetwelk zich aan zoete dromen overgaf, en gelijk eens de tien stammen in dwaze verblinding en met gehele miskenning van tekenen des tijds sprak (Jesaja 9:10): "De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen", aan den vooravond van een zwaar gericht staat. Daardoor was reeds in het algemeen het karakter van zijne zending aangewezen. Hij moest de illusies wegnemen, moest het gericht aankondigen en als streng boetprediker optreden. Ook de grote moeilijkheden, welke hij moest doorstaan, waren reeds in dat gezicht opgesloten. Het volk, dat aan het zware Goddelijke gericht was overgegeven, kan den dienaar Gods niet gewillig opnemen, de prediking van boete moet bij den onboetvaardige verbittering veroorzaken. Wat uit het visioen reeds kan worden afgeleid, dat wordt nu later in woorden uitdrukkelijk gezegd. Evenals dit fundamentele visioen alles bevat wat tot schrik der vijanden en tot troost der vrienden van den Tronende dient, zo heeft ook het visioen Ezechiëls fundamentele betekenis, niet alleen voor de gehele werkzaamheid des Profeten, maar bovendien voor het voortbestaan en de voortgaande ontwikkeling van het Godsrijk in Israël, tot het doel van zijn voleinding in heerlijkheid.
Dit is duidelijk, wanneer men er op let dat deze Godsopenbaring den Profeet niet alleen ten deel viel, aleer hij zijne redenen tot zijn volk had te richten, zijne redenen, waarin hij de straf Gods aankondigt, maar ook weer als hij de heerlijkheid der N. Bedeling heeft uit te roepen.
2) Dit duidt aan, dat Hij, die op den troon zit, de Middelaar des Verbonds is, dat Zijne heerschappij tot onze bescherming is en niet tot ons verderf, dat Hij Zich tusschenstelt, tussen ons en de oordelen, die onze zonden verdiend hebben, en dat alle de beloften van God, in Hem ja en amen zijn. Nu brak het vuur van Gods toorn uit tegen Jeruzalem, aan hetzelve moesten palen gesteld worden en Hij wilde geen uiterlijke vernietiging daarvan maken.
De Profeet zegt niet dat was des HEERE, maar dat was de gelijkenis des HEEREN. Hij wijst er dus opzettelijk op, dat alleen de heerlijkheid des Heeren openbaar werd en niet Zijn heilige Persoon.
III. 15:28b Hoofdst 3:11 Bij de ontzaglijke openbaring der heerlijkheid des Heeren, zoals die volgens het medegedeelde in de vorige afdeling hem ten dele werd, valt de Profeet in het gevoel zijner onmacht en zondigheid op de aarde. Door de stem van God weer opgericht, verneemt hij hierop het woord zijner roeping. Het begint daarmee, dat de Heere hem het volk schildert, tot hetwelk Hij hem zendt, om hem bekend te maken met de moeilijkheden van deze zending, maar ook om hem tot volvoering daarvan op te wekken. Vervolgens wordt hij tot uitoefening van zijn ambt door ingeving van het woord Gods, dat hij moet verkondigen, toegerust. Tevens wordt hij, daar hij met een ongehoorzaam huis, met een volk van harde voorhoofden en verstokte harten te doen heeft, met een nog veel harder voorhoofd begiftigd, als diamant harder is dan keisteen. Nu wordt hij met ene herhaalde korte zamenvatting van zijne instructie in zijn ambt ingeleid. Met hetgeen deze 3e afdeling in verband met de voorafgaande 2e ons heeft voorgesteld, zijn den twee van de in 1e afdeling ven Ezechiël toegezegde drie stukken vervuld. Volgens Hoofdstuk 1:1 is de hemel over hem geopend en God heeft hem gezichten getoond (Hoofdstuk 1:4-28), en volgens Hoofdstuk 1:3 is des Heeren woord tot hem geschied (Hoofdstuk 1:28-3 :11). Nog blijft het derde stuk over, dat volgens Hoofdstuk 1:3 des Heeren hand over hem zou komen, hetgeen wij in afdeling 4 zullen vervuld zien.
28b. En a) als ik het zag, dat aangezicht der heerlijkheid des Heeren, zo als zich dat in Vers 26 vv. aan mij voordeed, viel ik verschrikt als een zondig mens (Jesaja 6:5) op mijn aangezicht, en ik hoorde ene stem van enen, die sprak, en wiens stem mij bedoelde.
a) Daniël 10:9.
In den zondaar is geen vermogen om voor God te kunnen staan, voor Zijn licht en Zijne heerlijkheid, wanneer hij dat niet vermag door den Geest Gods. Het nedervallen op het aangezicht was een gewone vorm van aanbidding op enig teken der Goddelijke tegenwoordigheid. Zie Genesis 17:3. Numeri 14:5; 16:4.