Ezechiël 44:1-3
De profeet wordt hier teruggevoerd om nogmaals te bezien, wat hij al eens gezien had, want, al hebben wij vaak een blik geslagen in de dingen Gods, toch is het de moeite waard, ze nogmaals te bezien, om den rijkdom daarvan. De lessen, die wij geleerd hebben, moeten wij steeds bij onszelf herhalen. Iederen keer, dat wij het gewijde samenstel der heilige dingen, dat wij in de Schrift vinden, bezien, zullen wij weer iets nieuws vinden, dat wij tevoren niet opgemaakt hadden. De profeet wordt voor de derde maal naar de oostpoort gebracht en vindt die gesloten, wat beteekent, dat de andere poorten ten allen tijde open stonden voor de aanbidders. Maar de reden, die opgegeven wordt voor het sluiten van deze poort, is eervol,
1. Voor den God van Israël. Het is ter eere van Hem, dat de poort van het binnenste voorhof, waardoor Zijne heerlijkheid binnenging, toen Hij bezit nam van het huis, daarna altijd gesloten werd gehouden, en het niemand werd toegestaan daardoor binnen te gaan, vers 2. Het verschil, dat sindsdien steeds gemaakt werd tusschen deze poort en de andere poorten, dat deze gesloten was, als de andere open waren, bedoelde beide, de plechtige intrede van de heerlijkheid des Heeren in het huis, waarvan de waarheid door dit feit voor alle geslachten zou bewezen worden, te vereeuwigen, en ook de geest van het volk te vervullen met eerbied voor de goddelijke majesteit, en met de grootsche gedachte aan Zijn bovenaardsche heerlijkheid, wat de reden was, waarom God aan Mozes bij het bosch beval: Trek uwe schoenen uit van uwe voeten God wil een eigen weg hebben.
2. Voor den vorst van Israël, vers 3. Het is een eer voor hem, dat, al mag hij niet door deze poort binnengaan, want dat mag niemand, a. Hij toch daarin zitten zal om zijn deel van het dankoffer te eten voor het aangezichte des Heeren. b. Hij zal ingaan door den weg van het voorhuis der poort, door een nevenpoortje of een poorte in de deur der poort, wat hier de weg van het voorhuis genoemd wordt. Dit was om te beteekenen, dat God een deel van Zijn eer aan de overheden, aan de vorsten geeft, want Hij heeft gezegd: Gij zijt goden. Sommigen denken bij dezen vorst aan den hoogepriester, of den tweeden priester, en dat hem alleen was toegestaan door deze poort in te gaan, want hij was Gods vertegenwoordiger. Christus is de Hoogepriester van onze belijdenis, die Zelf in de heilige plaats binnenging, en het koninkrijk der hemelen voor alle geloovigen ontsloot.